Hof van Cassatie: Arrest van 7 Maart 1994 (België). RG S930103N

Datum :
07-03-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19940307-1
Rolnummer :
S930103N

Samenvatting :

Het sluitingsfonds heeft geen verplichting tot betalen van de voordelen bedoeld in art. 2 Sluitingsfondswet voordat is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij art. 6 van die wet en het K.B. van 6 juli 1967.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het arrest van het Hof van 16 september 1991;
Gelet op het bestreden arrest, op 23 april 1993 door het Arbeidshof te Antwerpen op verwijzing gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : "schending van de artikelen 1139, 1153 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 4 en 6 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de ingeval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, 1 tot 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1967 ter uitvoering van artikel 6 van voormelde wet van 30 juni 1967 en 97 van de Grondwet,
doordat de appelrechters vooraf vaststellen en beslissen dat verweerder een aanvraag heeft ingediend met het formulier BC. 901 dat aangetekend aan eiser werd verzonden op 26 februari 1986 en dat verweerder in een begeleidende aangetekende brief van 26 februari 1986 bij het aanvraagformulier betaling van de hem toekomende bedragen, zowel hoofdsommen als interesten heeft gevorderd, en vervolgens beslissen dat de betaling door eiser dient te gebeuren vanaf de aanvraag van verweerder, zijnde de vervaldag van de hoofdsom tot betaling van de verschuldigde vergoedingen, terzake vanaf 26 februari 1986 en op die grondslag eiser veroordelen tot betaling van de interesten op de uitgekeerde vergoeding van 26 februari 1986 tot 15 juni 1986 ten bedrage van 11.320 BF en dit op grond van de volgende redengeving : '2. ten gronde : de interesten. Konstante rechtspraak en rechtsleer zijn formeel dat ook sociale zekerheidsinstellingen die met vertraging uitbetalen, moratoire intresten verschuldigd zijn; (zie O. De Leye, noot bij Arb. Rb. Brussel, 8.1.1973, J.T.T., 1973, 110; Cass., 26.6.1978, J.T.T., 1980, 265 met noot P. Gosseries; Dirix en Van Oevelen, Verbintenissenrecht, R.W. 1980-81, 2450; A.H. Charleroi, 27.3.1973, J.T.T. 1981, 251; Cass., 25.5.1981, T.S.R. 1981, 407 en R.W. 1981-82, 1697; L'application des intérêts moratoires aux prestations sociales, discours prononcé par M.J. Leclercq, J.T.T. 1980, 287-2788 par. 49). De door sluiting/faillissement van een onderneming getroffen werknemer put zijn aanspraak jegens het Fonds uit de wet en niet uit een overeenkomst met het Fonds noch uit een overneming door het Fonds van de verbintenissen van de werkgever (Cass., 1.10.1975, R.W. 1975-76, 1688). De vergoedingen door (eiser) uit te keren zijn geen loon, waarop artikel 10 van de loonbeschermingswet toepasselijk is, zodat een ingebrekestelling op grond van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek vereist is om intresten te doen lopen. Terzake vordert (verweerder) in een begeleidende aangetekende brief van 26.2.1986 bij het aanvraagformulier BC.901 betaling van de hem toekomende bedragen, zowel hoofdsommen als intresten. Bijgevolg begonnen de intresten te lopen vanaf 26.2.1986. Het bestreden arrest heeft (eiser) veroordeeld tot betaling van verwijlsintresten op de netto-uitgekeerde bedragen vanaf 22.2.1986 tot op de dag van betaling, stellende dat vanaf 22.2.1986 de vreemde oorzaak, die het Fonds belette onmiddellijk tot betaling over te gaan, opgehouden heeft te bestaan. (Eiser) voert hiertegen aan dat volgens een recent arrest van het Arbeidshof te Brussel van 31.1.1991 verwijlsintresten verschuldigd zijn vanaf het verstrijken van de 'redelijke termijn' voor het uitvoeren van de verbintenis, overeenkomstig de algemene regel van het behoorlijk bestuur (Arbeidshof Brussel, 7de kamer, 31.1.1991, Rits Alfons/Fonds, A.R. 23.710). (Eiser) beschouwt als redelijke termijn : uitbetaling binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf het moment waarop de dienst over alle noodzakelijke gegevens beschikt en dit voorzover alle inlichtingen op collectief (beslissing Beheerscomité) en individueel vlak (indiening BC.901) volledig zijn. Gezien de feitelijke
gegevens van het dossier is (eiser) van mening dat hij met de nodige zorg en spoed binnen een redelijke termijn gehandeld heeft. (Eiser) vroeg met brief van 17.3.1986 bijkomende inlichtingen aan (verweerder), die hij had kunnen bekomen door een volledig en aangepast formulier BV.901 op te stellen. Hierdoor is een vertraging in de uitvoering van de verbintenis - de betaling - ontstaan, die te wijten is aan (eiser) zelf, waardoor hij intresten verschuldigd is (Cass., 8.12.1986, Soc. Kron. 87, 110). Het begrip 'redelijke termijn' door (eiser) ingeroepen, vindt geen grondslag in de wetgeving terzake, zodat de betaling door (eiser) dient te gebeuren vanaf de aanvraag van (verweerder), zijnde de vervaldag van de hoofdsom, tot betaling van de verschuldigde vergoedingen, terzake vanaf 26.2.1986 (Cass., 16.2.1987, J.T.T. 1987, 234). De vordering tot betaling van de intresten op de uitgekeerde vergoeding van 26.2.1986 tot 15.6.1986 t.b.v. 11.320 frank is bijgevolg gegrond. Het beroep is bijgevolg in deze mate gegrond'. (bestreden arrest, blz. 5 en 6),
terwijl overeenkomstig artikel 6, eerste tot derde lid, van de wet van 30 juni 1967 en van de artikelen 1 tot 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1967, eiser slechts tot betaling van de in artikel 2 van die wet vermelde voordelen gehouden kan zijn nadat op initiatief van de werknemer een verzoek tot betaling is gedaan overeenkomstig de door de Koning bepaalde wijze en de door de Koning bepaalde inlichtingen zijn verstrekt die de werkgever of eventueel de lasthebbers, curatoren en vereffenaars alsmede de werknemers dienen te verstrekken; dat het indienen van het verzoek met de vereiste inlichtingen het recht van de werknemer maar doet ontstaan indien aan alle wettelijke vereisten is voldaan en eiser overeenkomstig artikel 2 van de wet van 30 juni 1967 verplicht is om, vooraleer uit te betalen, na te gaan of de wettelijke voorwaarden vervuld zijn om zijn tussenkomst te rechtvaardigen en om vervolgens te beslissen of er aanspraak op een betaling bestaat en, zo ja, hoeveel moet worden betaald zodat er onvermijdelijk een zekere tijdsruimte ligt tussen het tijdstip van het ontstaan van het recht, zijnde de datum van de aanvraag, en het ogenblik waarop eiser tot betaling kan overgaan; dat nu de sluitingswetgeving geen enkele aanwijzing bevat noch omtrent de termijn binnen welke eiser over het verzoek moet beslissen, noch omtrent het ogenblik waarop het na de beslissing moet betalen, het aan de arbeidsgerechten behoort om in iedere zaak, rekening houdend met de concrete omstandigheden, de datum van opeisbaarheid vast te stellen, doch deze datum van opeisbaarheid onmogelijk kan samenvallen met de datum van de aanvraag van de werknemer; dat overeenkomstig artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek geen moratoire interesten kunnen verschuldigd zijn alvorens de schuld opeisbaar is nu moratoire interesten worden toegekend als schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van de verbintenis tot betaling van een bepaalde geldsom en aldus zolang de schuld niet opeisbaar is, er geen sprake van vertraging in de uitvoering kan zijn; dat een ingebrekestelling verzonden overeenkomstig artikel 1139 van het Burgerlijk Wetboek pas uitwerking kan hebben vanaf de opeisbaarheid; dat uit het voorgaande voortvloeit dat het arbeidshof onterecht moratoire interesten toekent vanaf de aanmaning die gelijktijdig met het verzoek is gedaan; dat de overweging dat eiser bijkomende inlichtingen vroeg op 17 maart 1986 die hij had kunnen bekomen door een aangepast formulier op te stellen en dat hierbij een vertraging is ontstaan die te wijten is aan eiser evenmin de toekenning van interesten vanaf de datum van de aanvraag rechtvaardigt, de appelrechters derhalve door te oordelen dat de betaling door eiser diende te gebe
uren vanaf 26 februari 1986, datum van de aanmaning die gelijktijdig met het verzoek is gedaan, hun beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van alle in het middel aangeduide wetsbepalingen behalve artikel 97 van de Grondwet) en evenmin regelmatig met redenen omkleden (schending van artikel 97 van de Grondwet)" :
Overwegende dat eiser, krachtens artikel 6, eerste tot derde lid, van de Sluitingsfondswet van 30 juni 1967, slechts tot betaling van de in artikel 2 van die wet bedoelde voordelen is gehouden nadat, op initiatief van de werknemer, een verzoek daartoe is ingediend op de door de Koning voorgeschreven wijze;
Overwegende dat de werknemer geen op de Sluitingsfondswet gefundeerde opeisbare vordering heeft voordat is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij artikel 6 van de Sluitingsfondswet en van het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van dat artikel en voordat een redelijke termijn voor het onderzoek van de aanvraag, het nemen van de beslissing en de uitbetaling is verstreken;
Overwegende dat moratoire interest slechts verschuldigd is, wanneer de verbintenis tot betaling van een bepaalde geldsom met vertraging is uitgevoerd; dat de verbintenis niet met vertraging wordt uitgevoerd zolang de schuld niet opeisbaar is;
Overwegende dat het arbeidshof beslist dat "het begrip 'redelijke termijn' door (eiser) ingeroepen, (...) geen grondslag (vindt) in de wetgeving terzake, zodat de betaling door (eiser) dient te gebeuren vanaf de aanvraag van (verweerder), zijnde de vervaldag van de hoofdsom, tot betaling van de verschuldigde vergoedingen, terzake vanaf 26.2.1986";
Dat het aldus de voormelde wettelijke bepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten;
Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Gent.