Hof van Cassatie: Arrest van 4 Januari 2017 (België). RG P.16.0781.F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20170104-1
- Rolnummer :
- P.16.0781.F
Samenvatting :
Artikel 22 WAM 1989 bestraft met een correctionele straf de eigenaar of de houder van het motorrijtuig die het in het verkeer brengt of toelaat dat het in het verkeer wordt gebracht op de openbare weg zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, gedekt is overeenkomstig deze wet, alsmede de bestuurder van dat motorrijtuig; die straf geldt voor degene die, na het voertuig te hebben gestolen, daarvan de bestuurder is in de zin van die bepaling (1). (1) Zie Cass. 2 januari 1996, AR P.95.1170.N, AC 1996, nr. 3: "Hij die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over een motorrijtuig verschaft, is houder ervan" in de zin van artikel 3, § 1, WAM 1989.
Arrest :
Nr. P.16.0781.F
M. B.,
Mr. Jan Beldé, advocaat bij de balie te Dendermonde,
tegen
1. M. V.,
2. AG INSURANCE nv.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Franstalige correctionele rechtbank Brussel van 20 mei 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Tamara Konsek heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslis-sing op de strafvordering
Eerste middel
Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1, 2, § 1 en 2, 20, 22 en 24 WAM 1989.
De eiser, die met name vervolgd wordt omdat hij als bestuurder een motorrijtuig in het verkeer heeft gebracht op de openbare weg zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan door een verzekering was gedekt, verwijt de appelrechters in de eerste plaats dat zij hun beslissing niet met redenen hebben omkleed.
De verplichting om de vonnissen en arresten met redenen te omkleden, is een vormvereiste. De omstandigheid dat een reden onjuist dan wel irrelevant zou zijn, kan geen schending van artikel 149 Grondwet opleveren.
In zoverre faalt het middel naar recht.
Het vonnis dat oordeelt dat de verzekeringsmaatschappij van de eigenaar nooit zou zijn tussengekomen om de benadeelde derden te vergoeden ten gevolge van het door de dief veroorzaakte ongeval, omkleedt zijn beslissing regelmatig met redenen.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
De eiser voert vervolgens aan dat de dief van het voertuig niet automatisch onder de toepassing valt van artikel 22 WAM 1989 en dat die bepaling slechts betrek-king heeft op de eigenaar die toelaat dat zijn voertuig door een derde wordt be-stuurd zonder verzekerd te zijn.
Krachtens artikel 3, § 1, WAM 1989 moet de verzekering waarborgen dat bena-deelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijk-heid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verze-kerde motorrijtuig, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijk-heid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft.
Artikel 3 van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverze-kering inzake motorrijtuigen bepaalt dat, overeenkomstig artikel 3 WAM 1989, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft, niet gedekt is.
Artikel 22 WAM 1989 bestraft met een correctionele straf de eigenaar of de hou-der van het motorrijtuig die het in het verkeer brengt of toelaat dat het in het ver-keer wordt gebracht op de openbare weg zonder dat de burgerrechtelijke aanspra-kelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, gedekt is overeenkomstig deze wet, alsmede de bestuurder van dat motorrijtuig.
In zoverre het middel erop neerkomt dat die straf niet van toepassing is op degene die, na het motorrijtuig te hebben gestolen, daarvan de bestuurder is in de zin van die bepaling, faalt het naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen de eiser
Tweede middel
Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wet-boek en artikel 149 Grondwet. De appelrechters wordt verweten dat zij de aan-sprakelijkheid niet tussen de eiser en de verweerder hebben verdeeld, aangezien deze laatste een fout heeft begaan door zijn voertuig zonder voorzorg te verlaten, en zij hun beslissing daarover niet met redenen hebben omkleed.
Het vonnis oordeelt dat de verweerder voor een winkel is gestopt waar hij zijn voertuig met draaiende motor heeft achtergelaten en hij bij het verlaten van de winkel heeft vastgesteld dat het voertuig gestolen was. De appelrechters, die ver-volgens het oorzakelijk verband hebben onderzocht tussen die onachtzaamheid en het ongeval dat de eiser, die zich ondertussen van het voertuig meester had ge-maakt, heeft veroorzaakt, oordelen dat de verweerder geen enkele fout heeft be-gaan die tot de schade heeft bijgedragen zoals die in concreto ingevolge de aanrij-ding is geleden.
Met die overwegingen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser door het af te wijzen en verantwoordt het naar recht zijn beslissing dat de fout van de ver-weerder niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval en de schadelijke gevol-gen daarvan.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Benoît Dejemeppe, waarnemend voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Eric de Formanoir, Tamara Konsek en Frédéric Lugentz, en in openbare terechtzitting van 4 januari 2017 uitgesproken door waarnemend voorzitter Benoît Dejemeppe, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,