Hof van Cassatie: Arrest van 30 Oktober 1995 (België). RG S940121F

Datum :
30-10-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19951030-2
Rolnummer :
S940121F

Samenvatting :

Alleen de in de artt. 124, 186, eerste en tweede lid, en 189, tweede lid, Werkloosheidsbesluit 1963 bedoelde en overeenkomstig die bepalingen overgelegde stukken hebben de gevolgen waarvan in die artikelen sprake is.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 13 juni 1991 door het Arbeidshof te Brussel gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 118, 120 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, 124 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, zoals het van toepassing is op 31 mei 1983, na wijziging en aanvulling bij de koninklijke besluiten van 31 oktober 1968 ( artikel 1), van 22 december 1976 (artikel 3,1° en 2°), van 24 december 1980 (artikelen 1 en 2), van 30 maart 1982 ( artikel 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°) en van 7 juni 1982 (artikel 1), 124 van het koninklijk besluit van 20 december 1963, gewijzigd bij de artikelen 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1983, dat op 1 juni 1983 in werking is getreden, 2, en inzonderheid 2, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 12 april 1983, 186, 189, van het koninklijk besluit van 20 december 1963, 88 en 96, inzonderheid 96, eerste lid, van het ministerieel besluit van 4 juni 1964, zoals zij ten tijde van de aanvraag van toepassing waren,
doordat, nu eiser voor het Arbeidshof te Brussel heeft aangevoerd dat, al heeft de gewestelijk inspecteur voor werkloosheid aan verweerder het recht op uitkeringen ontzegd, op grond dat hij niet voldeed aan de stagevoorwaarden van de artikelen 118 tot 122 van het organiek koninklijk besluit, de betrokkene echter, overeenkomstig de bepalingen van artikel 124 van het organiek koninklijk besluit, op uitkeringen recht heeft op voorwaarde dat hij studies heeft beëindigd en dat hij alle stukken overlegt om die studies in aanmerking te doen nemen (hoofdconclusie in hoger beroep van 4 februari 1991) en inzonderheid, een formulier C109/124, behoorlijk ingevuld en ondertekend door de directeur van de inrichting door wie hem zijn diploma van de hogere secundaire cyclus werd uitgereikt (aanvullende conclusie in hoger beroep van 13 mei 1991) en, het arrest erop wijst dat eiser erkent dat hij van verweerder een afschrift heeft ontvangen van het op 15 oktober 1982 door de Université Catholique de Louvain opgesteld diploma van licentiaat in de Germaanse filologie en verklaart dat verweerder door overlegging van dat diploma, daardoor zelf bewijst dat hij een diploma van het hoger secundair onderwijs heeft behaald, zodat de voorwaarden van artikel 124 van het organiek koninklijk besluit zijn vervuld, terwijl het echter eraan toevoegt dat "verweerder pas vanaf de dag waarop hij zijn universitair diploma aan de dienst van de RVA. heeft afgegeven, op werkloosheidsuitkering recht heeft",
terwijl, luidens het in het middel bedoeld artikel 124, zoals het op de dag van de aanvraag van toepassing was, de jonge werknemer, die op werkloosheidsuitkeringen aanspraak maakt op grond van zijn studies, zijn studies moet hebben beeindigd en houder moet zijn ofwel van een einddiploma met een volledig leerplan van de hogere secundaire of van de lagere secundaire cyclus met technische of beroepsvorming in een onderwijsinrichting die door de Staat is opgericht, erkend of gesubsidieerd, ofwel van een einddiploma of een eindgetuigschrift dat hij voor de centrale examencommissie heeft behaald; om te bewijzen dat hij aan die voorwaarden voldoet, de jonge werknemer aan wie de bewijslast is opgelegd, het einddiploma van studies moet overleggen, samen met het formulier C109/24, behoorlijk ingevuld en ondertekend door de directeur van de inrichting door wie hem het diploma werd uitgereikt,
welk formulier hem overeenkomstig artikel 186 van het organiek koninklijk besluit door de uitbetalingsinstelling is overhandigd; te dezen, niet wordt betwist dat verweerder geen van die beide stukken heeft overgelegd en hij zich ertoe heeft beperkt aan de raadsman van eiser,- hoewel het geschil bij het Arbeidshof te Brussel aanhangig was-, het afschrift van het op 15 oktober 1982 door de Université Catholique de Louvain opgesteld diploma van licentiaat in de Germaanse filologie te zenden; door te zeggen dat verweerder, door overleggging van dat diploma, daardoor zelf heeft bewezen dat hij een diploma van het hoger secundair onderwijs heeft behaald, het arrest dat, in verband met het bewijs, aan dat universitair diploma de bewijskracht toekent die artikel 124 hecht aan het einddiploma met een volledig leerplan van de hogere secundaire cyclus of van de lagere secundaire cyclus, en dat aan dat universitair diploma dezelfde gevolgen toekent als die welke artikel 124 aan het einddiploma van de secundaire cyclus toekent, artikel 124 van het organiek koninklijk besluit schendt en zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen en inzonderheid artikel 124, zoals dat van toepassing was op 31 mei 1983) :
Overwegende dat artikel 124 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, in de bewoordingen zowel van vóór als van na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 april 1983, bepaalt dat onder de erin gestelde voorwaarden op werkloosheidsuitkering gerechtigd zijn, de jonge werknemers, gezinshoofden, die hun studies met een volledig leerplan van de hogere secundaire cyclus of van de lagere secundaire cyclus met technische of beroepsvorming hebben beëindigd in een onderwijsinrichting, die door de Staat is opgericht, erkend of gesubsidieerd, of een einddiploma of een eindgetuigschrift behaald hebben voor de centrale examencommissie;
Overwegende dat artikel 186, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 bepaalt dat voor iedere werkloze een administratief dossier wordt samengesteld, dat alle inlichtingen bevat welke de gewestelijk inspecteur voor werkloosheid nodig heeft om over het recht op werkloosheidsuitkering te beslissen en eventueel het bedrag ervan te bepalen en dat de werkloze de inlichtingen verstrekt op stukken, die hem door de uitbetalingsinstelling worden overhandigd;
Overwegende dat krachtens artikel 189, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, onder goedkeuring van de Minister tot wiens bevoegdheid de arbeidsvoorziening behoort, de inhoud en het model van de in voormeld artikel 186 bedoelde stukken bepaalt;
Overwegende dat uit de vergelijking van die bepalingen volgt dat enkel de erin bedoelde en overeenkomstig de erin vermelde regels overgelegde stukken de gevolgen hebben waarvan in de voornoemde artikelen sprake is;
Overwegende dat het arrest volgens hetwelk verweerder op werkloosheidsuitkering gerechtigd is, op de enkele vaststellingen dat hij een diploma van licentiaat in de Germaanse filologie heeft overgelegd en dat hij aan de andere voorwaarden van artikel 124 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 voldoet, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van het hoger beroep;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Bergen.