Hof van Cassatie: Arrest van 9 December 1991 (België). RG 9237
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19911209-5
- Rolnummer :
- 9237
Samenvatting :
De arbeidsovereenkomst inzake een bouwkundige opdracht is strijdig met de openbare orde wanneer zij is gesloten met een werknemer die zodanige opdracht niet mag uitvoeren; in dat geval is de overeenkomst volstrekt nietig. ( Art. 5 Architectenwet; art. 6 Burgerlijk Wetboek. )
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 24 oktober 1990 door het Arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau, gewezen;
Over het eerste middel : schending van de artikelen 6, 1108, 1126, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek, 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten en, bijgevolg, 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978,
doordat het arrest vooraf vaststelt dat het voorwerp van de arbeidsovereenkomst tussen de partijen "de uitvoering is van de "bouwkundige opdracht die door de feitelijke vereniging C.P.E.I. in onderaanneming aan de werkgever, die daarvan deel uitmaakt, is toevertrouwd, en die betrekking heeft op het toezicht op de afwerking van de ruwbouw en het opstellen van de definitieve ontwerpen inzake afwerking en speciale technieken tot de fase van het indienen van de stukken voor de aanbesteding (...)"; (dat) het bijgevolg duidelijk is dat (verweerder) is aangenomen om als architect op te treden, hoewel dat in de overeenkomst niet uitdrukkelijk wordt vermeld; (dat) is aangetoond dat hij plannen heeft getekend (...)", verder vaststelt dat verweerder niet is ingeschreven bij een Orde en terecht vaststelt dat het beroep van architect beschermd is, vervolgens toch de exceptie van nietigheid van die overeenkomst afwijst en eiser bijgevolg veroordeelt om aan verweerder een vergoeding ten belope van 1.959.701 frank te betalen wegens beëindiging van een duidelijk omschreven arbeidsovereenkomst, op grond dat : "Zulks evenwel niet impliceert dat de arbeidsovereenkomst voor handelingen van een architect, die gesloten is met een architect die niet bij een Orde is ingeschreven, nietig is en tussen de partijen geen gevolg kan hebben, wat erop neerkomt dat de werkgever de werknemer voor het geleverde werk niet zou hoeven te betalen. Er is immers geen geoorloofde oorzaak noch een ongeoorloofd voorwerp. De oorzaak van de overeenkomst is het loon van de werkgever voor het werk van de werknemer. Die oorzaak is niet ongeoorloofd. Het voorwerp van de overeenkomst is een bouwkundige opdracht. Dat voorwerp is vanzelfsprekend niet ongeoorloofd. De schending van een wettelijke verplichting inzake de bescherming van het beroep leidt niet tot nietigheid van de arbeidsovereenkomst",
terwijl, enerzijds, de overeenkomst, ingevolge de artikelen 6, 1108, 1126, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, alleen geldig is als het voorwerp en de oorzaak ervan geoorloofd zijn; zij bij ontstentenis daarvan nietig is en, bijgevolg, ingevolge artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek, geen gevolg heeft; de rechter, wanneer het voorwerp van de overeenkomst een arbeidsprestatie is, bij de beoordeling van het geoorloofd karakter van het voorwerp en de oorzaak, moet nagaan of een wettelijke bepaling van openbare orde de medecontractant niet verbiedt de in de overeenkomst beoogde prestatie te leveren, en zich niet kan beperken tot de beslissing dat de prestatie op zichzelf niet geoordeeld is; anderzijds, de wet van 26 juni 1963 die, in het algemeen belang, de uitoefening van het beroep van architect regelt, en inzonderheid haar artikel 5, dat bepaalt dat niemand het beroep van architect in welke hoedanigheid ook mag uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde is ingeschreven of als hij daartoe niet is gemachtigd, een bepaling van openbare orde is; daaruit volgt dat het arrest, dat vaststelt dat verweerder is aangenomen om als architect op te treden terwijl hij niet bij een Orde is ingeschreven, maar niettemin weigert de nietigheid van die overeenkomst uit te spreken, de artikelen 6, 1108, 1126, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek en 5 van de wet van 26 juni 1963 schendt; het bijgevolg artikel 40 van de wet van 3 juli 1978 schendt :
Overwegende dat het arrest zegt dat de verweerder "is aangenomen om als architect op te treden, hoewel dat in de overeenkomst niet uitdrukkelijk wordt vermeld. Er is aangetoond dat hij plannen heeft getekend"; dat het vaststelt dat de betrokkene, zo hij architect is, niet op een tabel van de Orde is ingeschreven;
Overwegende dat artikel 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten bepaalt dat niemand in België het beroep van architect in welke hoedanigheid ook mag uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde of een lijst van stagiairs is ingeschreven of als hij daartoe niet gemachtigd is overeenkomstig artikel 8, derde lid;
Overwegende dat die wetsbepaling, die de uitoefening van het beroep van architect regelt, van openbare orde is; dat de overeenkomst die met schending van die bepaling is gesloten, volstrekt nietig is;
Dat het arbeidshof bijgevolg niet zonder schending van de in het middel aangevoerde bepalingen heeft kunnen beslissen dat verweerder recht had op een opzeggingsvergoeding;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Over het eerste middel : schending van de artikelen 6, 1108, 1126, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek, 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten en, bijgevolg, 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978,
doordat het arrest vooraf vaststelt dat het voorwerp van de arbeidsovereenkomst tussen de partijen "de uitvoering is van de "bouwkundige opdracht die door de feitelijke vereniging C.P.E.I. in onderaanneming aan de werkgever, die daarvan deel uitmaakt, is toevertrouwd, en die betrekking heeft op het toezicht op de afwerking van de ruwbouw en het opstellen van de definitieve ontwerpen inzake afwerking en speciale technieken tot de fase van het indienen van de stukken voor de aanbesteding (...)"; (dat) het bijgevolg duidelijk is dat (verweerder) is aangenomen om als architect op te treden, hoewel dat in de overeenkomst niet uitdrukkelijk wordt vermeld; (dat) is aangetoond dat hij plannen heeft getekend (...)", verder vaststelt dat verweerder niet is ingeschreven bij een Orde en terecht vaststelt dat het beroep van architect beschermd is, vervolgens toch de exceptie van nietigheid van die overeenkomst afwijst en eiser bijgevolg veroordeelt om aan verweerder een vergoeding ten belope van 1.959.701 frank te betalen wegens beëindiging van een duidelijk omschreven arbeidsovereenkomst, op grond dat : "Zulks evenwel niet impliceert dat de arbeidsovereenkomst voor handelingen van een architect, die gesloten is met een architect die niet bij een Orde is ingeschreven, nietig is en tussen de partijen geen gevolg kan hebben, wat erop neerkomt dat de werkgever de werknemer voor het geleverde werk niet zou hoeven te betalen. Er is immers geen geoorloofde oorzaak noch een ongeoorloofd voorwerp. De oorzaak van de overeenkomst is het loon van de werkgever voor het werk van de werknemer. Die oorzaak is niet ongeoorloofd. Het voorwerp van de overeenkomst is een bouwkundige opdracht. Dat voorwerp is vanzelfsprekend niet ongeoorloofd. De schending van een wettelijke verplichting inzake de bescherming van het beroep leidt niet tot nietigheid van de arbeidsovereenkomst",
terwijl, enerzijds, de overeenkomst, ingevolge de artikelen 6, 1108, 1126, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, alleen geldig is als het voorwerp en de oorzaak ervan geoorloofd zijn; zij bij ontstentenis daarvan nietig is en, bijgevolg, ingevolge artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek, geen gevolg heeft; de rechter, wanneer het voorwerp van de overeenkomst een arbeidsprestatie is, bij de beoordeling van het geoorloofd karakter van het voorwerp en de oorzaak, moet nagaan of een wettelijke bepaling van openbare orde de medecontractant niet verbiedt de in de overeenkomst beoogde prestatie te leveren, en zich niet kan beperken tot de beslissing dat de prestatie op zichzelf niet geoordeeld is; anderzijds, de wet van 26 juni 1963 die, in het algemeen belang, de uitoefening van het beroep van architect regelt, en inzonderheid haar artikel 5, dat bepaalt dat niemand het beroep van architect in welke hoedanigheid ook mag uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde is ingeschreven of als hij daartoe niet is gemachtigd, een bepaling van openbare orde is; daaruit volgt dat het arrest, dat vaststelt dat verweerder is aangenomen om als architect op te treden terwijl hij niet bij een Orde is ingeschreven, maar niettemin weigert de nietigheid van die overeenkomst uit te spreken, de artikelen 6, 1108, 1126, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek en 5 van de wet van 26 juni 1963 schendt; het bijgevolg artikel 40 van de wet van 3 juli 1978 schendt :
Overwegende dat het arrest zegt dat de verweerder "is aangenomen om als architect op te treden, hoewel dat in de overeenkomst niet uitdrukkelijk wordt vermeld. Er is aangetoond dat hij plannen heeft getekend"; dat het vaststelt dat de betrokkene, zo hij architect is, niet op een tabel van de Orde is ingeschreven;
Overwegende dat artikel 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten bepaalt dat niemand in België het beroep van architect in welke hoedanigheid ook mag uitoefenen als hij niet op één van de tabellen van de Orde of een lijst van stagiairs is ingeschreven of als hij daartoe niet gemachtigd is overeenkomstig artikel 8, derde lid;
Overwegende dat die wetsbepaling, die de uitoefening van het beroep van architect regelt, van openbare orde is; dat de overeenkomst die met schending van die bepaling is gesloten, volstrekt nietig is;
Dat het arbeidshof bijgevolg niet zonder schending van de in het middel aangevoerde bepalingen heeft kunnen beslissen dat verweerder recht had op een opzeggingsvergoeding;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel.