Hof van Cassatie: Arrest van 5 Juni 1996 (België). RG P960004F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19960605-3
- Rolnummer :
- P960004F
Samenvatting :
Om een beklaagde wettig te kunnen veroordelen als mededader van het misdrijf "valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken" behoeven niet alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen aanwezig te zijn; het is voldoende dat vaststaat dat een dader het misdrijf valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken heeft gepleegd en dat de mededader bewust aan de uitvoering van dat misdrijf heeft deelgenomen op een der wijzen bepaald bij de wet.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 22 november 1995 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
II. Op de voorziening van de eiseres Ida Crauwels, beklaagde;
A. In zoverre de voorziening is gericht tegen de beslissing op de tegen haar ingestelde strafvordering :
Over de middelen (...)
Over het eerste middel :
Overwegende dat het middel, in zoverre het betoogt dat het hof van beroep "de bewijskracht van de akten en meer bepaald die van de processen-verbaal in het strafdossier" miskent zonder nader aan te geven van welke verklaringen die in voornoemde akten zijn opgenomen, de bewijskracht zou zijn miskend, niet ontvankelijk is bij gebrek aan nauwkeurigheid;
Dat voor het overige, om een beklaagde wettig te kunnen veroordelen als mededader van het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken niet alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen aanwezig behoeven te zijn; dat het voldoende is dat vaststaat dat een dader het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken heeft gepleegd en dat de mededader bewust aan de uitvoering van dat misdrijf heeft deelgenomen op een der wijzen bepaald bij de wet;
Overwegende dat het arrest, door te vermelden dat "mevrouw Schaumberg (...) verklaard heeft misleid te zijn door de beide beklaagden die meermaals bij haar waren gekomen om het stuk in handen te krijgen en zelfs een gelegaliseerde handtekening eisten (...); dat mevrouw Schaumberg, die er geen enkel belang bij had de waarheid te verdraaien, door de beklaagden die een quiproquo hadden uitgedacht om verwarring in haar geest te zaaien, willens en wetens werd misleid; (...) dat de verklaring van de getuige volgens welke (eiseres) en niet Henry het litigieuze attest zou hebben opgemaakt niet terzake doet", enerzijds, antwoordt op de conclusie van eiseres ten betoge dat zij het litigieuze stuk niet had opgemaakt, anderzijds, zonder de in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen te schenden, beslist dat eiseres bewust, op een van de bij van artikel 66, derde lid, van het Strafwetboek bepaalde wijzen, heeft deelgenomen aan het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken;
Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende, ten slotte, dat het middel, in zoverre het aan het hof van beroep verwijt "verwarring te hebben gesticht" door te verwijzen naar de "conclusies" van de partijen terwijl alleen eiseres een conclusie heeft neergelegd, opkomt tegen een ten overvloede gegeven considerans van het arrest;
Dat het middel ook in dit opzicht niet ontvankelijk is;
Over het tweede middel :
Overwegende dat de bijdrage aan het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, die bij artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen wordt ingevoerd, een eigen aard heeft en geen straf is; dat de regel van de eenstemmigheid waarin artikel 211bis van het Wetboek voor Strafvordering voorziet, dus op haar niet van toepassing is;
Dat het middel faalt naar recht;
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre de voorziening is gericht tegen de beslissing op de door verweerster ingestelde civielrechtelijke vordering :
Overwegende dat eiseres geen enkel bijzonder middel aanvoert;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt iedere eiseres in de kosten van haar voorziening.
Gelet op het bestreden arrest, op 22 november 1995 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
II. Op de voorziening van de eiseres Ida Crauwels, beklaagde;
A. In zoverre de voorziening is gericht tegen de beslissing op de tegen haar ingestelde strafvordering :
Over de middelen (...)
Over het eerste middel :
Overwegende dat het middel, in zoverre het betoogt dat het hof van beroep "de bewijskracht van de akten en meer bepaald die van de processen-verbaal in het strafdossier" miskent zonder nader aan te geven van welke verklaringen die in voornoemde akten zijn opgenomen, de bewijskracht zou zijn miskend, niet ontvankelijk is bij gebrek aan nauwkeurigheid;
Dat voor het overige, om een beklaagde wettig te kunnen veroordelen als mededader van het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken niet alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen aanwezig behoeven te zijn; dat het voldoende is dat vaststaat dat een dader het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken heeft gepleegd en dat de mededader bewust aan de uitvoering van dat misdrijf heeft deelgenomen op een der wijzen bepaald bij de wet;
Overwegende dat het arrest, door te vermelden dat "mevrouw Schaumberg (...) verklaard heeft misleid te zijn door de beide beklaagden die meermaals bij haar waren gekomen om het stuk in handen te krijgen en zelfs een gelegaliseerde handtekening eisten (...); dat mevrouw Schaumberg, die er geen enkel belang bij had de waarheid te verdraaien, door de beklaagden die een quiproquo hadden uitgedacht om verwarring in haar geest te zaaien, willens en wetens werd misleid; (...) dat de verklaring van de getuige volgens welke (eiseres) en niet Henry het litigieuze attest zou hebben opgemaakt niet terzake doet", enerzijds, antwoordt op de conclusie van eiseres ten betoge dat zij het litigieuze stuk niet had opgemaakt, anderzijds, zonder de in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen te schenden, beslist dat eiseres bewust, op een van de bij van artikel 66, derde lid, van het Strafwetboek bepaalde wijzen, heeft deelgenomen aan het misdrijf valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken;
Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende, ten slotte, dat het middel, in zoverre het aan het hof van beroep verwijt "verwarring te hebben gesticht" door te verwijzen naar de "conclusies" van de partijen terwijl alleen eiseres een conclusie heeft neergelegd, opkomt tegen een ten overvloede gegeven considerans van het arrest;
Dat het middel ook in dit opzicht niet ontvankelijk is;
Over het tweede middel :
Overwegende dat de bijdrage aan het Bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, die bij artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen wordt ingevoerd, een eigen aard heeft en geen straf is; dat de regel van de eenstemmigheid waarin artikel 211bis van het Wetboek voor Strafvordering voorziet, dus op haar niet van toepassing is;
Dat het middel faalt naar recht;
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre de voorziening is gericht tegen de beslissing op de door verweerster ingestelde civielrechtelijke vordering :
Overwegende dat eiseres geen enkel bijzonder middel aanvoert;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt iedere eiseres in de kosten van haar voorziening.