Hof van Cassatie: Arrest van 31 Maart 1992 (België). RG 5005
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19920331-9
- Rolnummer :
- 5005
Samenvatting :
Voor de toepassing van art. 461, tweede lid, Strafwetboek, is vereist dat de dader zich de zaak tegen de wil van de eigenaar bedrieglijk toeëigent, d.i. met de bewuste wil om de zaak aan het genot van de bezitter te onttrekken voor een kortstondig gebruik, doch met het oogmerk om de zaak na gebruik terug te geven.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 1 oktober 1990 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
I. Op de voorziening van de N.V. Generali Belgium :
Over het middel : schending van de artikelen 461, tweede lid, van het Strafwetboek en 3, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen,
doordat het hof van beroep de vorderingen van de burgerlijke partijen, in zoverre gericht tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, ongegrond en, in zoverre gericht tegen eiseres, gegrond verklaart, na te hebben geoordeeld dat de beklaagde van de hem ten laste gelegde feiten sub A en B dient te worden vrijgesproken "gezien het voertuig normaal gedekt werd door een verzekering B.A., terwijl er geen bedrieglijke wegneming is die de toepasselijkheid van de polis zou wegnemen", met name op volgende gronden : "Het politioneel onderzoek stelt vast dat de eigenares van de personenwagen bestuurd door de beklaagde nl. Van Heuverswijn Petra normaal bij haar moeder inwoont en dat deze laatste een vaste relatie onderhoudt met de beklaagde die aldus ook regelmatig in de woning verblijft en woont. Zij verklaarde zich niet ongerust gemaakt te hebben bij de vaststelling dat haar autosleutels in huis weg waren en daarom veronderstelde dat de beklaagde met haar voertuig was weggereden. In haar verklaring bevestigde zijn daarenboven : Gezien hij eigenlijk geen vreemde aan ons huis is, liet ik de zaak zo en dacht dat hij niet lang zou wegblijven". Hieruit blijkt duidelijk dat Van Heuverswijn Petra het feit van wegrijden met haar auto, zonder voorafgaande toelating, niet aanziet als een "bedrieglijke wegneming" maar als een normale handelwijze van een persoon die tot het gezin behoort en zodoende gebruik maakt van alle voorwerpen die voor het gezin ter beschikking staan. De verklaring van de beklaagde De Bruycker Etienne omtrent de omstandigheden waarin hij met het voertuig weggereden is, bevestigt dit wanneer hij verklaart : Ik ben een vriend van de moeder van Petra en heb dus een sleutel van de woning en ik verblijf daar af en toe. Ik heb dus "gewoon" zonder vragen de autosleutels genomen en ben vertrokken. Het hof (van beroep) stelt dan ook vast dat in hoofde van de beklaagde zonder enig bedrieglijk inzicht gehandeld werd",
terwijl artikel 461, tweede lid, van het Strafwetboek het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik gelijkstelt met diefstal en geen enkele van de aangehaalde omstandigheden uitsluit dat de beklaagde zich de personenwagen tegen de wil van de eigenaar bedrieglijk heeft toegeëigend, dit is met de bewuste wil om de zaak te onttrekken aan het genot van de bezitter voor een kortstondig gebruik doch met het oogmerk om de zaak na gebruik terug te geven; immers, deze wil en dit oogmerk volkomen los staan van de omstandigheid dat de eigenares van de wagen bij haar moeder inwoont, die een vaste relatie onderhoudt met de beklaagde en van het feit dat deze laatste aldus behoort tot het gezin, terwijl het bedrieglijk inzicht dient onderzocht bij de dader en niet afhangt van de vraag of voormelde eigenares het wegrijden met haar auto al dan niet beschouwde als een "bedrieglijke wegneming", zodat het hof van beroep, dat bovendien uitdrukkelijk vaststelt dat de beklaagde met de wagen is weggereden "zonder voorafgaande toelating", zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de in het middel aangeduide wetsbepalingen) :
Overwegende dat artikel 461, tweede lid, van het Strafwetboek, het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik gelijkstelt met diefstal;
Overwegende dat die bepaling vereist dat de dader zich de zaak tegen de wil van de eigenaar bedrieglijk toeëigent, dat is met de bewuste wil om de zaak te onttrekken aan het genot van de bezitter voor een kortstondig gebruik doch met het oogmerk om de zaak na gebruik terug te geven;
Overwegende dat de appelrechters considereren : "Wat betreft de feiten omschreven sub A en B van de verzending door de raadkamer dd. 8.11.1989. Het politioneel onderzoek stelt vast dat de eigenares van de personenwagen bestuurd door de beklaagde nl. Van Heuverswijn Petra normaal bij haar moeder inwoont en dat deze laatste een vaste relatie onderhoudt met de beklaagde die aldus ook regelmatig in de woning verblijft en woont. Zij verklaarde zich niet ongerust gemaakt te hebben bij de vaststelling dat haar autosleutels in huis weg waren en daarom veronderstelde dat de beklaagde met haar voertuig was weggereden, In haar verklaring bevestigde zij daarenboven : "Gezien hij eigenlijk geen vreemde aan ons huis is, liet ik de zaak zo en dacht dat hij niet lang zou wegblijven". Hieruit blijkt duidelijk dat Van Heuverswijn Petra het feit van wegrijden met haar auto, zonder voorafgaande toelating, niet aanziet als een "bedrieglijke wegneming" maar als een normale handelwijze van een persoon die tot het gezin behoort en zodoende gebruik maakt van alle voorwerpen die voor het gezin ter beschikking staan. De verklaring van de beklaagde De Bruycker Etienne omtrent de omstandigheden waarin hij met het voertuig weggereden is, bevestigt dit wanneer hij verklaart : Ik ben een vriend van de moeder van Petra en heb dus een sleutel van de woning en ik verblijf daar af en toe. Ik heb dus "gewoon" zonder vragen de autosleutels genomen en ben vertrokken";
Overwegende dat de appelrechters met die redenen te kennen geven en op onaantastbare wijze oordelen dat, rekening houdend met de tussen de vermelde personen bestaande relaties, de eerste verweerder De Bruycker het voertuig dat aan Van Heuverswijn toebehoorde niet met enig bedrieglijk inzicht en tegen de wil van de eigenares had weggenomen; dat zij zodoende hun beslissing dat de feiten A en B tegen De Bruycker niet bewezen zijn naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, ..., verwerpt de voorzieningen voor het overige; veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorziening.
I. Op de voorziening van de N.V. Generali Belgium :
Over het middel : schending van de artikelen 461, tweede lid, van het Strafwetboek en 3, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen,
doordat het hof van beroep de vorderingen van de burgerlijke partijen, in zoverre gericht tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, ongegrond en, in zoverre gericht tegen eiseres, gegrond verklaart, na te hebben geoordeeld dat de beklaagde van de hem ten laste gelegde feiten sub A en B dient te worden vrijgesproken "gezien het voertuig normaal gedekt werd door een verzekering B.A., terwijl er geen bedrieglijke wegneming is die de toepasselijkheid van de polis zou wegnemen", met name op volgende gronden : "Het politioneel onderzoek stelt vast dat de eigenares van de personenwagen bestuurd door de beklaagde nl. Van Heuverswijn Petra normaal bij haar moeder inwoont en dat deze laatste een vaste relatie onderhoudt met de beklaagde die aldus ook regelmatig in de woning verblijft en woont. Zij verklaarde zich niet ongerust gemaakt te hebben bij de vaststelling dat haar autosleutels in huis weg waren en daarom veronderstelde dat de beklaagde met haar voertuig was weggereden. In haar verklaring bevestigde zijn daarenboven : Gezien hij eigenlijk geen vreemde aan ons huis is, liet ik de zaak zo en dacht dat hij niet lang zou wegblijven". Hieruit blijkt duidelijk dat Van Heuverswijn Petra het feit van wegrijden met haar auto, zonder voorafgaande toelating, niet aanziet als een "bedrieglijke wegneming" maar als een normale handelwijze van een persoon die tot het gezin behoort en zodoende gebruik maakt van alle voorwerpen die voor het gezin ter beschikking staan. De verklaring van de beklaagde De Bruycker Etienne omtrent de omstandigheden waarin hij met het voertuig weggereden is, bevestigt dit wanneer hij verklaart : Ik ben een vriend van de moeder van Petra en heb dus een sleutel van de woning en ik verblijf daar af en toe. Ik heb dus "gewoon" zonder vragen de autosleutels genomen en ben vertrokken. Het hof (van beroep) stelt dan ook vast dat in hoofde van de beklaagde zonder enig bedrieglijk inzicht gehandeld werd",
terwijl artikel 461, tweede lid, van het Strafwetboek het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik gelijkstelt met diefstal en geen enkele van de aangehaalde omstandigheden uitsluit dat de beklaagde zich de personenwagen tegen de wil van de eigenaar bedrieglijk heeft toegeëigend, dit is met de bewuste wil om de zaak te onttrekken aan het genot van de bezitter voor een kortstondig gebruik doch met het oogmerk om de zaak na gebruik terug te geven; immers, deze wil en dit oogmerk volkomen los staan van de omstandigheid dat de eigenares van de wagen bij haar moeder inwoont, die een vaste relatie onderhoudt met de beklaagde en van het feit dat deze laatste aldus behoort tot het gezin, terwijl het bedrieglijk inzicht dient onderzocht bij de dader en niet afhangt van de vraag of voormelde eigenares het wegrijden met haar auto al dan niet beschouwde als een "bedrieglijke wegneming", zodat het hof van beroep, dat bovendien uitdrukkelijk vaststelt dat de beklaagde met de wagen is weggereden "zonder voorafgaande toelating", zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de in het middel aangeduide wetsbepalingen) :
Overwegende dat artikel 461, tweede lid, van het Strafwetboek, het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik gelijkstelt met diefstal;
Overwegende dat die bepaling vereist dat de dader zich de zaak tegen de wil van de eigenaar bedrieglijk toeëigent, dat is met de bewuste wil om de zaak te onttrekken aan het genot van de bezitter voor een kortstondig gebruik doch met het oogmerk om de zaak na gebruik terug te geven;
Overwegende dat de appelrechters considereren : "Wat betreft de feiten omschreven sub A en B van de verzending door de raadkamer dd. 8.11.1989. Het politioneel onderzoek stelt vast dat de eigenares van de personenwagen bestuurd door de beklaagde nl. Van Heuverswijn Petra normaal bij haar moeder inwoont en dat deze laatste een vaste relatie onderhoudt met de beklaagde die aldus ook regelmatig in de woning verblijft en woont. Zij verklaarde zich niet ongerust gemaakt te hebben bij de vaststelling dat haar autosleutels in huis weg waren en daarom veronderstelde dat de beklaagde met haar voertuig was weggereden, In haar verklaring bevestigde zij daarenboven : "Gezien hij eigenlijk geen vreemde aan ons huis is, liet ik de zaak zo en dacht dat hij niet lang zou wegblijven". Hieruit blijkt duidelijk dat Van Heuverswijn Petra het feit van wegrijden met haar auto, zonder voorafgaande toelating, niet aanziet als een "bedrieglijke wegneming" maar als een normale handelwijze van een persoon die tot het gezin behoort en zodoende gebruik maakt van alle voorwerpen die voor het gezin ter beschikking staan. De verklaring van de beklaagde De Bruycker Etienne omtrent de omstandigheden waarin hij met het voertuig weggereden is, bevestigt dit wanneer hij verklaart : Ik ben een vriend van de moeder van Petra en heb dus een sleutel van de woning en ik verblijf daar af en toe. Ik heb dus "gewoon" zonder vragen de autosleutels genomen en ben vertrokken";
Overwegende dat de appelrechters met die redenen te kennen geven en op onaantastbare wijze oordelen dat, rekening houdend met de tussen de vermelde personen bestaande relaties, de eerste verweerder De Bruycker het voertuig dat aan Van Heuverswijn toebehoorde niet met enig bedrieglijk inzicht en tegen de wil van de eigenares had weggenomen; dat zij zodoende hun beslissing dat de feiten A en B tegen De Bruycker niet bewezen zijn naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, ..., verwerpt de voorzieningen voor het overige; veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorziening.