Hof van Cassatie: Arrest van 8 Oktober 1999 (België). RG C980040F

Datum :
08-10-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19991008-5
Rolnummer :
C980040F

Samenvatting :

Wanneer de verzekeraar van een bank haar vergoed heeft voor de schade die een van haar klanten heeft geleden door het verlies van een postzending, en de bank die klant heeft vergoed, treedt voornoemde verzekeraar krachtens de wet in de rechten van de bank, nu zij zelf in de rechten van de klant is getreden; de verzekeraar kan met die klant een naamleningsovereenkomst sluiten, waardoor die klant in naam van de verzekeraar van de post schadevergoeding mag vorderen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 1 oktober 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, rechtdoende als rechtscollege waarnaar de zaak is verwezen;
Gelet op het arrest van het Hof van 25 november 1993;
Over het middel: schending van de artikelen 6, 1131, 1133, 1134, 1165, 1249, 1251, 3°, 1984 van het Burgerlijk Wetboek, 17, 702, 3°, 807, 1042, 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, 18 (zoals het van toepassing was voor de wijziging ervan bij de wet van 21 maart 1991 en, voor zover nodig, als gewijzigd bij voornoemde wet), 22, 23, 34 van de wet van 26 december 1956 op de Postdienst en 149 van de gecoördineerde Grondwet, miskenning van het beschikkingsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging,
doordat het vaststaat en niet betwist wordt dat de bankiers van de verweerders de verzekeringnemers waren en door de verzekeringsmaatschappijen schadeloos zijn gesteld voor het verlies van de gestolen diamanten, dat het bestreden arrest bijgevolg het beroepen vonnis wijzigt, de door eiseres tegen de rechtsvordering van de verweerders opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid afwijst en aan de laatstgenoemden de door hen gevorderde bedragen toekent op de volgende grond: "nu het ging om een rechtsvordering van naamleners (de diamanthandelaars) die door hun lastgevers (de verzekeraars van de banken) voor hun eigen schade schadeloos waren gesteld, en aangezien die naamleners 'voor rekening van de verzekeraars' handelden, moet bijgevolg worden nagegaan of de bij artikel 18 van de wet van 26 december 1956 op de Postdienst gestelde voorwaarden voor de toekenning van een vergoeding in geval van verlies van een aangetekende zending door de lastgevers waren vervuld; (...) immers, naar luid van voornoemd artikel 18, kan alleen de afzender eventueel een vergoeding krijgen in geval van verlies van een aangetekende zending; (...) de lastgevers waren weliswaar geen afzenders; maar (...) zij kunnen zich in casu op een indeplaatsstelling krachtens de wet beroepen; gelet op de omstandigheden van de zaak, ging het immers om een trapsgewijze indeplaatsstelling, namelijk de indeplaatsstelling van de verzekeraars in de rechten van de banken wier schade zij betaald hebben, en de indeplaatsstelling van de banken in de rechten van de afzenders, waarbij de banken, die de verzendingen moesten verzekeren, de door hen ontvangen verzekeringsvergoedingen aan de afzenders hebben terugbetaald; (...) bijgevolg zijn door het instellen van de onderhavige rechtsvordering, noch de wet van 26 december 1956 op de Postdienst, noch het Burgerlijk Wetboek geschonden, aangezien het wettelijk begrip geoorloofde naamlening in casu van toepassing is, gelet op het feit dat de verzekeraars-lastgevers uiteindelijk in de rechten getreden zijn van de diamanthandelaars-afzenders, daar (eiseres), indien de rechtsvordering door de verzekeraars was ingesteld, niet had kunnen aanvoeren dat ze de rechten van de afzenders niet konden uitoefenen gelet op de trapsgewijze indeplaatsstelling waarop die verzekeraars zich hadden kunnen beroepen; (...) de rechtsvordering is dus niet onontvankelijk bij gebrek aan belang, daar de naamleningsovereenkomst geoorloofd was, en de rechten (van eiseres) zijn niet aangetast door het feit dat de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van een vergoeding in geval van verlies van een aangetekende zending werden ontweken, daar er indeplaatsstelling was geschied; de vorderingen zijn bijgevolg ontvankelijk en gegrond (...)",
terwijl, (...)
derde onderdeel, iedere betaling met indeplaatsstelling in de zin van de artikelen 1249 en volgende van het Burgerlijk Wetboek veronderstelt dat een schuld ten aanzien van degene in wiens rechten de indeplaatsstelling moet geschieden, daadwerkelijk, tot kwijting van de schuldenaar, betaald is door een derde die handelt voor zijn rekening; de gevallen van indeplaatsstelling krachtens de wet, onder voorbehoud van bijzondere wetten die in casu niet van toepassing zijn, opgesomd worden in artikel 1251 van het Burgerlijk Wetboek; krachtens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek (het enige geval van indeplaatsstelling krachtens de wet dat in casu relevant is in de verhouding tussen de banken en de verweerders) indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt ten voordele van degene die met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde en er belang bij had deze te voldoen; de banken in casu slechts wettelijk in de rechten van de verweerders zouden zijn getreden, indien die verweerders dus, met toepassing van de voornoemde wetsbepalingen, schuldeisers van de verzekeraars waren geweest, de banken met of voor die verzekeraars tot betaling gehouden waren en de banken de bedragen aan eerstgenoemden hadden betaald tot kwijting van de verzekeraars; uit de loutere vaststelling dat de banken de verweerders een bedrag hebben betaald, derhalve niet in se kan worden afgeleid dat de eerstgenoemden krachtens de wet in de rechten van de verweerders zijn getreden; uit de dagvaarding tot verwijzing van de verweerders, en meer bepaald uit de bewoordingen van de hierboven aangehaalde brief van de bankiers, waarvan de gegevens door eiseres niet werden betwist, daarentegen blijkt dat de verweerders geen schuldeisers, maar wel schuldenaars van de banken waren wegens de opening van de kredietlijnen (dat is de reden waarom de rekening-courant met het bedrag van de verzekeringsvergoedingen werd gecrediteerd) en dat de banken geen schuld betaalden tot kwijting van een schuldenaar, aangezien de verzekeraars niet de schuldenaar van de afzenders waren, maar wel die van de banken, de verzekeringnemers; het arrest bijgevolg, nu het de beslissing dat de vordering van de verweerders ontvankelijk is, hierop grondt dat de banken krachtens de wet in de rechten van de verweerders waren getreden, en daartoe als enige grond opgeeft dat de banken de verweerders hebben gecrediteerd, zonder daarbij vast te stellen dat was voldaan aan de overige wettelijke toepassingsvoorwaarden voor het bestaan van indeplaatsstelling krachtens de wet, die door de verweerders werden betwist zonder op dat punt door eiseres te worden tegengesproken, de artikelen 1249 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek schendt; het arrest althans, nu het niet preciseert op welke wettelijke grondslag het hof van beroep in casu beslist dat de banken krachtens de wet in de rechten van de verweerders zijn getreden, het Hof niet in staat stelt de beslissing te toetsen en derhalve niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet); het arrest voorts, nu het beslist dat bijgevolg "door het instellen van de onderhavige rechtsvordering, noch de wet van 26 december 1956 op de Postdienst noch het Burgerlijk Wetboek zijn geschonden, aangezien het wettelijk begrip geoorloofde naamlening in casu van toepassing is, gelet op het feit dat de verzekeraars-lastgevers uiteindelijk in de rechten getreden zijn van de diamanthandelaars-afzenders", tevens de artikelen 6, 1131, 1133, 1134, 1165, 1984 van het Burgerlijk Wetboek, 17 van het Gerechtelijk Wetboek, 18 (zoals het van toepassing was voor de wijziging ervan bij de wet van 21 maart 1991 en, voor zover nodig, als gewijzigd bij voornoemde wet), 22, 23, 34 van de wet van 26 december 19
56 op de Postdienst schendt en aldus in strijd met de wet beslist dat de met de verweerders gesloten naamleningsovereenkomst geldig is en derhalve dat hun rechtsvordering ontvankelijk is;
Wat het derde onderdeel betreft:
Overwegende dat, luidens artikel 1249 van het Burgerlijk Wetboek, indeplaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten voordele van een derde persoon die hem betaalt, geschiedt bij overeenkomst of krachtens de wet;
Dat, krachtens artikel 1251, 3°, van dat wetboek, indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt ten voordele van degene die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen;
Overwegende dat het arrest erop wijst dat de vordering was ingesteld door de verweerders die handelden voor rekening van de verzekeraars en vervolgens oordeelt dat de verweerders "zich kunnen beroepen op indeplaatsstelling krachtens de wet; dat het, gelet op de omstandigheden van de zaak, immers ging om een trapsgewijze indeplaatsstelling, namelijk de indeplaatsstelling van de verzekeraars in de rechten van de banken wier schade zij betaald hebben, en de indeplaatsstelling van de banken in de rechten van de afzenders, waarbij de banken, die de verzendingen moesten verzekeren, de door hen ontvangen verzekeringsvergoedingen aan de afzenders hebben terugbetaald";
Dat het hof van beroep aldus, zonder de artikelen 1249 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek te schenden, de reden aangeeft waarom het besliste dat de banken krachtens de wet in de rechten van de verweerders waren getreden; dat het terecht beslist dat de met de verweerders gesloten naamleningsovereenkomst geldig is en dus dat hun rechtsvordering ontvankelijk is;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.