Hof van Cassatie: Arrest van 30 Mei 1991 (België). RG F1098F

Datum :
30-05-1991
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19910530-1
Rolnummer :
F1098F

Samenvatting :

Het hof van beroep behoeft niet te antwoorden op de conclusie die de belastingschuldige, na oproeping tot verschijnen overeenkomstig art. 286, eerste lid, Wetboek van de Inkomstenbelastingen, ter griffie van dat hof heeft ingediend, wanneer hij niet is verschenen noch vertegenwoordigd was ter terechtzitting waarop de zaak is behandeld, en die conclusie dan ook niet ter beoordeling van de rechter heeft overgelegd.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 30 januari 1990 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen; Over het eerste middel : schending van de artikelen 97 van de Grondwet, 1317, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 278 en 286 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, doordat het bij verstrek gewezen arrest dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van eiseres, haar beroep tegen de beslissing d.d. 1 oktober 1985 van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Namen ongegrond verklaart op grond "dat verzoekster niet verschenen is op de openbare terechtzitting van 19 december 1989, ofschoon zij naar behoren was opgeroepen bij een ter post aangetekend schrijven van 14 maart 1989; dat verzoekster geen conclusie neemt en voor het hof (van beroep) geen enkel argument aanvoert tot staving van haar beroep; dat het hof (van beroep) niet hoeft te antwoorden op de in het verzoekschrift uiteengezette middelen, aangezien zij door verzoekster niet in openbare terechtzitting aan zijn oordeel werden onderworpen; dat het beroep niet gegrond is"; terwijl eiseres in haar regelmatig ingediend appelverzoekschrift in hoofdzaak aanvoerde dat de exploitatielasten, waarvan de aftrek van het belastbaar inkomen geweigerd werd door de beroepen beslissing, het aan een werkman betaalde loon omvatten waarvan de betaling bewezen wordt aan de hand van de boekhoudkundige stukken van de vennootschap, terwijl de verkrijger het volledige bedrag van dat inkomen heeft aangegeven in de personenbelasting, daarop is belast en die belasting heeft betaald, zodanig dat er voor de Schatkist geen nadeel was ontstaan uit het feit dat de op die lasten betrekking hebbende kaarten 281.10 en staten 325.10 niet waren opgemaakt ten gevolge van een verschoonbare vergissing, en dat "de belasting moet worden geheven op basis van de werkelijke inkomsten maar ook van de werkelijke lasten"; en terwijl het hof (van beroep) verplicht is de wettigheid van de belastingsschuld van ambtswege te onderzoeken, aangezien deze de openbare orde raakt en het hof dus het beroep niet ongegrond kan verklaren op de enkele grond dat eiseres niet verschenen is (schending van artikel 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen); het arrest, nu het appelverzoekschrift met redenen is omkleed, de bewijskracht ervan miskent door te beslissen dat eiseres geen enkel argument tot staving van haar beroep aanvoert voor het hof (van beroep) (schending van de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en terwijl het arrest, door het beroep ongegrond te verklaren zonder de in het verzoekschrift aangevoerde argumenten en middelen te onderzoeken en zonder daarop te antwoorden, ondanks het verstek van eiseres, niet ten genoege van recht met redenen is omkleed (schending van de artikelen 97 van de Grondwet en 286 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen) : In zoverre het middel zich beroept op de schending van artikel 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen : Overwegende dat, enerzijds, het hof van beroep niet verplicht was te antwoorden op de door eiseres in haar verzoekschrift uiteengezette middelen, aangezien zij niet verschenen was en niet vertegenwoordigd was op de terechtzitting waarop de zaak is behandeld, zodat zij haar middelen niet aan het oordeel van de appelrechter heeft onderworpen; Overwegende dat, anderzijds, uit het arrest niet blijkt dat het hof van beroep het beroep van eiseres als ongegrond heeft verworpen op grond dat die partij verstek had laten gaat; dat het arrest vermeldt dat de rechtspleging regelmatig is gevoerd op grond van artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, dat de voorwaarden bepaalt voor de aanslag van ambtswege door de administratie, dat eiseres die niet verschenen was op de terechtzitting v
an het hof van beroep, geen conclusie heeft ingediend en geen enkel argument heeft aangevoerd tot staving van haar beroep; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; Over het overige gedeelte van het middel : Overwegende dat het arrest niet vermeldt dat het appelverzoekschrift van eiseres geen grieven bevatte tot staving van het beroep, doch enkel dat het hof van beroep, wegens het feit dat eiseres geen conclusie had genomen en geen enkel argument tot staving van haar beroep had aangevoerd voor het hof van beroep, niet verplicht was te antwoorden op de in het verzoekschrift uiteengezette middelen, die immers door eiseres niet aan het oordeel van het hof waren onderworpen; Dat derhalve het hof van beroep, enerzijds, de bewijskracht van dat verzoekschrift niet miskent, anderzijds, zijn beslissing regelmatig met redenen heeft omkleed, aangezien het niet verplicht was te antwoorden op de in dat verzoekschrift uiteengezetten middelen; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiseres in de kosten.