Hof van Cassatie: Arrest van 7 Februari 1990 (België). RG 8044
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19900207-8
- Rolnummer :
- 8044
Samenvatting :
Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit een zelfde opzet voort, wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking, en, in die zin, door één feit, namelijk een complexe gedraging, zijn opgeleverd. ( Art. 65 Strafwetboek. )
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op de bestreden arresten, op 20 oktober 1989 en 7 december 1989 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
I. Op de voorzieningen van Guy Menucci, Michel Menucci, Khaled Tabai, Michel Goffard;
A. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen de beslissingen op de tegen de eisers ingestelde strafvordering :
Over het eerste middel : schending van de artikelen 60 en 65 van het Strafwetboek en 97 van de Grondwet,
doordat het arrest verschillende van de aan de eisers ten laste gelegde feiten te hunnen aanzien bewezen verklaart, en de eerste eiser veroordeelt tot drie gevangenisstraffen van zeven jaar en één van twee jaar, waarvan de duur teruggebracht wordt tot twintig jaar, en hem driemaal, voor de duur van tien jaar en eenmaal voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, het geheel teruggebracht tot twintig jaar, dat het arrest de tweede eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van acht jaar en één van vier jaar, en hem tevens driemaal voor een duur van tien jaar ontzet van de rechten, opgesomd in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek, het geheel teruggebracht tot twintig jaar, dat het de derde eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van zeven jaar, één van twee jaar en één van drie maanden en tot een geldboete van 200 frank, en hem tevens tweemaal, voor een duur van tien jaar en éénmaal voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, het geheel teruggebracht tot 20 jaar, dat het de vierde eiser veroordeelt tot één gevangenisstraf van zeven jaar en één van twee jaar en hem tevens voor een duur van tien jaar en voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; dat het arrest meer in het bijzonder beslist dat elk van de misdrijven, diefstallen met geweld of bedreiging enerzijds en de misdrijven die voor of naar aanleiding van die diefstallen met geweld of bedreiging zijn gepleegd anderzijds (behalve de misdrijven vorming van een vereniging om misdrijven te plegen en, wat Menucci Guy betreft, een zware diefstal alsook het bezit of het bij zich hebben van explosieven), wegens het bestaan van eenheid van opzet, een collectief misdrijf vormen; dat het arrest daarna beslist dat elk van de collectieve misdrijven diefstal met geweld of bedreiging en elk van de misdrijven die voor of ter gelegenheid van die tegen de eisers bewezen verklaarde diefstallen zijn gepleegd, een afzonderlijk misdrijf is en dat bij de bepaling van de strafmaat de regels van artikel 60 van het Strafwetboek betreffende de meerdaadse samenloop moeten worden toegepast; dat het arrest vervolgens beslist dat de misdrijven, vorming van een vereniging om misdrijven te plegen (en, wat Menucci Guy betreft, zware diefstal en bezit of bij zich hebben van explosieven), ten aanzien van iedere eiser nog een afzonderlijk misdrijf opleveren waarvoor eveneens toepassing moet worden gemaakt van de bij artikel 60 van het Strafwetboek bepaalde regels betreffende de meerdaadse samenloop,
terwijl de strafrechter weliswaar op onaantastbare wijze oordeelt of verschillende feiten wegens het bestaan van eenheid van opzet als één enkel misdrijf dan wel als verschillende afzonderlijke middelen moeten worden beschouwd, zijn redengeving evenwel zodanig moet zijn dat de toepassing van de regels voor het bepalen van de in concreto opgelegde straf daaruit wettelijk volgt; overeenkomstig het beginsel waarvan artikel 65 van het Strafwetboek toepassing maakt, verschillende feiten alleen dan een collectief misdrijf door eenheid van opzet waarvoor slechts één enkele straf wordt opgelegd, vormen wanneer de feiten onderling verbonden zijn door het nastreven en het verwezenlijken van één enkel doel en aldus een complexe gedraging uitmaken; het arrest te dezen, in de redengeving betreffende de eerste onderzochte "hold-up", beslist dat "uit de gegevens van de gevoegde dossiers duidelijk blijkt dat er tussen de beklaagden banden bestonden, dat ze elkaar geregeld ontmoetten en bij elkaar kwamen, dat ze op logistiek gebied perfect georganiseerd waren voor het ondernemen van wederrechtelijke acties, dat ze gemeenschappelijk en systematisch gebruik maakten van gelijksoortige schuilplaatsen; een goed ingeoefende tactiek aanwendden om hun slag te slaan en gelijksoortige uitrustingen en wapens gebruikten; die gegevens erop wijzen dat de beklaagden een vereniging hadden gevormd met het oogmerk aanslagen te plegen tegen eigendommen en personen en dat die vereniging een duurzaam karakter had en pas is opgehouden te bestaan door de opsluiting van de leden ervan, zulks zelfs als de schuld van bepaalde leden niet zou vaststaan voor andere feiten, aangezien het misdadig oogmerk van de vereniging en haar leden evident en voldoende is"; uit die overwegingen blijkt dat volgens het arrest elk van de in de vijf zaken bewezen verklaarde misdrijven, diefstal met geweld of bedreiging, alsook de misdrijven, die zijn gepleegd voor of naar aanleiding van die diefstallen, en de misdrijven, vorming van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, onderling verbonden zijn door één enkel doel en door de wijze van uitvoering; ze aldus een complexe gedraging uitmaken en een collectief misdrijf opleveren wegens het bestaan van eenheid van opzet;
zodat, eerste onderdeel, het arrest, nu het impliciet doch ondubbelzinnig beslist dat elk van de misdrijven, diefstallen met geweld of bedreiging, de voor of naar aanleiding van die diefstallen gepleegde misdrijven, en de misdrijven, vorming van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, door het bestaan van eenheid van opzet een collectief misdrijf vormen, niet wettig de regels betreffende de meerdaadse samenloop kon toepassen op die misdrijven; het arrest, door die regels in casu toe te passen, de artikelen 60 en 65 van het Strafwetboek schendt;
tweede onderdeel, er tussen de redengeving en het beschikkende gedeelte van het arrest een tegenstrijdigheid bestaat in verband met de straftoemeting, in zoverre het tegenstrijdig is, enerzijds, impliciet doch ondubbelzinnig te beslissen dat elk van de misdrijven, diefstallen met geweld of bedreiging, de misdrijven die zijn gepleegd voor of naar aanleiding van die diefstallen, en de misdrijven, vorming van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, wegens het bestaan van eenheid van opzet een collectief misdrijf vormen, en, anderzijds, de regels inzake de meerdaadse samenloop van misdrijven toe te passen om de eisers te veroordelen tot de in het middel aangegeven straffen; het arrest ten gevolge van die tegenstrijdigheid niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 97 van de Grondwet) en niet naar recht is verantwoord (schending van alle in het middel aangegeven bepalingen) :
Over het middel in zijn geheel :
Overwegende dat aan verschillende, aan een beklaagde verweten misdrijven één enkel opzet ten grondslag ligt, wanneer ze verbonden zijn door een zelfde doel en door de uitvoering en aldus één enkel feit, namelijk een complexe gedraging, opleveren;
Overwegende dat de feitenrechter onaantastbare wijze in feite oordeelt of verschillende feiten wegens eenheid van opzet één strafbaar feit opleveren;
Overwegende dat de appelrechters, na te hebben gewezen op de in het middel vermelde feitelijke gegevens en na te hebben onderstreept dat "deze erop wijzen dat de (eisers) een vereniging hebben gevormd met het oogmerk om aanslagen te plegen tegen eigendommen en personen en dat die vereniging een duurzaam karakter had, zonder in de aangevoerde tegenstrijdigheid te vervallen en zonder de artikelen 60 en 65 van het Strafwetboek en 97 van de Grondwet te schenden, hebben kunnen beslissen dat de in het kader van die vereniging gepleegde diefstallen met geweld afzonderlijke misdrijven waren, aangezien het behoren tot een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen en het gebruik van dezelfde taktiek niet impliceren dat de daders, door de eerste diefstal met geweld te plegen, daarom ook besloten waren de overige te plegen;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 195, gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, 211 van het Wetboek van Strafvordering en 97 van de Grondwet,
doordat het arrest verschillende van de ten laste gelegde misdrijven bewezen verklaart ten aanzien van de eisers en de eerste eiser veroordeelt tot drie gevangenisstraffen van zeven en één van twee jaar, het geheel teruggebracht tot twintig jaar, en hem driemaal voor een duur van tien jaar en eenmaal voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; dat het de tweede eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van acht jaar en een van vier jaar, en hem driemaal voor een duur van tien jaar, teruggebracht tot twintig jaar, ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, dat het de derde eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van zeven jaar, één van twee jaar en één van drie maanden, en tot een geldboete van 200 frank, en hem tweemaal voor een duur van tien jaar en eenmaal voor een duur van vijf jaar, teruggebracht tot twintig jaar, ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, dat het de vierde eiser veroordeelt tot een gevangenisstraf van zeven en één van twee jaar, en hem voor een duur van tien jaar en van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; het arrest, alvorens de straf te bepalen, stelde dat "bij de vaststelling van de strafmaat en de aard van de tegen de beklaagde uit te spreken straffen gelet zal worden op hun persoonlijkheid, hun gerechtelijk verleden, het gevaar dat zij vormen voor de samenleving, de zwaarwichtigheid van de gepleegde feiten en de ernst van de verstoring van de openbare orde",
terwijl, overeenkomstig de artikelen 195, gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, en 211 van het Wetboek van Strafvordering, ieder veroordelend arrest nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waarop de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt, en bovendien de strafmaat rechtvaardigt voor elke uitgesproken straf; de wet van 27 april 1987 tot doel had, enerzijds, de strafrechter bij de straftoemeting ertoe te verplichten uitdrukkelijk de concrete gronden aan te geven waarom hij een of meer welbepaalde straffen oplegt, en, anderzijds, op die manier de veroordeelden in kennis te stellen van de redenen waarom de rechter een strenge dan wel een milde straf oplegt; de wetgever, door een precieze redengeving te eisen, te kennen heeft gegeven dat de redengeving van de rechter duidelijk en aan het geval aangepast moet zijn, en heeft willen bereiken dat de straf beter op het concrete geval zou worden toegemeten en dat stereotiepe formuleringen achterwege zouden worden gelaten; het arrest, nu het, alvorens de strafmaat te bepalen, in de redengeving genoegen neemt met een intentieverklaring, namelijk dat bij de vaststelling van de strafmaat en de aard van de uit te spreken straffen gelet zal worden op de persoonlijkheid van de beklaagden, hun gerechtelijk verleden, het gevaar dat zij vormen voor de samenleving, de zwaarwichtigheid van de feiten en de ernst van de verstoring van de openbare orde, zich beperkt tot algemeenheden, en niet beantwoordt aan de letter en de geest van de wet van 27 april 1987, het arrest bijgevolg niet regelmatig verantwoordt waarom het de ontzetting van de in artikel 31 van het Strafwetboek opgesomde rechten uitspreekt en evenmin de strafmaat van de opgelegde gevangenisstraffen en ontzettingen van de in artikel 31 van het Strafwetboek opg
esomde rechten rechtvaardigt; het derhalve de artikelen 195 en 211 van het Wetboek van Strafvordering schendt;
Overwegende dat het arrest vermeldt dat "bij de vaststelling van de strafmaat en de aard van de aan de (eisers) op te leggen straffen zal worden gelet op hun persoonlijkheid, hun gerechtelijk verleden, het gevaar dat zij vormen voor de samenleving, de zwaarwegendheid van de feiten en de ernst van de verstoring van de openbare orde";
Overwegende dat het arrest, benevens de in het eerste middel weergegeven consideransen die de gebruikte taktiek omschrijven, ook wijst op de gegevens in verband met de persoonlijkheid van de eisers, het gevaar dat zij opleveren en de zwaarwegendheid van de gepleegde feiten;
Dat aldus het arrest de keuze van de aard van de opgelegde straffen en de strafmaat rechtvaardigt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen de beslissingen op de civielrechtelijke vorderingen van de naamloze vennootschap Groep 4 Securitas tegen Guy Menucci en Khaled Tabai, en van de Regie der Posterijen tegen Khaled Tabai :
Overwegende dat de eisers geen middel aanvoeren;
II. Op de voorziening van Valérie Vertallier :
Over het ambtshalve aangevoerde middel : schending van artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering :
Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Luik, bij vonnis van 31 mei 1989, eiseres ontslagen heeft van de rechtsvervolging die tegen haar was ingesteld ter zake van het feit dat zij bewust en opzettelijk aan een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, wapens, munitie, instrumenten tot het plegen van misdaden, onderdak, schuilplaatsen of vergaderplaatsen heeft verstrekt (telastlegging F 10 zaak 434/89);
Overwegende dat het Hof van Beroep te Luik, op het hoger beroep van het openbaar ministerie, en met eenparige stemmen uitspraak doende bij verstek, bij het arrest van 20 oktober 1989, eiseres wegens die telastlegging veroordeeld heeft tot een gevangenisstraf van twee jaar met uitstel voor de helft van de straf en beklaagde voor een duur van vijf jaar ontzet heeft van de in artikel 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; dat het bovendien haar onmiddellijke aanhouding heeft bevolen;
Overwegende dat eiseres tegen dat arrest in verzet is gekomen, waarop het hof van beroep, na dat verzet ontvankelijk te hebben verklaard, zonder vast te stellen dat het met eenparige stemmen van al zijn leden uitspraak deed, "de gehele bestreden beslissing heeft bevestigd";
Overwegende dat krachtens artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering het hof van beroep, wanneer het een veroordeling uitspreekt terwijl de correctionele rechtbank had vrijgesproken, met eenparige stemmen van de leden uitspraak moet doen; dat die regel in acht moet worden genomen, zelfs als het hof van beroep, op het verzet van de veroordeelde, opnieuw uitspraak moet doen op het hoger beroep en zelfs als het op verzet gewezen arrest de veroordeling die wettig was uitgesproken bij het verstekarrest, bevestigt;
Overwegende dat de vernietiging van de beslissing waarbij eiseres wordt veroordeeld, de vernietiging van de beslissing waarbij haar onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, tot gevolg heeft;
Om die redenen, ongeacht het door eiseres voorgedragen middel, dat niet kan leiden tot cassatie zonder verwijzing, vernietigt het arrest van 7 december 1989; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; laat de kosten ten laste van de Staat; verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel; verwerpt de voorzieningen tegen het arrest van 20 oktober 1989 van het Hof van Beroep te Luik; veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn voorziening.
I. Op de voorzieningen van Guy Menucci, Michel Menucci, Khaled Tabai, Michel Goffard;
A. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen de beslissingen op de tegen de eisers ingestelde strafvordering :
Over het eerste middel : schending van de artikelen 60 en 65 van het Strafwetboek en 97 van de Grondwet,
doordat het arrest verschillende van de aan de eisers ten laste gelegde feiten te hunnen aanzien bewezen verklaart, en de eerste eiser veroordeelt tot drie gevangenisstraffen van zeven jaar en één van twee jaar, waarvan de duur teruggebracht wordt tot twintig jaar, en hem driemaal, voor de duur van tien jaar en eenmaal voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, het geheel teruggebracht tot twintig jaar, dat het arrest de tweede eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van acht jaar en één van vier jaar, en hem tevens driemaal voor een duur van tien jaar ontzet van de rechten, opgesomd in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek, het geheel teruggebracht tot twintig jaar, dat het de derde eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van zeven jaar, één van twee jaar en één van drie maanden en tot een geldboete van 200 frank, en hem tevens tweemaal, voor een duur van tien jaar en éénmaal voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, het geheel teruggebracht tot 20 jaar, dat het de vierde eiser veroordeelt tot één gevangenisstraf van zeven jaar en één van twee jaar en hem tevens voor een duur van tien jaar en voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; dat het arrest meer in het bijzonder beslist dat elk van de misdrijven, diefstallen met geweld of bedreiging enerzijds en de misdrijven die voor of naar aanleiding van die diefstallen met geweld of bedreiging zijn gepleegd anderzijds (behalve de misdrijven vorming van een vereniging om misdrijven te plegen en, wat Menucci Guy betreft, een zware diefstal alsook het bezit of het bij zich hebben van explosieven), wegens het bestaan van eenheid van opzet, een collectief misdrijf vormen; dat het arrest daarna beslist dat elk van de collectieve misdrijven diefstal met geweld of bedreiging en elk van de misdrijven die voor of ter gelegenheid van die tegen de eisers bewezen verklaarde diefstallen zijn gepleegd, een afzonderlijk misdrijf is en dat bij de bepaling van de strafmaat de regels van artikel 60 van het Strafwetboek betreffende de meerdaadse samenloop moeten worden toegepast; dat het arrest vervolgens beslist dat de misdrijven, vorming van een vereniging om misdrijven te plegen (en, wat Menucci Guy betreft, zware diefstal en bezit of bij zich hebben van explosieven), ten aanzien van iedere eiser nog een afzonderlijk misdrijf opleveren waarvoor eveneens toepassing moet worden gemaakt van de bij artikel 60 van het Strafwetboek bepaalde regels betreffende de meerdaadse samenloop,
terwijl de strafrechter weliswaar op onaantastbare wijze oordeelt of verschillende feiten wegens het bestaan van eenheid van opzet als één enkel misdrijf dan wel als verschillende afzonderlijke middelen moeten worden beschouwd, zijn redengeving evenwel zodanig moet zijn dat de toepassing van de regels voor het bepalen van de in concreto opgelegde straf daaruit wettelijk volgt; overeenkomstig het beginsel waarvan artikel 65 van het Strafwetboek toepassing maakt, verschillende feiten alleen dan een collectief misdrijf door eenheid van opzet waarvoor slechts één enkele straf wordt opgelegd, vormen wanneer de feiten onderling verbonden zijn door het nastreven en het verwezenlijken van één enkel doel en aldus een complexe gedraging uitmaken; het arrest te dezen, in de redengeving betreffende de eerste onderzochte "hold-up", beslist dat "uit de gegevens van de gevoegde dossiers duidelijk blijkt dat er tussen de beklaagden banden bestonden, dat ze elkaar geregeld ontmoetten en bij elkaar kwamen, dat ze op logistiek gebied perfect georganiseerd waren voor het ondernemen van wederrechtelijke acties, dat ze gemeenschappelijk en systematisch gebruik maakten van gelijksoortige schuilplaatsen; een goed ingeoefende tactiek aanwendden om hun slag te slaan en gelijksoortige uitrustingen en wapens gebruikten; die gegevens erop wijzen dat de beklaagden een vereniging hadden gevormd met het oogmerk aanslagen te plegen tegen eigendommen en personen en dat die vereniging een duurzaam karakter had en pas is opgehouden te bestaan door de opsluiting van de leden ervan, zulks zelfs als de schuld van bepaalde leden niet zou vaststaan voor andere feiten, aangezien het misdadig oogmerk van de vereniging en haar leden evident en voldoende is"; uit die overwegingen blijkt dat volgens het arrest elk van de in de vijf zaken bewezen verklaarde misdrijven, diefstal met geweld of bedreiging, alsook de misdrijven, die zijn gepleegd voor of naar aanleiding van die diefstallen, en de misdrijven, vorming van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, onderling verbonden zijn door één enkel doel en door de wijze van uitvoering; ze aldus een complexe gedraging uitmaken en een collectief misdrijf opleveren wegens het bestaan van eenheid van opzet;
zodat, eerste onderdeel, het arrest, nu het impliciet doch ondubbelzinnig beslist dat elk van de misdrijven, diefstallen met geweld of bedreiging, de voor of naar aanleiding van die diefstallen gepleegde misdrijven, en de misdrijven, vorming van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, door het bestaan van eenheid van opzet een collectief misdrijf vormen, niet wettig de regels betreffende de meerdaadse samenloop kon toepassen op die misdrijven; het arrest, door die regels in casu toe te passen, de artikelen 60 en 65 van het Strafwetboek schendt;
tweede onderdeel, er tussen de redengeving en het beschikkende gedeelte van het arrest een tegenstrijdigheid bestaat in verband met de straftoemeting, in zoverre het tegenstrijdig is, enerzijds, impliciet doch ondubbelzinnig te beslissen dat elk van de misdrijven, diefstallen met geweld of bedreiging, de misdrijven die zijn gepleegd voor of naar aanleiding van die diefstallen, en de misdrijven, vorming van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, wegens het bestaan van eenheid van opzet een collectief misdrijf vormen, en, anderzijds, de regels inzake de meerdaadse samenloop van misdrijven toe te passen om de eisers te veroordelen tot de in het middel aangegeven straffen; het arrest ten gevolge van die tegenstrijdigheid niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 97 van de Grondwet) en niet naar recht is verantwoord (schending van alle in het middel aangegeven bepalingen) :
