Hof van Cassatie: Arrest van 3 November 1995 (België). RG C950020F

Datum :
03-11-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19951103-3
Rolnummer :
C950020F

Samenvatting :

Het hof van beroep, waarbij een voorziening aanhangig is tegen de beslissing van de beslagrechter die het verzet van de belastingplichtige tegen het bevel tot betaling afwijst, is niet bevoegd om uitspraak te doen over de geldigheid van de aanslag die de grondslag heeft gevormd van het te zijnen laste uitgevaardigde dwangbevel en van het hem betekende bevel tot betaling.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 19 mei 1994 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 2, 556, 603, 1°, 1395, 1396, 1489, eerste en tweede lid, 1494, 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, 267, 272, 275, 276, 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (artikelen 366, 371, 374, 375, 377 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992),
doordat het arrest erop wijst dat eiser de uitvoering vordert van het dwangbevel dat op 19 juni 1991 ten laste van verweerder is uitgevaardigd ingevolge de op 20 juli 1990 uitvoerbaar verklaarde kohieren met de artikelnummers 065121 en 065131 voor de belastingjaren 1987 en 1986, en vervolgens zegt dat de titel krachtens welke eiser optreedt nietig is, en bijgevolg verweerders verzet gegrond verklaart, het op 4 juli 1991 betekende bevel tot betaling nietig verklaart en eiser in de kosten van beide instantiën veroordeelt, op grond : "dat (eiser) niet betwist dat artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen niet is nageleefd, maar betoogt dat de enig mogelijke voorziening erin bestond een regelmatig bezwaar in te dienen overeenkomstig de artikelen 267 en volgende; dat de aanslagen, aangezien geen enkel bezwaar is ingediend, definitief zijn geworden en dat thans dient te worden vastgesteld dat (eiser) vervallen is van zijn recht om zijn schuld te betwisten; dat het ingevolge artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek aan de beslagrechter staat na te gaan of de gedwongen tenuitvoerlegging krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken is gebeurd; dat de eerste controle betrekking heeft op de regelmatigheid van de titel; dat inzake inkomstenbelastingen het kohier de door de directeur der belastingen uitvoerbaar verklaarde titel is; dat de administratieve overheid over het voorrecht van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandelingen beschikt dat erin bestaat zichzelf een uitvoerbare titel te kunnen verschaffen; dat (verweerder) kritiek oefent op de regelmatigheid van de titel krachtens welke (eiser) optreedt; dat het haf (van beroep) die regelmatigheid hoort na te gaan; dat het bestuur, wanneer het oordeelt de aangifte van de belastingplichtige te moeten herzien, hem dat bij ter post aangetekende brief moet meedelen; dat die wijze van kennisgeving een substantiële regel van de herzieningsprocedure uitmaakt; dat ten deze uit geen enkel stuk blijkt dat die substantiële procedure in acht is genomen; dat die onwettigheid, die ambtshalve moet worden opgeworpen, tot vernietiging van de aanslag en van de titel die deze vaststelt moet leiden",
terwijl, eerste onderdeel, de beslagrechter weliswaar bevoegd is om de regelmatigheid van de belastingbeslissing na te gaan krachtens welke een uitvoerend beslag wordt gelegd (artikelen 1395, 1396, 1489, eerste lid en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek), maar daarentegen niet kan nagaan of de belasting, die de grondslag van het dwangbevel en van het krachtens die titel gelegde uitvoerend beslag vormt, regelmatig is; de beslagrechter immers niet bevoegd is om ten gronde uitspraak te doen (artikel 1489, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek), over de toekenning van de uitvoerbare titel; het hof van beroep ten deze, uitspraak doende als beslagrechter, kon nagaan of het uitvoerend beslag ten laste van verweerder ingevolge een geldige uitvoerbare titel werd gelegd -wat het vaststelt door erop te wijzen dat de administratie in belastingzaken het recht heeft zichzelf een uitvoerbare titel te verschaffen en dat het litigieuze dwangbevel op 19 juni 1991 is uitgevaardigd ten gevolge van aanslagbiljetten van 20 juli 1990 - maar niet bevoegd was om de regelmatigheid van de herzieningsprocedure na te gaan die heeft geleid tot het vaststellen en ten kohiere brengen van de litigieuze belastingen;
daaruit volgt dat het hof van beroep door te beslissen dat "de litigieuze aanslag" nietig is omdat hij ten kohiere is gebracht zonder voorafgaande kennisgeving aan verweerder van de herziening van zijn aangifte en dat, bijgevolg, het te zijnen laste op 19 juni 1991 uitgevaardigde dwangbevel en het hem op 4 juli 1991 betekende bevel tot betaling ook nietig zijn, over de grond van de zaak uitspraak doet en aldus de grenzen van de bevoegdheid van de beslagrechter overschrijdt (schending van de artikelen 1395, 1396, 1489, eerste en tweede lid, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek);
tweede onderdeel, ingevolge artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek, de hoven en rechtbanken kennis nemen van alle vorderingen, behalve van die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt; inzake inkomstenbelastingen artikel 267 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen bepaalt dat de belastingplichtige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd; uit die bepalingen volgt dat verweerder, als hij van mening was dat de litigieuze aanslagen en het door het bestuur uitgevaardigde dwangbevel nietig waren, omdat voordien geen bericht met opgave van de redenen van de herziening van de aangifte werd gegeven, het geschil voor de directeur van de directe belastingen van de provincie Luik had dienen te brengen (artikelen 272, 275, 276 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen), en als diens beslissing ongunstig uitvalt, voor het hof van beroep (artikelen 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 603, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek); dat hof, als beslagrechter, niet bevoegd was om uitspraak te doen over de geldigheid van de aanslagen die de grondslag hebben gevormd van het op 19 juni 1991 uitgevaardigde dwangbevel en van het bevel tot betaling dat aan de op 4 juli 1991 betekende uitvoering voorafgaat; daaruit volgt dat het arrest, door uitspraak te doen over de wettelijkheid van de aanslagprocedure en door "de aanslag en (de) titel die deze vaststelt" nietig te verklaren, terwijl het vaststelt dat er tegen de litigieuze aanslagen geen bezwaar bij de directeur der belastingen is ingediend, het geheel van de in de aanhef van het middel aangewezen wetsbepalingen schendt en inzonderheid de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen die aan de directeur der belastingen uitsluitende bevoegdheid verlenen om uitspraak te doen over de wettelijkheid en de regelmatigheid van de aanslagen :
Wat betreft het tweede onderdeel :
Overwegende dat de belastingplichtige, ingevolge de artikelen 267 en 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), tegen het bedrag van de te zijnen name vastgestelde aanslag bij de directeur der belastingen bezwaar kan indienen en tegen diens beslissing een voorziening bij het hof van beroep kan instellen;
Overwegende dat het hof van beroep, op het hoger beroep tegen een beslissing van de beslagrechter, vaststelt dat de administratie der belastingen ten aanzien van verweerder artikel 251 van voornoemd wetboek, betreffende de procedure tot herziening van de aangifte, niet had nageleefd en dat de betrokkene tegen het bedrag van de te zijnen name vastgestelde aanslag geen enkel bezwaar had ingediend; dat het arrest beslist dat het niet naleven van voornoemd artikel 251 "tot vernietiging van de aanslag en van de titel die deze vaststelt" leidt;
Dat het hof beroep,
door als beslagrechter en dus buiten het in artikel 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) bepaalde geval, uitspraak te doen, niet bevoegd was om uitspraak te doen over de geldigheid van de aanslag, die de grondslag vormde van het ten laste van verweerder uitgevaardigde dwangbevel en van het aan laatstgenoemde betekende bevel tot betaling;
Dat het onderdeel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.