Hof van Cassatie: Arrest van 5 November 1998 (België). RG C950357N

Datum :
05-11-1998
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19981105-7
Rolnummer :
C950357N

Samenvatting :

De rechter die de uitkering, toegekend op grond van artikel 232, eerste lid, van het Burgerlijk wetboek, aanpast is verplicht een systeem van aanpassing van de uitkering tot levensonderhoud aan de levensduurte in zijn beslissing op te nemen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 30 juni 1994 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 232, in het bijzonder lid 1, 301, in het bijzonder § 1 en § 2, 306 en voor zover als nodig 307bis van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden vonnis, nadat het voor de uiteenzetting van de feitelijke voorgaanden heeft verwezen naar het vonnis a quo van de vrederechter, die heeft vastgesteld dat bij vonnis van 17 december 1992 de echtscheiding werd toegestaan op grond van 5 jaar feitelijke scheiding (met andere woorden : op grond van art. 232, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) met veroordeling van (verweerder) tot betaling aan (eiseres) van een onderhoudsgeld na echtscheiding, het vonnis a quo heeft bevestigd in al zijn beschikkingen en, zodoende, heeft beslist dat het aan eiseres toegekende onderhoudsgeld niet wordt gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen, zoals eiseres had gevorderd conform art. 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, en dat er evenmin een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud wordt toegepast, met als enige redengeving "gelet op de onzekerheid en onduidelijkheid in verband met eventuele indexeringen en/of verhogingen van de pensioenuitkering van (verweerder)",
terwijl art. 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, krachtens art. 306 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk op het onderhoudsgeld dat wordt toegekend ten laste van de persoon die de echtscheiding verkrijgt op grond van art. 232, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, en dus op de zaak in geding, bepaalt dat "de rechtbank die de uitkering toekent stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. (...) De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen", en daarbij krachtens art. 307bis van het Burgerlijk Wetboek ook geen rekening moet worden gehouden met de beperking van art. 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek,
zodat het bestreden vonnis door om 't even welke aanpassing van de uitkering voor de kosten van levensonderhoud onder de vorm van indexatie of anders af te wijzen om de in het middel weergegeven reden die verwijst naar een loutere hypothetische toestand, deze bepalingen heeft geschonden (schending van de in het middel genoemde bepalingen van het BW) :
Overwegende dat uit de artikelen 301, § 2, 306, 307 en 307bis en hun onderling verband, volgt dat de rechter die de uitkering toegekend op grond van artikel 232, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, aanpast, weliswaar hiervoor over een grote mate van vrijheid geniet maar ertoe verplicht is een systeem van aanpassing van de uitkering tot levensonderhoud aan de levensduurte in zijn beslissing op te nemen;
Overwegende dat het bestreden vonnis dat dit niet doet de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
Over het tweede middel, gesteld als volgt : schending van art. 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het beschikkingsbeginsel,
doordat het bestreden vonnis het hoger beroep van eiseres ongegrond heeft verklaard en het vonnis a quo van de vrederechter heeft bevestigd in al zijn beschikkingen en, zodoende, voor recht heeft gezegd dat het bij vonnis van 17 december 1992 bepaalde onderhoudsgeld dient herleid, en (verweerder) heeft veroordeeld tot betaling aan (eiseres) van een onderhoudsgeld van 21.000 BEF per maand voor de periode van 1 juli 1993 tot 1 november 1993 en van dan af tot een onderhoudsgeld van 17.500 BEF per maand, met veroordeling van (eiseres) in de gerechtskosten,
terwijl, eerste onderdeel, eiseres in haar verzoekschrift tot hoger beroep eveneens heeft gevorderd om te worden gemachtigd de inkomsten van (verweerder) alsook alle andere hem door derden verschuldigde geldsommen te ontvangen vanaf de eerstvolgende betaaldag na kennisgeving van het vonnis aan de derde-schuldenaar, zonder dat daarover uitspraak werd gedaan, zodat het bestreden vonnis art. 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek (voor zover als nodig juncto art. 1042) heeft ge schonden;
terwijl, tweede onderdeel, voor zover het stilzwijgen van het bestreden vonnis een afwijzende beslissing op de genoemde vordering zou inhouden, de appèlrechters zodoende een vordering hebben afgewezen die door (verweerder) niet was betwist, zonder daartoe enige reden, laat staan van openbare orde of dwingend recht, te hebben aangevoerd, en zodoende art. 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek en het beschikkingsbeginsel te hebben geschonden;
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat eiseres in haar verzoekschrift tot hoger beroep vorderde gemachtigd te worden om de inkomsten van verweerder en alle andere hem verschuldigde geldsommen te ontvangen vanaf de eerstvolgende betaaldag na de kennisgeving van het vonnis aan de derde-schuldenaar;
Overwegende dat het bestreden vonnis nalaat uitspraak te doen over die vordering, mitsdien artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het geen uitspraak doet over de vordering van eiseres gemachtigd te worden om de inkomsten van verweerder en alle andere hem verschuldigde geldsommen te ontvangen en in zoverre het uitspraak doet over aanpassing van de uitkering tot levensonderhoud en over de kosten;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep.