Hof van Cassatie: Arrest van 6 Februari 2008 (België). RG P.07.1497.F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20080206-5
- Rolnummer :
- P.07.1497.F
Samenvatting :
De onregelmatige betekening van de gedinginleidende akte, gevolgd door verstek voor de eerste rechter, brengt geen nietigheid mee van de regelmatig op verzet en in hoger beroep ingestelde rechtsplegingen.
Arrest :
Nr. P.07.1497.F
V. V.,
Mr. Cédric Lefebvre, advocaat bij de balie te Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de strafrechtelijke beschikkingen van een arrest, op 21 september 2007 gewezen door de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Luik.
De eiser voert drie middelen aan in een memorie waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
Afdelingsvoorzitter Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Over het eerste middel
1. Het middel heeft betrekking op de betekening aan een parket, op 10 februari en 4 mei 2004, van een aan de eiser gerichte dagvaarding om te verschijnen voor de Correctionele Rechtbank te Verviers die hem, bij vonnis van 24 november 2004, bij verstek heeft veroordeeld. Volgens de eiser diende deze betekening als ongedaan te worden beschouwd vermits hij zijn woonst in België gekozen had. Het middel leidt daaruit af dat het bestreden arrest artikel 40, tweede en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft geschonden.
2. Op verzet van de eiser heeft de correctionele rechtbank, bij vonnis van 22 juni 2005, de bij verstek gewezen beslissing teniet gedaan en bij wege van nieuwe beschikkingen uitspraak gedaan. Het arrest bevestigt deze nietigverklaring. Overigens zegt het arrest, na te hebben vastgesteld dat de eiser een verblijfplaats had die door de overheid was gekend, dat het verstek niet aan hem te wijten was en ontslaat het hem zowel van de kosten van de dagvaarding die tot het verstekvonnis heeft geleid als van de kosten van het verzet daartegen.
De appelrechters kennen aldus geen enkel gevolg toe aan de betekening die volgens het middel onregelmatig is en nemen de aangevoerde nietigheid niet over.
3. Zoals het middel erop zinspeelt, werd de rechtspleging in hoger beroep eveneens voorafgegaan door een aan een parket betekende dagvaarding, ook al had de eiser woonplaats gekozen. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt evenwel dat het hof van beroep deze onregelmatigheid heeft bestraft in het arrest van 27 april 2006 dat de heropening van het debat op 8 september 2006 beveelt. Dat arrest werd aan de gekozen woonplaats van de eiser betekend, die vervolgens op de terechtzittingen is verschenen. De veroordeling steunt dus niet op de aangevochten betekening.
4. Voor het overige, in tegenstelling tot wat de eiser aanvoert, brengt de onregelmatigheid van de betekening van de gedinginleidende akte, gevolgd door verstek voor de eerste rechter, de nietigheid niet mee van de regelmatig op verzet en in hoger beroep ingestelde vorderingen.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Over het tweede middel
Eerste onderdeel
5. Artikel 6.3, c, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, dat iedere beklaagde het recht waarborgt om te worden bijgestaan door een advocaat, verbiedt de feitenrechter niet om een verzoek tot uitstel te verwerpen wanneer dat dilatoir blijkt of wanneer de daarvoor reeds toegekende termijnen de daadwerkelijke uitoefening van het gewaarborgde recht mogelijk hebben gemaakt.
De noodzaak om de continuïteit van de rechtsgang te waarborgen en om de berechting van de zaak binnen een redelijke mogelijk te maken, verantwoorden dat ondanks de afwezigheid van een advocaat, hetgeen te wijten was aan de beklaagde, de verdaging van de zaak niet was bevolen.
6. Ofschoon het verzet van de eiser was vastgesteld op de terechtzitting van de correctionele rechtbank van 19 januari 2005, werd het onderzoek van de zaak, op verzoek van de eiser in verzet, naar 9 februari 2005 verdaagd en vervolgens, nog steeds op zijn verzoek, naar 25 mei 2005.
Op die dag heeft de eiser om een derde uitstel van de zaak verzocht teneinde hem de mogelijkheid te bieden de bijstand door een advocaat te regelen. De rechtbank heeft het uitstel geweigerd op grond dat de eiser de tijd had gekregen die noodzakelijk is om zich door de advocaat van zijn keuze te doen bijstaan en dat geen enkele raadsman naar de rechtbank had geschreven om zijn tussenkomst te signaleren of om een uitstel van de zaak te verzoeken.
7. Op de conclusie waarin de eerste rechter wordt verweten dat hij aldus heeft beslist, antwoordt het arrest dat de processen-verbaal van terechtzitting en de talrijke geschriften van de eiser aantonen dat het recht van verdediging zowel tijdens de rechtspleging op verzet als voor het hof van beroep, werd uitgeoefend.
De appelrechters omkleden hun beslissing regelmatig met redenen en schenden de verdragsbepalingen niet die door het middel worden aangevoerd, door met name op grond van de hierboven vermelde overwegingen, het vonnis van de correctionele rechtbank te bevestigen.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
8. De eiser heeft geen belang bij kritiek op de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn.
9. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de rechter ertoe om zijn weigering om een gewone schuldigverklaring uit te spreken, bijzonder met redenen te omkleden.
Het arrest vermeldt de redenen waarom een straf wordt uitgesproken in weerwil van de conclusie waarin om een gewone schuldigverklaring wordt verzocht. Het arrest vermeldt immers dat er grond is om met name rekening te houden met het aanzienlijk aantal gepleegde feiten, met de ernst ervan, met de gewetenloosheid en de antisociale persoonlijkheid, die het onderzoek, zowel het voorbereidend onderzoek als dat ter zitting, bij de eiser heeft aangetoond.
De appelrechters omkleden aldus hun beslissing regelmatig met redenen.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
(...)
Ambtshalve toezicht
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Jocelyne Bodson en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Huybrechts en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,