Hof van Cassatie: Arrest van 8 Februari 1991 (België). RG 7014

Datum :
08-02-1991
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19910208-1
Rolnummer :
7014

Samenvatting :

De plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen tijdens welke geen middel is aangevoerd en geen debatten zijn gehouden, behoeft niet in het openbaar te geschieden.

Arrest :

Selecteer tekst om te onderstrepen of annotaties te maken bij het document
HET HOF; - Gelet op het bestreden vonnis, op 14 juni 1989 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde;
Over het middel : schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950 (wet van 13 mei 1955), van de artikelen 96 en 97 van de Grondwet en van artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het bestreden vonnis, verwijzend naar de "bij tussenvonnis dezer rechtbank van 16 juni 1988 bevolen plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen op 28 september 1988 om 14.30 uur (en) het naar aanleiding daarvan opgesteld proces-verbaal berustend in het bundel der rechtspleging" (bestreden vonnis, p. 1), het hoger beroep van eerste eiser ongegrond verklaart en het hoger beroep van verweerders ontvankelijk en gegrond; het genoemde proces-verbaal van 28 september 1988 onder andere de opvatting van appellant (thans eerste eiser) Van den Bossche weergeeft omtrent de litigieuze erfdienstbaarheid en bovendien aangeeft at "de rechtbank vervolgens een voorstel doet tot minnelijke regeling van het tussen partijen hangende geschil, welk voorstel tot geen resultaat leidt" (genoemd proces-verbaal, p. 2); uit deze vaststellingen derhalve blijkt dat tijdens deze plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen zowel (minstens door partij Van den Bossche) middelen werden voorgedragen als debatten werden gevoerd (over een voorstel tot minnelijke regeling); het genoemd proces-verbaal echter nergens vaststelt dat deze plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen in het openbaar geschiedde,
terwijl, naar luid van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950 (wet van 13 mei 1955), een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht heeft, in beginsel, op een openbare behandeling van zijn zaak; naar luid van artikel 96 de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar zijn, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden, in welk geval zulks door de rechtbank bij vonnis wordt verklaard; naar luid van artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek onder meer de pleidooien en de verslagen openbaar zijn (behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen), zodat het bestreden vonnis, nu het verwijst naar het proces-verbaal van de bij tussenvonnis bevolen plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen van 28 september 1988 en nu het dit proces-verbaal niet uit de debatten weert, alhoewel genoemd proces-verbaal manifest een verslag is van een zitting van de rechtbank tijdens welke middelen werden voorgedragen door minstens één partij en/of debatten werden geweerd (lees : gevoerd), en alhoewel uit niets blijkt dat deze zitting openbaar was noch dat er enige vastgestelde reden was om af te wijken van het door genoemde bepalingen voorgeschreven beginsel van openbaarheid, de in het middel aangewezen bepalingen omtrent de openbaarheid van enerzijds zittingen van rechtbanken en van anderzijds pleidooien en verslagen schendt (schending derhalve van enerzijds artikel 6.1 van genoemd Europees verdrag en van artikel 96 van de Grondwet, en van anderzijds artikel 757 van het Gerechtelijk wetboek); het bestreden vonnis minstens, nu het verwijst naar genoemd proces-verbaal dat op geen wijze uw Hof toelaat na te gaan of genoemde plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen (waarbij middelen werden voorgedragen en/of debatten werden gevoerd) openbaar was en derhalve uw Hof de wettigheidscontrole op dit punt onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen is omkleed en derhalve schending inhoudt van artikel 97 van de Grondwet en niet wettig verantwoord is (s
chending van alle in het middel ingeroepen beschikkingen) :
Overwegende dat het middel geheel berust op de stelling dat tijdens de bij een vonnis bevolen plaatsopneming met persoonlijke verschijning van partijen, althans door eiser, middelen werden voorgedragen en debatten werden gevoerd; dat de eisers niet stellen dat de plaatsopneming of de persoonlijke verschijning als zodanig in het openbaar moet geschieden;
Overwegende dat het proces-verbaal van de genoemde onderzoeksverrichtingen niet vermeldt dat partijen zijn gehoord in hun middelen en conclusies;
Dat het middel (...) niet kan worden aangenomen;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt de eisers in de kosten.