Hof van Cassatie: Arrest van 30 Mei 2003 (België). RG C000347N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20030530-1
- Rolnummer :
- C000347N
Samenvatting :
Wie de uitoefening van een conventioneel recht van overgang vordert op grond van een titel die ouder is dan dertig jaar, moet, als hem de bevrijdende verjaring wordt tegengeworpen, het bewijs leveren dat de erfdienstbaarheid werd uitgeoefend sedert minder dan dertig jaar voorafgaande aan de vordering en aldus de verjaring werd gestuit en het verval door onbruik vermeden (1); wie tegenwerpt dat het recht van overgang reeds was tenietgegaan door bevrijdende verjaring van dertig jaar voorafgaande aan de bewezen oudste daad van stuiting binnen de dertig jaar voorafgaande aan het instellen van de vordering, moet het bewijs van dit dertigjarige onbruik leveren (2). (1) Cass., 18 nov. 1983, AR 3884, nr 153. (2) Zie Cass., 5 april 1990, AR 6205, nr 471 en, behalve telkens de voetnoot (1) bij dit arrest en bij het in vorige voetnoot geciteerde arrest, een commentaar, bij beide arresten, van VERHEYDEN-JEANMART N., COPPENS Ph. & MOSTIN C., Examen de jurisprudence (1989 à 1998), Les biens, R.C.J.B., 2000, 452, nr 202.
Arrest :
D.B.F.
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. P.A.
2. P.M.
3. P.C.
4. P.G.
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 maart 2000 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen.
Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.
Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ;
de artikelen 1955, 706, 707, 1315 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek ;
de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek ;
de algemene rechtsbeginselen van de strikte interpretatie van de afstand en van de procesgelijkheid der partijen.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis van bevestiging zegt voor recht dat het eigendom van eiser, gelegen te Breendonk-Puurs, ter plaatse genaamd "Steenbossen", gekadastreerd wijk B nr. 160/c en 160d, bezwaard is met een conventioneel recht van uitweg van drie meter breedte ten voordele van het eigendom van de verweerders gelegen te Breendonk-Puurs, ter plaatse genaamd "Steenbossen", gekadastreerd wijk B nr. 179/a, overeenkomstig akte van 16 december 1996 verleden voor notaris P. te Willebroek en aangeduid volgens de lijn A-B van het deskundigenverslag van T. van 29 maart 1995 (plan I), en veroordeelt eiser alle hindernissen weg te nemen die dit recht van uitweg zouden belemmeren binnen de twee maanden op straffe van een dwangsom van 5.000 BEF voor iedere inbreuk op de vrije uitoefening of iedere belemmering onder welke vorm ook, op volgende gronden : ten onrechte stelt eiser dat de verweerders niet het bewijs bijbrengen dat de erfdienstbaarheid niet door verjaring teniet zou zijn gegaan ; het is immers eiser zelf die in eerste aanleg heeft verzocht door getuigen het positief bewijs te brengen van een dertigjarige non-usus van erfdienstbaarheid, doch hij heeft in dit bewijs gefaald ; inderdaad is uit het tegenverhoor gebleken dat minstens sedert 1957 het conventioneel tracé van de erfdienstbaarheid werd gebruikt door de pachter van het perceel gelegen voor dat van de verweerders (getuige L.), en tot 1962 door een andere pachter (getuige D.B.), zelfs tot in 1983 ten voordele van het perceel van de verweerders zelf (getuigen V.D. en F.) ; gelet op het gebruik sedert 1957 zou eiser dan logischerwijze dienen te bewijzen dat tussen 16 december 1926 en 16 december 1956 het tracé van bedoelde erfdienstbaarheid op geen enkel ogenblik werd gebruikt ; het bewijs daarvan volgt geenszins uit het verhoor van de rechtstreekse getuigen ; getuige D.B. heeft het immers over de tijd toen hij zelf land bewerkte in de onmiddellijke buurt van de betwiste percelen, doch deze getuige is geboren op 22 april 1917, zodat zelfs indien zou worden aangenomen dat hij reeds op zeer jonge leeftijd de percelen "in de onmiddellijke buurt" bewerkte, toch moeilijk kan worden aangenomen dat hij dat voor eigen rekening zou hebben gedaan vanaf zowat zijn tiende levensjaar, noch kan worden aangenomen dat zijn herinnering aan die percelen en de genomen overgangen na zo lange tijd nog de preciesheid zou toelaten waarmee hij zich uitspreekt, temeer da
ar moeilijk kan aanvaard worden dat een tienjarige al veel interesse zou vertonen voor de configuratie van een aantal percelen landbouwgrond ; uit diens getuigenis kan geen enkel bewijs volgen, evenmin trouwens als uit het getuigenis van H., die zelfs niet stelt dat hij P. nooit de uitweg rechts van de gracht heeft zien gebruiken. De door eiser ingeroepen verjaring wordt dan ook niet bewezen.
Grieven
1. Eerste onderdeel
De verweerders steunden hun conventioneel recht van uitweg op de op 16 december 1926 door notaris P. opgestelde akte en eiser wierp de verjaring van dit recht van uitweg op zodat de verweerders, voor de periode van 16 december 1926 tot 16 december 1956, gehouden waren het bewijs te leveren dat de erfdienstbaarheid gedurende die periode werd uitgeoefend en dat aldus de verjaring werd gestuit en het verval door onbruik werd vermeden.
De bestreden beslissing, die de vordering van de verweerders gegrond oordeelt zonder dat dit bewijs van uitoefening der erfdienstbaarheid gedurende die periode door de verweerders geleverd werd, is derhalve niet wettelijk gerechtvaardigd (schending van de artikelen 706, 707 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede onderdeel
Eiser wierp zowel in zijn syntheseconclusie voor de eerste rechter als in zijn appèlconclusie de bevrijdende verjaring der erfdienstbaarheid wegens non-usus gedurende 30 jaar op en hield uitdrukkelijk staande dat verweerders in dat geval dienden te bewijzen dat er gedurende 30 jaar, namelijk van 16 december 1926 tot 16 december 1956, gebruik was gemaakt van de uitweg. Het verzoek, door eiser in eerste aanleg gedaan, zelf door getuigen het positief bewijs te leveren van de non-usus gedurende 30 jaar, houdt geenszins in dat hij aan het vereiste van het bewijs van de usus gedurende 30 jaar, te leveren door de verweerders, zou verzaakt hebben (schending van de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, en van het algemeen rechtsbeginsel van de restrictieve interpretatie der verzaking). Dit verzoek van eiser ontslaat de verweerders evenmin van het vereiste het bewijs van de usus van de uitweg gedurende minstens 30 jaar te leveren (schending van de artikelen 706, 707, 1315 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek).
3. Derde onderdeel
Het feit dat eiser gefaald heeft in het brengen van het bewijs van een dertigjarige non-usus van de erfdienstbaarheid van uitweg, ontslaat de verweerders niet van het door de wet gestelde vereiste het bewijs te leveren van de usus der erfdienstbaarheid gedurende 30 jaar, inzonderheid voor de periode van 16 december 1926 tot 16 december 1956 (schending van de artikelen 706, 707, 1315 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek). Het bestreden vonnis verwerpt de getuigenissen van het rechtstreeks verhoor omdat D.B. te jong was ten tijde der feiten en de nodige preciesheid mist en omdat H. niet stelt dat hij P. nooit de uitweg van rechts heeft zien gebruiken. Deze redengeving houdt niet in dat daardoor het bewijs van de positieve usus van de erfdienstbaarheid zou geleverd zijn, zodat het bestreden vonnis ten onrechte de vordering van de verweerders gegrond heeft verklaard, zonder dat zij het bewijs van de usus der erfdienstbaarheid voor de periode van 16 december 1926 tot 16 december 1956 hebben geleverd. Het bestreden vonnis stelt evenmin vast dat dit bewijs door het tegenverhoor zou geleverd zijn, daar dit slechts de periode vanaf 1957 betreft (schending van de artikelen 706, 707, 1315 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek). Door de vordering van de verweerders gegrond te verklaren zonder dat deze het bij de wet vereiste bewijs van de usus gedurende 30 jaar van de erfdienstbaarheid van uitweg hebben geleverd, heeft het bestreden vonnis de procesgelijkheid tussen partijen miskend, zodat eiser geen eerlijk proces gehad heeft (schending van artikel 6.1 EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van de procesgelijkheid der partijen).
Beslissing van het Hof
Derde onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 706 van het Burgerlijk Wetboek, de erfdienstbaarheden tenietgaan door het niet uitoefenen ervan gedurende dertig jaren ;
Dat, krachtens artikel 707 van dit wetboek, bij niet voortdurende erfdienstbaarheden de dertig jaren beginnen te lopen vanaf de dag dat men heeft opgehouden daarvan gebruik te maken ;
Dat, krachtens artikel 688, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, het conventioneel recht van overgang een niet-voortdurende erfdienstbaarheid is ;
Dat degene die de uitoefening van een conventioneel recht van overgang vordert op grond van een titel die ouder is dan dertig jaar, als hem de bevrijdende verjaring wordt tegengeworpen, het bewijs moet leveren dat de erfdienstbaarheid werd uitgeoefend sedert minder dan dertig jaar voorafgaande aan de vordering en aldus de verjaring werd gestuit en het verval door onbruik vermeden ;
Overwegende dat degene die tegenwerpt dat het recht van overgang reeds was tenietgegaan door bevrijdende verjaring van dertig jaar voorafgaande aan de bewezen oudste daad van stuiting binnen de dertig jaar voorafgaande aan het instellen van de vordering, het bewijs van dit dertigjarige onbruik moet leveren ;
Dat het onderdeel dat aanvoert dat de verweerders als eigenaars van het heersend erf de bewijslast dragen van het onbruik tussen 16 december 1926 en 16 december 1956, in zoverre faalt naar recht ;
Overwegende dat het onderdeel verder geen zelfstandige grief aanvoert en geheel is afgeleid uit de aangevoerde miskenning van de regelen van de bewijslast ;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ;
Eerste onderdeel
Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de verweerders niet gerechtigd zijn op het bedongen recht van overgang zonder dat ze het bewijs hebben geleverd van de uitoefening van die erfdienstbaarheid van overgang gedurende de periode van 16 december 1926 tot 16 december 1956 ;
Overwegende dat uit het antwoord op het derde onderdeel volgt dat de verweerders dit niet dienden te bewijzen ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
Tweede onderdeel
Overwegende dat het bestreden vonnis niet oordeelt dat eiser door zijn eigen bewijsaanbod met getuigen van het niet-gebruik van de erfdienstbaarheid door de verweerders de vereiste van de op deze laatsten rustende bewijslast heeft verzaakt ;
Overwegende verder dat het bestreden vonnis oordeelt dat de verweerders niet het bewijs van de uitoefening van het recht van overgang moeten leveren voor de periode van 16 december 1926 tot 16 december 1956 ;
dat het die beslissing echter niet laat steunen op het feit dat eiser zelf heeft aangeboden te bewijzen dat de verweerders het recht van overgang niet hebben uitgeoefend ;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfhonderd negenennegentig euro eenenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd drieënzeventig euro negentig cent jegens de verwerende partijen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van dertig mei tweeduizend en drie uitgesproken door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.