Hof van Cassatie: Arrest van 9 December 1994 (België). RG C930103N

Datum :
09-12-1994
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19941209-14
Rolnummer :
C930103N

Samenvatting :

Uit art. 57, alinéa 5, Financieringswet 16 jan. 1989 volgt dat, wanneer een gerechtelijke procedure hangende was inzake de verplichtingen betreffende de krachtens alinéa 2 van hetzelfde artikel aan de Gewesten overgedragen roerende en onroerende goederen, waaronder de onbevaarbare waterlopen, de Belgische Staat enkel schuldenaar blijft van de verplichtingen waarover een eindbeslissing is gewezen die op 31 dec. 1988 kracht van gewijsde had.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 29 juni 1992 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 57, in het bijzonder alinéa alinéa 2, 4 en 5 en 61, alinéa 1, eerste alinea, van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, 6, alinéa 1, X, 1° en 2° van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en voor zoveel als nodig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van eiser ongegrond verklaart en het beroepen vonnis bevestigt waarbij eiser in zijn hoedanigheid van bewaarder van een gebrekkige zaak, t.w. een duiker aan de Wielebeek, werd veroordeeld tot betaling aan eerste verweerders van een schadevergoeding van 878.100 BF, en tot betaling aan tweede verweerster van een schadevergoeding van 143.585 BF, telkens te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 12 april 1985 tot op 7 april 1987, met de gerechtelijke intresten tot op de dag van volledige betaling, en met de gedingkosten,
terwijl overeenkomstig artikel 57, alinéa 5 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de Gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat overnemen betreffende de hun krachtens dit artikel overgedragen goederen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures; dat overeenkomstig artikel 61, alinéa 1, eerste alinea van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de Gewesten, tenzij in deze wet anders wordt bepaald, de rechten en verplichtingen overnemen van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hun worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dit met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures; dat het Vlaams Gewest krachtens artikel 6, alinéa 1, X, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen "wat de openbare werken en het vervoer betreft" met ingang van 1 januari 1989 bevoegd is voor "de waterwegen en hun aanhorigheden"; dat onder "waterwegen" moet verstaan worden "de waterlopen en de kanalen en alles wat nodig is voor het beheer en de exploitatie ervan (dus ook bijvoorbeeld uitbaggering); dat de "aanhorigheden" van de waterweg "deze elementen zijn, die de waterweg in stand houden en bij dragen tot de waterhuishouding (... )" (Gedr. St., Kamer, B.Z., 1988, nr. 516/1, 13 e.v.); dat ingevolge artikel 57, alinéa 2 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaatdomein, die ressorteren onder de bevoegdheid van de Gewesten krachtens artikel 6, alinéa 1, X, van voornoemde wet van 8 augustus 1980, worden overgedragen aan het Gewest naar gelang van hun ligging; dat overeenkomstig artikel 57, alinéa 4 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten die overdracht van rechtswege wordt uitgevoerd en zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar is aan derden, vanaf de inwerkingtreding van de wet, zijnde 1 januari 1989 (artikel 89 van de bijzondere financieringswet); dat aan het Vlaamse Gewest, bevoegd voor de waterwegen en hun aanhorigheden, dientengevolge vanaf 1 januari 1989 van rechtswege de Wielebeek werd overgedragen, en het Vlaamse Gewest is getreden in de rechten en verplichtingen dienaangaande van de Belgische Staat; dat het Vlaamse Gewest inzonderheid is getreden
in de rechten en verplichtingen van eiser verbonden aan het bij het bestreden arrest beslecht geschil; dat het inderdaad gaat om een hangende gerechtelijke procedure nu op 31 december 1988 geen in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing is tussengekomen; het hof van beroep derhalve door eiser te veroordelen daar waar het Vlaamse Gewest in zijn rechten en verplichtingen is getreden de in het middel aangeduide wetsbepalingen die de openbare orde raken, schendt :
Overwegende dat het arrest het beroepen vonnis bevestigt dat vaststelt dat de verweerders de Belgische Staat hebben gedagvaard op grond dat een gebouw dat hun eigendom is of dat zij uitbaten, op 12 april 1985 werd getroffen door wateroverlast afkomstig van de achterliggende beek; dat dit vonnis beslist dat de schade te wijten is aan de gebreken van een duikerhoofd dat door de Staat was aangelegd en toen onder zijn bewaring was; dat het vonnis de Staat op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek veroordeelt de geleden schade te betalen;
Overwegende dat de Gewesten, ingevolge het bepaalde in artikel 61, alinéa 1, eerste lid, van de Financieringswet van 16 januari 1989, tenzij in deze wet anders wordt bepaald, de verplichtingen hebben overgenomen die betrekking hebben op de bevoegdheden die hun zijn toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de verplichtingen die voortkomen uit hangende gerechtelijke procedures;
Dat artikel 61, alinéa 2, van de voornoemde Financieringswet bepaalt dat de artikelen 1, 2 en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en Gewesten en betreffende de nationale economische sectoren, van toepassing blijven, voor zover zij verwijzen naar aangelegenheden bedoeld bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de wet tot oprichting van gemeenschaps- en gewestelijke instellingen, gecoördineerd op 20 juli 1979, zonder dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen die in deze wetten zijn aangebracht na de inwerkingtreding van voornoemde wet van 5 maart 1984;
Dat de in het voren bedoelde artikel 61, alinéa 1, van de Financieringswet bepaalde rechtsopvolging aldus beperkt is tot de bevoegdheden die aan de Gemeenschappen en Gewesten werden overgedragen bij voornoemde wet van 8 augustus 1988;
Dat, overeenkomstig artikel 6, alinéa 1, III, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de Gewesten bevoegd zijn voor de landbouwhydraulica en de onbevaarbare waterlopen; dat de voornoemde wet van 8 augustus 1988 de bevoegdheid voor de aangelegenheden van "landbouwhydraulica en de onbevaarbare waterlopen" niet aan het Gewest heeft overgedragen, zodat de rechtsopvolging bedoeld in artikel 61, alinéa 1, te dezen niet kon worden vastgesteld door de appelrechters;
Overwegende evenwel dat, krachtens artikel 57, alinéa 2, van de Financieringswet van 16 januari 1989, de goederen van de Staat die ressorteren onder de bevoegdheid van de Gewesten krachtens artikel 6, alinéa 1, III, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en die in het Vlaamse Gewest zijn gelegen, aan het Vlaamse Gewest zonder vergoeding worden overgedragen;
Dat, krachtens artikel 57, alinéa 5, eerste lid, van die Financieringswet, de Gemeenschappen en de Gewesten de rechten en de verplichtingen overnemen van de Staat betreffende de hen krachtens dit artikel overgedragen goederen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures; dat, krachtens artikel 57, alinéa 5, tweede lid, de Staat echter de verantwoordelijkheid blijft dragen voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering kon worden geëist voor de eigendomsoverdracht wat de goederen betreft waarvan sprake is in dit artikel;
Dat, wanneer een gerechtelijke procedure hangende is inzake de verplichtingen die in rechtstreeks verband staan met de aan de Gewesten overgedragen goederen, te dezen de onbevaarbare waterlopen, de Staat enkel schuldenaar blijft van de verplichtingen waarover voor 1 januari 1989 een in kracht van gewijsde gegane beslissing was gewezen;
Dat het arrest dat na die laatste datum de Staat, als bewaarder van de onbevaarbare waterloop, veroordeelt de gevolgen van de overstroming te dragen, artikel 57, alinéa 5, van de Financieringswet schendt;
Dat het middel in zoverre gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.