Over het middel in zijn geheel :
Overwegende dat aan verschillende, aan een beklaagde verweten misdrijven één enkel opzet ten grondslag ligt, wanneer ze verbonden zijn door een zelfde doel en door de uitvoering en aldus één enkel feit, namelijk een complexe gedraging, opleveren;
Overwegende dat de feitenrechter onaantastbare wijze in feite oordeelt of verschillende feiten wegens eenheid van opzet één strafbaar feit opleveren;
Overwegende dat de appelrechters, na te hebben gewezen op de in het middel vermelde feitelijke gegevens en na te hebben onderstreept dat "deze erop wijzen dat de (eisers) een vereniging hebben gevormd met het oogmerk om aanslagen te plegen tegen eigendommen en personen en dat die vereniging een duurzaam karakter had, zonder in de aangevoerde tegenstrijdigheid te vervallen en zonder de artikelen 60 en 65 van het Strafwetboek en 97 van de Grondwet te schenden, hebben kunnen beslissen dat de in het kader van die vereniging gepleegde diefstallen met geweld afzonderlijke misdrijven waren, aangezien het behoren tot een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen en het gebruik van dezelfde taktiek niet impliceren dat de daders, door de eerste diefstal met geweld te plegen, daarom ook besloten waren de overige te plegen;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 195, gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, 211 van het Wetboek van Strafvordering en 97 van de Grondwet,
doordat het arrest verschillende van de ten laste gelegde misdrijven bewezen verklaart ten aanzien van de eisers en de eerste eiser veroordeelt tot drie gevangenisstraffen van zeven en één van twee jaar, het geheel teruggebracht tot twintig jaar, en hem driemaal voor een duur van tien jaar en eenmaal voor een duur van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; dat het de tweede eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van acht jaar en een van vier jaar, en hem driemaal voor een duur van tien jaar, teruggebracht tot twintig jaar, ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, dat het de derde eiser veroordeelt tot twee gevangenisstraffen van zeven jaar, één van twee jaar en één van drie maanden, en tot een geldboete van 200 frank, en hem tweemaal voor een duur van tien jaar en eenmaal voor een duur van vijf jaar, teruggebracht tot twintig jaar, ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten, dat het de vierde eiser veroordeelt tot een gevangenisstraf van zeven en één van twee jaar, en hem voor een duur van tien jaar en van vijf jaar ontzet van de in artikel 31, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; het arrest, alvorens de straf te bepalen, stelde dat "bij de vaststelling van de strafmaat en de aard van de tegen de beklaagde uit te spreken straffen gelet zal worden op hun persoonlijkheid, hun gerechtelijk verleden, het gevaar dat zij vormen voor de samenleving, de zwaarwichtigheid van de gepleegde feiten en de ernst van de verstoring van de openbare orde",
terwijl, overeenkomstig de artikelen 195, gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, en 211 van het Wetboek van Strafvordering, ieder veroordelend arrest nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waarop de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt, en bovendien de strafmaat rechtvaardigt voor elke uitgesproken straf; de wet van 27 april 1987 tot doel had, enerzijds, de strafrechter bij de straftoemeting ertoe te verplichten uitdrukkelijk de concrete gronden aan te geven waarom hij een of meer welbepaalde straffen oplegt, en, anderzijds, op die manier de veroordeelden in kennis te stellen van de redenen waarom de rechter een strenge dan wel een milde straf oplegt; de wetgever, door een precieze redengeving te eisen, te kennen heeft gegeven dat de redengeving van de rechter duidelijk en aan het geval aangepast moet zijn, en heeft willen bereiken dat de straf beter op het concrete geval zou worden toegemeten en dat stereotiepe formuleringen achterwege zouden worden gelaten; het arrest, nu het, alvorens de strafmaat te bepalen, in de redengeving genoegen neemt met een intentieverklaring, namelijk dat bij de vaststelling van de strafmaat en de aard van de uit te spreken straffen gelet zal worden op de persoonlijkheid van de beklaagden, hun gerechtelijk verleden, het gevaar dat zij vormen voor de samenleving, de zwaarwichtigheid van de feiten en de ernst van de verstoring van de openbare orde, zich beperkt tot algemeenheden, en niet beantwoordt aan de letter en de geest van de wet van 27 april 1987, het arrest bijgevolg niet regelmatig verantwoordt waarom het de ontzetting van de in artikel 31 van het Strafwetboek opgesomde rechten uitspreekt en evenmin de strafmaat van de opgelegde gevangenisstraffen en ontzettingen van de in artikel 31 van het Strafwetboek opg
esomde rechten rechtvaardigt; het derhalve de artikelen 195 en 211 van het Wetboek van Strafvordering schendt;
Overwegende dat het arrest vermeldt dat "bij de vaststelling van de strafmaat en de aard van de aan de (eisers) op te leggen straffen zal worden gelet op hun persoonlijkheid, hun gerechtelijk verleden, het gevaar dat zij vormen voor de samenleving, de zwaarwegendheid van de feiten en de ernst van de verstoring van de openbare orde";
Overwegende dat het arrest, benevens de in het eerste middel weergegeven consideransen die de gebruikte taktiek omschrijven, ook wijst op de gegevens in verband met de persoonlijkheid van de eisers, het gevaar dat zij opleveren en de zwaarwegendheid van de gepleegde feiten;
Dat aldus het arrest de keuze van de aard van de opgelegde straffen en de strafmaat rechtvaardigt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre de voorzieningen gericht zijn tegen de beslissingen op de civielrechtelijke vorderingen van de naamloze vennootschap Groep 4 Securitas tegen Guy Menucci en Khaled Tabai, en van de Regie der Posterijen tegen Khaled Tabai :
Overwegende dat de eisers geen middel aanvoeren;
II. Op de voorziening van Valérie Vertallier :
Over het ambtshalve aangevoerde middel : schending van artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering :
Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Luik, bij vonnis van 31 mei 1989, eiseres ontslagen heeft van de rechtsvervolging die tegen haar was ingesteld ter zake van het feit dat zij bewust en opzettelijk aan een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen, wapens, munitie, instrumenten tot het plegen van misdaden, onderdak, schuilplaatsen of vergaderplaatsen heeft verstrekt (telastlegging F 10 zaak 434/89);
Overwegende dat het Hof van Beroep te Luik, op het hoger beroep van het openbaar ministerie, en met eenparige stemmen uitspraak doende bij verstek, bij het arrest van 20 oktober 1989, eiseres wegens die telastlegging veroordeeld heeft tot een gevangenisstraf van twee jaar met uitstel voor de helft van de straf en beklaagde voor een duur van vijf jaar ontzet heeft van de in artikel 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het Strafwetboek opgesomde rechten; dat het bovendien haar onmiddellijke aanhouding heeft bevolen;
Overwegende dat eiseres tegen dat arrest in verzet is gekomen, waarop het hof van beroep, na dat verzet ontvankelijk te hebben verklaard, zonder vast te stellen dat het met eenparige stemmen van al zijn leden uitspraak deed, "de gehele bestreden beslissing heeft bevestigd";
Overwegende dat krachtens artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering het hof van beroep, wanneer het een veroordeling uitspreekt terwijl de correctionele rechtbank had vrijgesproken, met eenparige stemmen van de leden uitspraak moet doen; dat die regel in acht moet worden genomen, zelfs als het hof van beroep, op het verzet van de veroordeelde, opnieuw uitspraak moet doen op het hoger beroep en zelfs als het op verzet gewezen arrest de veroordeling die wettig was uitgesproken bij het verstekarrest, bevestigt;
Overwegende dat de vernietiging van de beslissing waarbij eiseres wordt veroordeeld, de vernietiging van de beslissing waarbij haar onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, tot gevolg heeft;
Om die redenen, ongeacht het door eiseres voorgedragen middel, dat niet kan leiden tot cassatie zonder verwijzing, vernietigt het arrest van 7 december 1989; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; laat de kosten ten laste van de Staat; verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel; verwerpt de voorzieningen tegen het arrest van 20 oktober 1989 van het Hof van Beroep te Luik; veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn voorziening.