Hof van Cassatie: Arrest van 5 Februari 1998 (België). RG C940308N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19980205-7
- Rolnummer :
- C940308N
Samenvatting :
Het instellen van een rechtsvordering vereist als geldige rechtshandeling een wil tot het bereiken van rechtsgevolgen.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 11 maart 1994 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig 488 (vóór zijn wijziging bij wet van 19 januari 1990), 489 (zoals vervangen bij wet van 10 oktober 1967) en 503 van het Burgerlijk Wetboek en 584, vierde lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het Hof van Beroep te Gent in de bestreden beslissing verweersters hoger beroep ontvangt en gegrond verklaart, voor recht zegt dat "wijlen Alice De Clercq, op het ogenblik van de dagvaarding, feitelijk onbekwaam was om een rechtsvordering in te stellen", en de "door haar ingestelde rechtsvordering dan ook ongeldig (verklaart)", op volgende gronden :
Na inzage van alle ter zake dienende stukken is het hof de mening toegedaan dat (de) eigen wil op 3 april 1984, datum der gedinginleidende dagvaarding, in hoofde van Alice De Clercq niet aanwezig was. Zulks blijkt o.m. afdoende uit de volgende vaststellingen van de verbalisant tijdens het strafrechtelijk onderzoek :
In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat De Clercq Alice op het ogenblik van de dagvaarding, feitelijk onbekwaam was om een rechtsvordering in te stellen en dat, ingevolge deze feitelijke onbekwaamheid, voorafgaandelijk had dienen te worden gehandeld overeenkomstig artikel 584, 3° GerW., nl. door de aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder (cf. TPR 1988, Overzicht van rechtspraak, Personen- en Familierecht 1981-87, nr. 335).
Het is overigens terecht dat de advocaat van (verweerster) op blz. 5 van zijn conclusies dd. 27.1.1992 liet opmerken dat "hoewel ze (Alice De Clercq) niet onbekwaam werd verklaard en daartoe ook geen enkele vordering werd ingesteld, die toestand toch van aard kan zijn de geldigheid aan te tasten van de aan haar toegeschreven rechts- en proceshandelingen. Deze zijn dan immers niet de uitdrukking van een vrije en zelfstandig geuite wil van de betrokkene, voorwaarde voor het geldig bestaan van iedere rechts- en proceshandeling" (arrest pp. 3-4),
terwijl overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek een rechtsvordering slechts dan niet kan worden toegelaten wanneer de eiser geen hoedanigheid bezit of geen belang vertoont om ze in te dienen; de bekwaamheid van de eiser geen toelaatbaarheidsvereiste van de vordering uitmaakt;
Elk rechtssubject dat de bij artikel 488 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde leeftijd van meerderjarigheid heeft bereikt, geacht moet worden bekwaam te zijn tot het stellen van alle handelingen van het burgerlijk leven; elk meerderjarig fysiek persoon derhalve geacht moet worden handelingsbekwaam te zijn, behoudens de door de wet gestelde uitzonderingen;
Ten aanzien van de meerderjarige Alice (of Alix) De Clercq geen wettelijke uitzondering op haar principiële handelingsbekwaamheid gold, nu de feitenrechter niet vaststelt dat zij in staat van verlengde minderjarigheid zou zijn verklaard, noch dat zij gerechtelijk onbekwaam zou zijn verklaard, noch dat zij onder gerechtelijk raadsman zou zijn gesteld of wettelijk onbekwaam zou zijn; te dezen, meer in het bijzonder, geen overeenkomstig artikel 489 van het Burgerlijk Wetboek uitgesproken onbekwaamverklaring voorlag die eventueel zou toelaten, overeenkomstig artikel 503 van hetzelfde wetboek, en mits vervulling van de daarin bepaalde voorwaarden, de handelingen die vóór de onbekwaamverklaring verricht werden, nietig te verklaren;
De verwijzing naar de eventuele feitelijke onbekwaamheid van de eiser, ten tijde van de gedinginleidende akte, derhalve niet kan aanleiding geven tot de ontoelaatbaarheidsverklaring van de vordering, noch tot de "ongeldigverklaring" ervan;
De omstandigheid dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet in alle zaken (behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt), en zo ondermeer overeenkomstig artikel 584, vierde lid, 3° alle nodige maatregelen kan bevelent tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn, en dat in onderhavige zaak eventueel toepassing had kunnen worden gemaakt van deze bepaling om voorlopige maatregelen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te bekomen, niet met zich meebrengt dat de, bij ontstentenis van dergelijke maatregel of van enige andere door de wet voorziene bekwaamheidsbeperkende maatregel ten aanzien van Alice (of Alix) De Clercq, op 3 april 1984 door deze laatste ingeleide vordering "ongeldig" zou zijn,
zodat het hof van beroep niet wettig de oorspronkelijke vordering van eiseres' rechtsvoorgangster "ongeldig" kon verklaren (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde wetsbepalingen) :
Overwegende dat het instellen van een rechtsvordering een rechtshandeling is; dat een geldige rechtshandeling een wil vereist tot het bereiken van rechtsgevolgen;
Overwegende dat het arrest op grond van het onderzoek van alle ter zake dienende stukken en van het strafrechtelijk onderzoek, oordeelt dat Alice De Clercq op het ogenblik van de dagvaarding niet over een vrije en zelfstandige geuite wil, voorwaarde voor het geldig bestaan van iedere rechts- en proceshandeling, beschikte;
Dat het arrest dat beslist dat voornoemd persoon geen rechtsgeldige rechtsvordering kon instellen, zijn beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 11 maart 1994 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig 488 (vóór zijn wijziging bij wet van 19 januari 1990), 489 (zoals vervangen bij wet van 10 oktober 1967) en 503 van het Burgerlijk Wetboek en 584, vierde lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het Hof van Beroep te Gent in de bestreden beslissing verweersters hoger beroep ontvangt en gegrond verklaart, voor recht zegt dat "wijlen Alice De Clercq, op het ogenblik van de dagvaarding, feitelijk onbekwaam was om een rechtsvordering in te stellen", en de "door haar ingestelde rechtsvordering dan ook ongeldig (verklaart)", op volgende gronden :
Na inzage van alle ter zake dienende stukken is het hof de mening toegedaan dat (de) eigen wil op 3 april 1984, datum der gedinginleidende dagvaarding, in hoofde van Alice De Clercq niet aanwezig was. Zulks blijkt o.m. afdoende uit de volgende vaststellingen van de verbalisant tijdens het strafrechtelijk onderzoek :
In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat De Clercq Alice op het ogenblik van de dagvaarding, feitelijk onbekwaam was om een rechtsvordering in te stellen en dat, ingevolge deze feitelijke onbekwaamheid, voorafgaandelijk had dienen te worden gehandeld overeenkomstig artikel 584, 3° GerW., nl. door de aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder (cf. TPR 1988, Overzicht van rechtspraak, Personen- en Familierecht 1981-87, nr. 335).
Het is overigens terecht dat de advocaat van (verweerster) op blz. 5 van zijn conclusies dd. 27.1.1992 liet opmerken dat "hoewel ze (Alice De Clercq) niet onbekwaam werd verklaard en daartoe ook geen enkele vordering werd ingesteld, die toestand toch van aard kan zijn de geldigheid aan te tasten van de aan haar toegeschreven rechts- en proceshandelingen. Deze zijn dan immers niet de uitdrukking van een vrije en zelfstandig geuite wil van de betrokkene, voorwaarde voor het geldig bestaan van iedere rechts- en proceshandeling" (arrest pp. 3-4),
terwijl overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek een rechtsvordering slechts dan niet kan worden toegelaten wanneer de eiser geen hoedanigheid bezit of geen belang vertoont om ze in te dienen; de bekwaamheid van de eiser geen toelaatbaarheidsvereiste van de vordering uitmaakt;
Elk rechtssubject dat de bij artikel 488 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde leeftijd van meerderjarigheid heeft bereikt, geacht moet worden bekwaam te zijn tot het stellen van alle handelingen van het burgerlijk leven; elk meerderjarig fysiek persoon derhalve geacht moet worden handelingsbekwaam te zijn, behoudens de door de wet gestelde uitzonderingen;
Ten aanzien van de meerderjarige Alice (of Alix) De Clercq geen wettelijke uitzondering op haar principiële handelingsbekwaamheid gold, nu de feitenrechter niet vaststelt dat zij in staat van verlengde minderjarigheid zou zijn verklaard, noch dat zij gerechtelijk onbekwaam zou zijn verklaard, noch dat zij onder gerechtelijk raadsman zou zijn gesteld of wettelijk onbekwaam zou zijn; te dezen, meer in het bijzonder, geen overeenkomstig artikel 489 van het Burgerlijk Wetboek uitgesproken onbekwaamverklaring voorlag die eventueel zou toelaten, overeenkomstig artikel 503 van hetzelfde wetboek, en mits vervulling van de daarin bepaalde voorwaarden, de handelingen die vóór de onbekwaamverklaring verricht werden, nietig te verklaren;
De verwijzing naar de eventuele feitelijke onbekwaamheid van de eiser, ten tijde van de gedinginleidende akte, derhalve niet kan aanleiding geven tot de ontoelaatbaarheidsverklaring van de vordering, noch tot de "ongeldigverklaring" ervan;
De omstandigheid dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet in alle zaken (behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt), en zo ondermeer overeenkomstig artikel 584, vierde lid, 3° alle nodige maatregelen kan bevelent tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn, en dat in onderhavige zaak eventueel toepassing had kunnen worden gemaakt van deze bepaling om voorlopige maatregelen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te bekomen, niet met zich meebrengt dat de, bij ontstentenis van dergelijke maatregel of van enige andere door de wet voorziene bekwaamheidsbeperkende maatregel ten aanzien van Alice (of Alix) De Clercq, op 3 april 1984 door deze laatste ingeleide vordering "ongeldig" zou zijn,
zodat het hof van beroep niet wettig de oorspronkelijke vordering van eiseres' rechtsvoorgangster "ongeldig" kon verklaren (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde wetsbepalingen) :
Overwegende dat het instellen van een rechtsvordering een rechtshandeling is; dat een geldige rechtshandeling een wil vereist tot het bereiken van rechtsgevolgen;
Overwegende dat het arrest op grond van het onderzoek van alle ter zake dienende stukken en van het strafrechtelijk onderzoek, oordeelt dat Alice De Clercq op het ogenblik van de dagvaarding niet over een vrije en zelfstandige geuite wil, voorwaarde voor het geldig bestaan van iedere rechts- en proceshandeling, beschikte;
Dat het arrest dat beslist dat voornoemd persoon geen rechtsgeldige rechtsvordering kon instellen, zijn beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.