Hof van Cassatie: Arrest van 4 September 1995 (België). RG S940133F

Datum :
04-09-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950904-1
Rolnummer :
S940133F

Samenvatting :

Art. 57, alinéa 2, OCMW-wet houdende regeling van de maatschappelijke dienstverlening aan de daarin bedoelde vreemdelingen is niet onverenigbaar met de artt. 1 en 57, alinéa 1, van dezelfde wet, waarin het beginsel is neergelegd dat elke persoon, om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, recht heeft op maatschappelijke dienstverlening die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn onder de in die wet bepaalde voorwaarden wordt verzekerd, en met art. 2, alinéa 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten last nemen van de steun verleend door de OCMW's, waarin wordt bepaald welk maatschappelijk centrum bevoegd is om aan een politiek asielzoeker maatschappelijke dienstverlening toe te kennen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 24 juni 1994 door het Arbeidshof te Luik gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 1, 57, alinéa alinéa 1 en 2, 57ter van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk welzijn, 2, 9 5, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, 7, 8, 63, 63.5, 67, 69, 70 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State,
doordat het Arbeidshof te Luik beslist dat verweerster ten laste van verweerder recht heeft op de maatschappelijke dienstverlening die het bepaalt en, op verzoek van verweerder, zijn arrest bindend verklaart voor eiser, en doordat het arrest die beslissingen in hoofdzaak hierop grondt: 1°) dat het bevel om het grondgebied te verlaten, een bijzondere maatregel tot verwijdering buiten de rechtbank om, die aan de vreemdeling bij een kort verblijf in België kan worden gegeven maar één keer kan worden uitgevoerd en zijn uitvoerbare kracht verliest wanneer de vreemdeling dat bevel vrijwillig heeft uitgevoerd, zodat het voldoende is dat de vreemdeling die het bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten de grens overschrijdt met de verklaring het bevel uit te voeren en ze dadelijk weer overschrijdt om opnieuw een regelmatig verblijf te hebben, dat in casu verweerster het haar betekende bevel om het grondgebied te verlaten heeft uitgevoerd door een namiddag naar Keulen, in Duitsland, te gaan, en dat zij derhalve, bij haar terugkeer in het land, een nieuwe aanvraag tot erkenning van het statuut van politiek vluchteling kon indienen, hetgeen zij heeft gedaan; 2°) dat het aan een vreemdeling betekende bevel om het grondgebied te verlaten definitief is in de zin van artikel 57, alinéa 2, van de wet van 8 juli 1976, wanneer het niet meer vatbaar is voor beroep bij een autoriteit of een rechterlijke instantie die uitspraak moet doen inzake het vreemdelingenrecht; 3°)dat "het ministerie, door geen uitvoeringsmaatregelen te nemen binnen een redelijke termijn, stilzwijgend een situatie laat ontstaan waaruit kan worden afgeleid dat het bevel niet zal worden uitgevoerd en dat het verblijf regelmatig blijft", dat "de niet-uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, ongeacht de reden daarvoor, dus een stilzwijgend akkoord is om de belanghebbende op het grondgebied te laten blijven en het onregelmatig karakter van haar verblijf wegneemt", dat "bovendien, de minister de discretionaire macht heeft om het bevel tot verlating van het grondgebied uit te stellen, ja zelfs te schorsen", "daar voor de uitoefening van die macht geen enkele formaliteit is vastgesteld" en "men derhalve steeds mag aannemen dat een dergelijke 'gunst' kan worden toegekend waardoor aldus een einde wordt gemaakt aan het onregelmatig karakter van het verblijf en het OCMW de dienstverlening moet blijven verzekeren"; 4°) dat, in de interpretatie "aan de hand van hetgeen kan worden afgeleid uit de analyse" van de artikelen 1, 57, alinéa 1, van de wet van 8 juli 1976 en 2, alinéa 5, van de wet van 2 april 1965, artikel 57, alinéa 2, van de wet van 8 juli 1976, hoewel het "aan elke dienstverlening een einde maakt vanaf de datum van het verstrijken van de termijn van het definitieve bevel om het grondgebied te verlaten", zolang de vreemdeling zonder geld zich,
zelfs op onregelmatige wijze, op het nationale grondgebied bevindt, geen afbreuk doet aan de blijvende verplichting van het OCMW om hem de maatschappelijke dienstverlening te verstrekken tot de dag waarop zijn verwijdering van het grondgebied is uitgevoerd,
terwijl artikel 57, alinéa 2, van de wet van 8 juli 1976, zonder evenwel in tegenspraak of onverenigbaar te zijn of zelfs maar moeilijk verenigbaar te zijn met de artikelen 1 en 57, alinéa 1, van de wet van 8 juli 1976, waarin het beginsel is neergelegd dat elke persoon, om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, recht heeft op een door de openbare centra voor maatschappelijke welzijn verzekerde maatschappelijke dienstverlening, en met artikel 2, alinéa 5, van de wet van 2 april 1965, waarin wordt bepaald welk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bevoegd is om maatschappelijke dienstverlening toe te kennen aan een politiek asielzoeker, bepaalt dat, in afwijking van alinéa 1, het centrum voor maatschappelijk welzijn slechts de strikt noodzakelijke dienstverlening om het verlaten van het grondgebied mogelijk te maken verleent aan de vreemdeling die zich politiek vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd als dusdanig te worden erkend doch niet de toelating heeft om in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven en aan wie een definitief bevel is betekend om het grondgebied te verlaten, alsmede aan elke andere vreemdeling die onwettig in het Koninkrijk verblijft en aan wie een definitief bevel is betekend om het grondgebied te verlaten; hetzelfde artikel bepaalt dat, ten aanzien van de vreemdeling die zich in een van de bedoeld situaties bevindt, aan de maatschappelijke dienstverlening een einde wordt gemaakt vanaf de datum van de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten en, ten laatste, bij het verstrijken van de termijn van het definitieve bevel om het grondgebied te verlaten, met het enige voorbehoud dat de vreemdeling die dienstverlening kan blijven genieten gedurende de strikt noodzakelijke termijn, die een maand niet mag overschrijden, om hem in staat te stellen het grondgebied effectief te verlaten en dat hij zonder tijdsbeperking recht heeft op dringende medische hulp; enerzijds, het bevel om het grondgebied te verlaten definitief is, in de zin van die bepaling, wanneer daartegen geen schorsend beroep meer bij een administratieve overheid of bij de Raad van State kan worden ingesteld, zoals blijkt uit de samenlezing van de bepalingen van de artikelen 63, eerste en tweede lid, 63.5, 67, 69 en 70 van de wet van 15 december 1980, 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en uit de dwingende kracht en de uitvoering van ambtswege die, in beginsel, aan de administratieve handeling zijn verbonden; anderzijds, het bevel om het grondgebied te verlaten weliswaar maar een enkele keer kan worden uitgevoerd en het zijn uitvoerbare kracht verliest wanneer de vreemdeling het vrijwillig heeft uitgevoerd, maar het echter vereist is dat die vrijwillige uitvoering geen loutere schijnvertoning is; het niet redelijk is om, bij gebrek aan verduidelijking in de tekst van de wet, te zeggen dat het volgens de wetgever voldoende zou zijn dat de vreemdeling die het definitieve bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten de grens overschrijdt met de verklaring het bevel uit te voeren en dadelijk in het Rijk terugkeert, om opnieuw een regelmatig verblijf te hebben; het arrest uit de enkele vaststelling dat verweerster gedurende een namiddag naar Keulen,
in Duitsland, is gegaan niet heeft kunnen afleiden dat zij het haar betekende bevel om het grondgebied te verlaten daadwerkelijk had uitgevoerd, vooral nu het arrest er bovendien op wijst dat verweerster op 19 maart 1993 "een verklaring had ondertekend dat zij weigerde vrijwillig te vertrekken"; tot slot, noch het feit dat het bestuur, binnen een redelijke termijn, geen maatregelen treft tot uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, noch het feit dat de minister willekeurig de uitvoering van dat bevel kan uitstellen of schorsen, tot gevolg kunnen hebben dat het verblijf in het land van de vreemdeling die een dergelijk bevel heeft gekregen als regelmatig moet worden beschouwd; het arrest derhalve door geen enkele van de bovenvermelde redenen noch door enige andere reden zijn beslissing naar recht verantwoordt dat het verblijf van verweerster in België "opnieuw regelmatig geworden" is, toen zij, na een namiddag in Keulen te zijn geweest, in het Rijk is teruggekeerd en dat de maatschappelijke dienstverlening "weer normaal moest worden toegekend op grond van de artikelen 1 en 57, alinéa 1, van de organieke wet" :
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: bepaalde van het door het middel bekritiseerde overwegingen zijn ten overvloede gegeven :
Overwegende dat het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid samenhangt met het onderzoek van het middel;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel :
Overwegende dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in artikel 7, bepaalt in welke gevallen de minister van Justitie of zijn gemachtigde de vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, bevel kan geven het grondgebied vóór een bepaalde datum te verlaten;
Overwegende dat, krachtens artikel 57, alinéa 2, van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het centrum, in afwijking van alinéa 1, slechts de strikt noodzakelijke dienstverlening om het verlaten van het grondgebied mogelijk te maken verleent: 1°) aan de vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd als dusdanig te worden erkend, doch die niet de toelating heeft om in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven en aan wie "een definitief bevel om het grondgebied te verlaten" is betekend; 2°) aan elke andere vreemdeling die onwettig in het Koninkrijk verblijft en aan wie "een definitief bevel om het grondgebied te verlaten" is betekend;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat ten aanzien van verweerster een beslissing is genomen waarbij haar het verblijf wordt geweigerd en haar het bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten, dat haar verzoek tot herziening van de beslissing is afgewezen, dat die afwijzing haar op 4 augustus 1982 is betekend en dat zij tegen die beslissing geen enkel rechtsmiddel heeft aangewend;
Overwegende dat het arrest beslist dat het verblijf van verweerster opnieuw regelmatig is geworden en dat zij op de erin bepaalde dienstverlening op grond van de artikelen 1 en 57, alinéa 1, van de wet van 8 juli 1976 recht heeft om de in het middel vermelde redenen;
Overwegende dat uit de artikelen 63, eerste en tweede lid, 63.5, 67, 69 en 70 van de wet van 15 december 1980 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt dat het bevel om het grondgebied te verlaten definitief is in de zin van artikel 57,
alinéa 2, van de wet van 8 juli 1976 wanneer daartegen geen schorsend beroep meer bij een administratieve overheid of bij de Raad van State kan worden ingesteld, en niet, zoals het arrest oordeelt, wanneer het niet meer vatbaar is voor enig beroep bij enige overheid of rechterlijke instantie die uitspraak moet doen inzake vreemdelingenrecht;
Overwegende dat, in tegenstelling met hetgeen het arrest oordeelt, dat artikel 57, alinéa 2, niet onverenigbaar is met de artikelen 1 en 57, alinéa 1, van dezelfde wet, waarin het beginsel is neergelegd dat elke persoon, om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, recht heeft op de maatschappelijke dienstverlening die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn onder de in die wet bepaalde voorwaarden wordt verzekerd, en met artikel 2, alinéa 5, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarin wordt bepaald welk maatschappelijk centrum bevoegd is om aan een politiek asielzoeker maatschappelijke dienstverlening toe te kennen;
Overwegende dat de omstandigheid dat het ministerie, binnen een redelijke termijn, geen maatregelen treft tot uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, anders dan het arrest zegt, niet mag doen geloven dat het verblijf regelmatig blijft en doen aannemen dat de niet-uitvoering van dat bevel een stilzwijgend akkoord is volgens hetwelk de betrokkene verder op het grondgebied mag blijven en het onregelmatig karakter van zijn verblijf wegneemt;
Overwegende tot slot dat, hoewel uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 december 1980 volgt dat het bevel om het grondgebied te verlaten niet het permanent karakter van de besluiten van terugwijzing of van uitzetting heeft en niet belet dat de vreemdeling opnieuw in het Rijk terugkomt indien hij voldoet aan de voorwaarden waarvan de niet-vervulling een reden is geweest om hem eruit te verwijderen, het echter, in geval van vrijwillige uitvoering van dat bevel, vereist is dat uitvoering oprecht is en de wil van de vreemdeling om in een ander land te verblijven daaruit duidelijk blijkt;
Dat het arrest vaststelt dat verweerster een verklaring heeft ondertekend dat zij weigert vrijwillig te vertrekken en dat zij voor een namiddag naar Keulen is gegaan;dat het arbeidshof op grond van die vastellingen niet naar recht heeft kunnen oordelen dat verweerster het haar betekende bevel vrijwillig had uitgevoerd, dat, bij haar terugkeer, haar verblijf op het grondgebied van het Rijk opnieuw regelmatig was geworden en dat zij recht had op de in artikel 57, alinéa 1, van de wet van 8 juli 1976 bedoelde maatschappelijke dienstverlening;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt het Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn Herstal tot de kosten;
Verklaart dit arrest bindend voor de Belgische Staat, minister van Binnenlandse Zaken;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.