Hof van Cassatie: Arrest (België). RG P.20.0944.N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20201006-6
- Rolnummer :
- P.20.0944.N
Samenvatting :
Samenvatting 1
Arrest :
Nr. P.20.0944.N
L P W V,
persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,
eiser,
met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 september 2020.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.c en 5.4 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest laat na eisers conclusie te beantwoorden; de eiser voerde met name aan dat het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel onrechtmatig is en een vorm van rechtsmisbruik uitmaakt wanneer het ten uitvoer wordt gelegd ten aanzien van een willige persoon, die voorstelt zichzelf aan te bieden.
2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
3. Het middel dat aanvoert dat de Duitse gerechtelijke overheid het aanhoudingsbevel niet had mogen uitvaardigen omdat de eiser heeft voorgesteld zich vrijwillig aan te bieden, roept weliswaar formeel de schending in van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, maar komt in werkelijkheid op tegen de wettigheid of de regelmatigheid van het uitvaardigen van het Europees aanhoudingsbevel door de Duitse bevoegde overheid. Er wordt niet aangevoerd dat de in de procedure waarvoor de overlevering wordt gevraagd eisers fundamentele rechten zullen worden miskend, maar wel dat het bevel nooit had mogen worden uitgevaardigd.
4. De Belgische onderzoeksgerechten hebben geen rechtsmacht om in het kader van de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel de wettigheid en de regelmatigheid van dit bevel te beoordelen. Die beoordeling komt de rechter van de uitvaardigende staat toe.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
5. Het arrest oordeelt dat de rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling is beperkt tot de wettigheidscontrole inzake de uitvoerbaarverklaring van het bevel en niet de beoordeling inhoudt van de noodzaak van het Europees aanhoudingsbevel. Dit dient te gebeuren door de Duitse gerechtelijke autoriteiten. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
6. De aangevoerde schending van de artikelen 5.1.c, 5.4 en 13 EVRM en de miskenning van de motiveringsverplichting zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden.
In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 41,80 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant.