Art. 32ter, derde lid, K.B. 21 dec. 1967 bepaalt dat, wanneer de in het tweede lid van dat artikel beoogde pensioenstortingen verricht werden voor een bepaald verzekeringsjaar dat gespreid is over twee kalenderjaren, het bewijs van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in het in het eerste lid bedoelde geval geleverd wordt voor het laatste van de twee kalenderjaren waarover het verzekeringsjaar gespreid is; deze bepaling vindt geen toepassing op de regularisatiebijdragen die overeenkomstig art. 32bis, alinéa 1, van hetzelfde besluit worden betaald.
Arrest :
De geconsolideerde versie van deze tekst is niet beschikbaar.