Hof van Cassatie: Arrest van 5 September 1995 (België). RG P940294N

Datum :
05-09-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950905-3
Rolnummer :
P940294N

Samenvatting :

De omstandigheid dat het indienen van een aangifte in de personenbelasting een wettelijke verplichting is die elk jaar opnieuw dient te worden nagekomen, staat niet eraan in de weg dat het herhaald niet nakomen van deze verplichting de uiting kan zijn van een voortgezette of opeenvolgende opzet bij de dader.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 20 januari 1994 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;
Over alle middelen samen :
Overwegende dat de middelen in zoverre ze schending van de artikelen 870 en 876 van het Gerechtelijk Wetboek en van het artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering aanvoeren, niet preciseren waarin de schending bestaat;
Dat de middelen in zoverre wegens onduidelijkheid niet ontvankelijk zijn;
Overwegende dat een afwijzing van een verweer geen miskenning van het recht van verdediging oplevert;
Dat de middelen in zoverre falen naar recht;
Over het eerste middel :
Overwegende dat de appelrechters bij tussenarrest van 3 juni 1993 onder andere de overlegging door de administratie der directe belastingen hebben bevolen van een kopie van de aangiften in de personenbelastingen van eiser voor de inkomstenjaren 1983 tot en met 1987, evenals een kopie van de uiteindelijke aanslagen, alsook kopie van de aangiften in de personenbelastingen van A.V.L, alsmede van de uiteindelijke aanslagen;
Overwegende dat eiser aanvoert dat de administratie der directe belastingen de gevraagde aangiften en aanslagen voorlegde, "doch de administratie der directe belastingen, waaronder de bijzondere belastinginspectie, 5de directie Antwerpen, tevens en ongevraagd een beweerd 'volledig aanslagdossier' op naam van (eiser) heeft ingediend, dat blijkens de bewoordingen zou samengesteld zijn uit een soort ontleding van voorschriftenboekjes, van bankuittreksels, en andere gegevens, terwijl al deze elementen nergens in het strafdossier voorkomen, en (eiser) daaromtrent ook nooit verhoord is geworden en die zich ook niet in het strafdossier bevinden, en waarover met (eiser) ook nooit enige tegenspraak werd gevoerd", zodat bij toepassing van het artikel 350bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen de mededeling van die stukken en alle overige informatie opgeleverd door het aanvullend onderzoek volstrekt nietig is, mitsdien de appelrechters eisers veroordeling op nietige stukken hebben gegrond en niet hebben geantwoord op de door hem opgeworpen argumentatie;
Overwegende dat het middel in zoverre het opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter of in zoverre het onderzoek ervan het Hof zou verplichten tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is;
Overwegende voor het overige dat naar luid van het artikel 350bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, thans artikel 463, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, ambtenaren van de administratie der directe belastingen en van de administratie van de bijzondere belastinginspectie, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, slechts als getuige mogen worden gehoord;
Dat het voorschrift van genoemde artikelen de overlegging in rechte van belastingdossiers niet verbiedt;
Overwegende dat de appelrechters op de dertiende bladzijde van het arrest considereren : "ingevolge de uitvoering van dit door het hof (van beroep) gevraagd bijkomend onderzoek werden door de BBI de gevraagde gegevens over de verschillende jaren overgemaakt, op verzoek van de gerechtelijke politie, die met het bijkomend onderzoek belast was", en "dat de ambtenaren niet actief zijn opgetreden, doch slechts op verzoek, dat zij zich onthouden hebben van alle commentaar en dat al deze gegevens, die (eiser) al lang kende vóór het hof (van beroep) er kennis kon van nemen, aan de tegenspraak der partijen,
inzonderheid (eiser), werden onderworpen";
Dat zij hieruit afleiden dat dan ook geen enkel stuk van het aanvullend onderzoek door enige nietigheid is aangetast;
Dat zij zodoende de door eiser aangevoerde strijdige of andere feitelijke gegevens en zijn aanvoering dat het aanvullend onderzoek nietig is en zijn recht op tegenspraak werd miskend verwerpen, hierdoor zijn conclusie beantwoorden, en hun beslissing regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel :
Overwegende dat de feitenrechter op grond van de feitelijke gegevens der zaak beoordeelt of opeenvolgende strafbare feiten slechts één misdrijf uitmaken wegens de eenheid van opzet bij de dader; dat deze eenheid van opzet tot het plegen van opeenvolgende feiten niet vereist dat op het ogenblik van het plegen van het eerste feit reeds de opzet bestond om alle daarop volgende feiten te plegen, die het voortgezet misdrijf uitmaken; dat ook een voortgezette of opeenvolgende opzet deze afzonderlijk strafbare feiten tot een misdrijf kan maken;
Overwegende dat de omstandigheid dat het indienen van een aangifte in de personenbelasting een wettelijke verplichting is, die elk jaar opnieuw dient te worden nagekomen, er niet aan in de weg staat dat het herhaald niet nakomen van deze verplichting de uiting kan zijn van een voortgezette of opeenvolgende opzet bij de dader;
Overwegende dat bij voortgezette misdrijven de verjaring van de strafvordering slechts begint te lopen vanaf het laatste feit dat bewezen wordt verklaard, op voorwaarde dat, behoudens stuiting of schorsing van de verjaring, de periode tussen de verschillende feiten niet langer is dan de verjaringstermijn;
Overwegende dat de appelrechters met de motivering op de zesde bladzijde van het arrest vaststellen dat geen van de aan eiser ten laste gelegde feiten, die naar hun oordeel uit dezelfde opzet voortkomen, van elkaar gescheiden zijn door een langere tijdsruimte dan de wettelijke verjaringstermijn en dat de verjaring van de strafvordering, die een aanvang neemt vanaf de datum van het laatste bewezen verklaarde feit, gepleegd op 29 juni 1988, regelmatig gestuit is door een rechtsgeldige daad van onderzoek, inzonderheid het kantschrift van de onderzoeksrechter van 25 maart 1991 aan de hoofdcommissaris voor gerechtelijke opdrachten te Aalst met opdracht eiser te ondervragen over het deskundigenverslag;
Dat zij aldus hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het zesde middel :
Overwegende dat het middel in zoverre het schending van het artikel 489 van het Wetboek van Strafvordering aanvoert, niet preciseert waarin de schending bestaat;
Dat het middel in zoverre wegens onduidelijkheid niet ontvankelijk is;
Overwegende dat de rechter, in strafzaken, wanneer zoals te dezen de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, op onaantastbare wijze in feite de bewijswaarde beoordeelt van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren;
Overwegende dat de appelrechters aan de verklaringen van eiser en A.V.L opgenomen in het proces-verbaal in het middel aangewezen, geen uitlegging geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, doch alleen de bewijswaarde ervan onderzoeken aan de hand van de andere gegevens van het dossier, onder meer de verschillende verklaringen door eiser in de loop van het onderzoek afgelegd en de wijze waarop hij bedragen van ontvangsten heeft opgetekend in de verschillende inbeslaggenomen notaboekjes,
en hierbij vaststellen dat de in het middel bedoelde verklaringen door geen enkel geloofwaardig element van het onderzoek worden gestaafd, en op onaantastbare wijze in feite oordelen dat de aan eiser ten laste gelegde feiten bewezen zijn;
Dat de appelrechters zodoende eisers verweer, inzonderheid dit betreffende de verklaringen van hemzelf en A.V.L, verwerpen, hierdoor zijn conclusie beantwoorden, en hun beslissing regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het derde, het vierde en het vijfde middel :
Overwegende dat de appelrechters eiser, met hervorming van de beroepen beslissing, tot één straf, inzonderheid tot een gevangenisstraf van drie maand gevangenis met uitstel voor drie jaar en tot een geldboete van 20.000 frank met 3 maand vervangende gevangenisstraf veroordelen wegens de feiten van de telastleggingen A.I, 1, 2, 3, 4 en 5, en B, 1, 2, 4 en 5;
Overwegende dat deze straf naar recht is verantwoord door de tegen eiser bewezen verklaarde feiten omschreven in de telastleggingen A.I, 1, 2, 3, 4 en 5, zodat de middelen, die slechts enkel betrekking hebben op de feiten omschreven in de telastleggingen B, 1, 2, 4 en 5, niet tot cassatie kunnen leiden, mitsdien niet ontvankelijk zijn;
Over het zevende middel :
Overwegende dat de appelrechters considereren : "niettegenstaande het deskundig onderzoek slechts voor een deel bruikbaar was, zijn de kosten naar het oordeel van het hof één en ondeelbaar veroorzaakt door de thans nog door het hof weerhouden tenlasteleggingen"; dat de appelrechters hiermee niet zeggen dat het deskundigenonderzoek nutteloos was, maar integendeel het nut ervan vaststellen;
Overwegende dat het middel op een onjuiste lezing van het arrest berust, mitsdien feitelijke grondslag mist;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.