Hof van Cassatie: Arrest van 31 Oktober 1994 (België). RG S940037F

Datum :
31-10-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19941031-5
Rolnummer :
S940037F

Samenvatting :

Wanneer in burgerlijke zaken de rechtsingang bij dagvaarding geschiedt, is de zaak bij de rechter aanhangig gemaakt door de betekening van de dagvaarding, voor zover de zaak op de algemene rol is ingeschreven voor de zitting die in de dagvaarding is aangegeven. (Artt. 12, tweede lid, 700, 716 en 717 Ger.W.).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 13 september 1993 door het Arbeidshof te Bergen gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 717 van het Gerechtelijk Wetboek, 2244 en 2247 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest, om te beslissen dat verweersters rechtsvordering tot betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding, van een vergoeding wegens uitwinning, van een gewaarborgd loon voor 10 dagen arbeidsongeschiktheid en van een afhouding op het laatste loon niet verjaard is, oordeelt dat : "de dagvaarding van 16 augustus 1990 .... niet tijdig op de griffie van de Arbeidsrechtbank te Doornik is aangekomen om de zaak op de rol te kunnen inschrijven; indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding, deze van gener waarde is (artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek). Die dagvaarding is van gener waarde op het vlak van de rechtspleging, wat zijn echter de burgerrechtelijke gevolgen en wat is, inzonderheid, de invloed op de verjaring? Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting (artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek); de dagvaarding niet doeltreffend is met betrekking tot de stuiting van de verjaring in de gevallen bepaald in artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek dat inzonderheid bepaalt dat de stuiting voor niet bestaande wordt gehouden indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm. De dagvaarding van 16 augustus 1990 vertoont geen enkel gebrek in de vorm (artikelen 43, 702, 862 van het Gerechtelijk Wetboek); zij heeft dus de loop van de verjaring geldig gestuit hoewel de zaak niet werd ingeschreven op de algemene rol voor de zitting van 28 september 1990; de stuiting van de verjaring tot gevolg heeft dat de tijd die verlopen is voor de verjaringstuitende daad wordt uitgewist, zodat de verjaringstermijnen worden geacht tot dan nooit te hebben gelopen; een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen na de stuiting; in dit geval een nieuwe termijn van één jaar is ingegaan op 16 augustus 1990, aangezien de rechtsvorderingen die uit een arbeidsovereenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst verjaren (artikel 15 van de wet van 3 juli 1978); de tweede dagvaarding op 11 oktober 1990 voor de zitting van 26 oktober 1990 is betekend; zij regelmatig is ingeschreven op de rol, de rechtspleging dus volstrekt regelmatig is en bezwaren ... ontvankelijk zijn",
terwijl, volgens artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek, de dagvaarding van gener waarde is, indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding; een dagvaarding die van gener waarde is niet de burgerlijke stuiting kan vormen waarvan sprake in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek; bovendien uit de tekst van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de stuiting alleen uitwerking heeft indien de eis is aangenomen; de stuiting van de verjaring dus noodzakelijkerwijze vereist dat een eis in ingesteld; een dagvaarding die niet op de rol is ingeschreven geen vordering inleidt; zodat het arrest, door te oordelen dat verweersters rechtsvordering niet verjaard is, de artikelen 717 van het Gerechtelijk Wetboek, 2244 en 2247 van het Burgerlijk Wetboek schendt :
Overwegende dat het middel het arrest verwijt dat het heeft beslist "dat verweersters rechtsvordering tot betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding, van een vergoeding wegens uitwinning, van een gewaarborgd loon voor 10 dagen arbeidsongeschiktheid en van een afhouding op het laatste loon, niet verjaard is";
Overwegende dat het arrest, zonder dienaangaande bekritiseerd te worden, zegt dat het incidenteel beroep van de naamloze vennootschap Soredi, in wier rechten eiseres is getreden, ertoe strekt de vorderingen van verweerster betreffende de betaling van het gewaarborgd loon en de afhouding op het loon niet gegrond te doen verklaren;
Dat de ontvankelijkheid van die vorderingen niet aanhangig was bij het arbeidshof, en het beroepen vonnis met betrekking tot die vorderingen had beslist "de in artikel 26 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde verjaringstermijn van 5 jaar (rechtsvordering ontstaan uit een misdrijf)" toe te passen;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweersters arbeidsovereenkomst op 4 september 1989 is beëindigd en dat de tweede dagvaarding op 11 oktober 1990 voor de zitting van 26 oktober 1990 is betekend;
Overwegende dat het op de verjaring gegronde middel met betrekking tot die twee punten van de vordering bijgevolg zonder belang is;
Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
Overwegende dat, voor het overige, artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de dagvaarding voor het gerecht, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormt;
Dat artikel 2247 van hetzelfde wetboek bepaalt dat indien de eiser afstand doet van zijn eis, de stuiting voor niet bestaande wordt gehouden; dat een afstand van geding een afstand van de eis is in de zin van dat artikel;
Dat uit die wetsbepalingen, beschouwd in hun onderling verband, volgt dat onder "dagvaarding voor het gerecht" in de zin van voornoemd artikel 2244, moet worden verstaan, een dagvaarding die de zaak voor het gerecht aanhangig maakt;
Overwegende dat, krachtens artikel 12, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de inleidende vordering het rechtsgeding opent; dat artikel 700 van dit wetboek bepaalt dat de hoofdvordering bij dagvaarding voor de rechter wordt gebracht; dat volgens artikel 716 de zaken op de algemene rol worden ingeschreven uiterlijk de dag voor de zitting waarvoor de dagvaarding is gedaan; dat artikel 717 bepaalt dat de dagvaarding van generlei waarde is, indien de zaak niet is ingeschreven op de algemene rol van de zitting die aangegeven is in de dagvaarding;
Dat uit het onderling verband tussen die artikelen volgt dat, wanneer de rechtsingang bij dagvaarding geschiedt, de zaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt door de dagvaarding, voor zover zij op de algemene rol is ingeschreven voor de zitting die in de dagvaarding is aangegeven;
Dat het arrest, door te beslissen dat de dagvaarding van 16 augustus 1990, die niet is ingeschreven op de algemene rol, de eenjarige verjaring heeft gestuit die van toepassing is op de vorderingen inzake de opzeggingsvergoeding en de uitwinningsvergoeding, de door eiser aangevoerde wettelijke bepalingen schendt;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
Overwegende dat de vernietiging van de beslissing inzake de stuiting van de verjaring van verweersters vordering leidt tot vernietiging van de beslissing waarbij de gerechtsdeurwaarder Aline Smeets buiten de zaak wordt gesteld, nu geen van de partijen tegen die beslissing een ontvankelijk cassatieberoep kan instellen;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de opzeggingsvergoeding, over de uitwinningsvergoeding, over het buiten de zaak stellen van de gerechtsdeurwaarder Aline Smeets en over de kosten;
Verklaart dit arrest bindend voor de gerechtsdeurwaarder Aline Smeets;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.