Hof van Cassatie: Arrest van 5 Maart 1997 (België). RG P970272F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19970305-14
- Rolnummer :
- P970272F
Samenvatting :
De termijn van vijf dagen om een memorie ter griffie van het Hof te doen toekomen kan niet worden geschorst door een verzoek om uitstel van de verdachte of van zijn raadsman; de schorsing van de termijn tijdens de duur van het op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman verleende uitstel is uitsluitend van toepassing op de door de wet bepaalde termijn om uitspraak te doen.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 18 februari 1997 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Bergen;
Overwegende dat eiser cassatieberoep heeft ingesteld op 19 februari 1997;
Overwegende dat artikel 32 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, dat zonder onderscheid verwijst naar artikel 31, alinéa 3, enkel van toepassing is op de bij de wet bepaalde termijn om uitspraak te doen; dat die regel geen betrekking heeft op de voor de neerlegging van de memorie vastgestelde termijn;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
ongeacht de memorie die op 27 februari 1997 op de griffie van het Hof is ingekomen, dat is buiten de bij artikel 31, alinéa 3, eerste lid, bepaalde termijn;
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 18 februari 1997 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Bergen;
Overwegende dat eiser cassatieberoep heeft ingesteld op 19 februari 1997;
Overwegende dat artikel 32 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, dat zonder onderscheid verwijst naar artikel 31, alinéa 3, enkel van toepassing is op de bij de wet bepaalde termijn om uitspraak te doen; dat die regel geen betrekking heeft op de voor de neerlegging van de memorie vastgestelde termijn;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
ongeacht de memorie die op 27 februari 1997 op de griffie van het Hof is ingekomen, dat is buiten de bij artikel 31, alinéa 3, eerste lid, bepaalde termijn;
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.