Hof van Cassatie: Arrest van 4 Juni 1997 (België). RG P970686F

Datum :
04-06-1997
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19970604-7
Rolnummer :
P970686F

Samenvatting :

Om te oordelen of de in art. 5.3 EVRM bepaalde redelijke termijn al dan niet overschreden is, moet de rechter die uitspraak doet inzake voorlopige hechtenis, inzonderheid over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, zich plaatsen ten tijde van zijn beslissing.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 16 mei 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel:
I. Op de op 20 mei 1997 om 10.35 uur ingestelde voorziening:
Over het eerste middel:
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de redelijke termijn niet overschreden is ten tijde van zijn beslissing, nu de zaak "voor pleidooi is vastgesteld op de terechtzitting van 20 mei 1997" en "de aangeklaagde samenhang totnogtoe geen enkele vertraging heeft veroorzaakt"; dat het zijn beslissing aldus naar recht verantwoordt; dat voor het overige de rechter die uitspraak doet inzake voorlopige hechtenis niet dient te oordelen of de redelijke termijn, als bedoeld in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zal worden in acht genomen bij de berechting van de zaak zelf;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel:
Overwegende dat, wanneer de feiten aanleiding kunnen geven tot een straf van minder dan 15 jaar opsluiting, het bestaan van één enkele van de in artikel 16, alinéa 1, van de wet betreffende de voorlopige hechtenis bepaalde omstandigheden, in dit geval de vrees voor herhaling, voldoende grond oplevert tot de handhaving van de voorlopige hechtenis;
Overwegende dat voor het overige het arrest, met verwijzing naar de redenen van het aanhoudingsbevel, de omstandigheden eigen aan de zaak en aan eisers persoonlijkheid die volgens de appèlrechters de handhaving van de hechtenis voor de openbare veiligheid volstrekt noodzakelijk maken, nader omschrijft; dat de vermeldingen van het aanhoudingsbevel, volgens welke "de verdachte toegeeft te hebben deelgenomen aan pogingen tot diefstal (...), alsook aan twee diefstallen met inbraak de dag voordien en aan een diefstal met geweld van een handtas tijdens de nacht", zodat "die feiten wijzen op een gedrag dat bijzonder verontrustend is voor de goederen en de openbare veiligheid", geen algemene overwegingen of gemeenplaatsen zijn;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het derde middel:
Overwegende dat het arrest, nu het zijn beslissing met redenen omkleedt door vast te stellen dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan en door de omstandigheden te vermelden die de hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in artikel 16 van de wet betreffende de voorlopige hechtenis, zijn beslissing regelmatig met redenen omkleedt en naar recht verantwoordt, zonder het beginsel van het vermoeden van onschuld te miskennen;
Dat, in dat opzicht, het middel niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat voor het overige het middel kritiek uitoefent op een ten overvloede gegeven reden van het arrest ;
Dat het, in dat opzicht, niet ontvankelijk is;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
II. Op de op 20 mei 1997 om 11 uur ingestelde voorziening:
Overwegende dat in strafzaken, behoudens het in artikel 40, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalde geval, het geval van regelmatige afstand of het geval waarin tegen een arrest tot verwijzing naar het hof van assisen nog een voorziening kan worden ingesteld na het veroordelend arrest, een partij zich geen tweede maal tegen dezelfde beslissing in cassatie kan voorzien, ook al is de tweede voorziening ingesteld vóór de verwerping van de eerste;
Overwegende dat eiser zich reeds eerder in cassatie heeft voorzien,
zodat de tweede voorziening niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt eiser in de kosten van zijn voorzieningen.