Hof van Cassatie: Arrest van 9 December 2002 (België). RG S010096F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20021209-8
- Rolnummer :
- S010096F
Samenvatting :
Artikel 3, 5° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 stelt de voorwaarden vast waaronder de vervoerders van goederen onderworpen zijn aan de sociale zekerheid voor werknemers; één van die voorwaarden in dat artikel is dat het vervoer moet opgedragen zijn aan de personen die het verrichten (1). (1) Zie concl. O.M.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. S.01.0096.F.-
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,
Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
CARMA TRANSPORT,
Mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 21 december 2000 gewezen door het Arbeidshof te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Daniel Plas heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddel
Eiser voert een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1, ,§ 1, en 2, ,§ 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ;
- artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juni 1970, artikel 1, 2° ;
- de artikelen 1, 2°, 70, 129, 130 en 136 van de gecoördineerde wetten van 30 november 1935 op de handelsvennootschappen (boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel) ;
- artikel 1857 van het Burgerlijk Wetboek voor de opheffing ervan bij de wet van 7 mei 1999 (thans artikel 34 van de nieuwe vennootschapswet van 7 mei 1999).
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest wijst, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, de door eiser tegen verweerster ingestelde rechtsvordering tot betaling van de hoofdsom van 5.436.606 BEF, vermeerderd met de interest en de kosten, zijnde de sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en kosten die voor de tewerkstelling van de heren B.P. en K.B. verschuldigd zijn voor het tijdvak van het derde kwartaal 1993 tot het eerste kwartaal 1998, af op de volgende gronden :
"De toepassing van de wet (van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) is uitgebreid 'tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming wordt opgedragen, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemers, alsmede tot die ondernemer' ;
Zowel wat het goederenvervoer als wat het personenvervoer betreft sluit de omstandigheid dat een chauffeur deelbewijzen in de vervoeronderneming heeft in beginsel de toepassing van het bepaalde in artikel 3, 5° of 5°bis, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet uit (...) ;
Die rechtspraak is ingegeven door de gewettigde zorg bedrog te voorkomen waarbij de vervoerders in het bezit zouden worden gesteld van deelbewijzen teneinde van hen vennoten te maken, zonder dat hun bedrijvigheid voortvloeit uit een werkelijke affectio societatis in de zin waarin het Hof van Cassatie dat opvat (2 februari 1981, A.C., 1980-81, nr. 330) ;
Uit de memorie van toelichting bij de wet van 27 juni 1969 blijkt dat de in artikel 2, ,§ 1, bedoelde uitbreiding 'de personen bedoelt welke men schematisch 'marginale werknemers' heeft genoemd, want, wegens een enkel theoretische onafhankelijkheid zijn ze wederrechtelijk aan de regeling voor de sociale zekerheid onttrokken terwijl ze in feite op dezelfde wijze hun arbeid verrichten als de werknemers' (...) ;
Dat is zeer zeker het geval met vervoerders die slechts een onaanzienlijk aantal deelbewijzen bezitten in de onderneming waarvoor zij arbeidsprestaties verrichten ;
Te dezen hadden de vervoerders op wie (eiser) het bepaalde in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft willen toepassen, reeds bij de oprichting van de vennootschap een deelneming - 180 tot 570 van de 750 deelbewijzen - in handen waardoor zij, nog voor zij zaakvoerder werden, in een positie verkeerden die elk bedrog dat bedoeld zou zijn om zich te onttrekken aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers uitsloot (...) ;
Het bepaalde in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 is ten slotte niet van toepassing wanneer de betrokkene zich kan beroepen op een interne band met de vervoeronderneming (...) ;
Sedert februari 1995, dat is thans al meer dan vijf jaar, zijn de heren P.B. en B.K. zaakvoerder in wat uitsluitend hun vennootschap is geworden ;
Aangezien zij die functie vervulden in een vennootschap waarvan zij thans alle deelbewijzen bezitten, konden zij van die vennootschap geen 'opdrachten' voor goederenvervoer krijgen in de zin van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 januari 1969".
Grieven
Het arrest herinnert eraan dat de toepassing van de wet van 27 juni 1969 door artikel 3, 5°, van voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 is uitgebreid tot allen die vervoer van goederen verrichten voor rekening van een onderneming en door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop door die onderneming gefinancierd is.
Het wordt niet betwist dat zulks wel degelijk het geval is met de heren B. en K.
In strijd met wat het arrest zegt sluit de omstandigheid dat de heren B. en K. mettertijd meerderheidsaandeelhouders geworden zijn, ja zelfs alle aandelen in handen hebben gekregen, de toepassing van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet uit, daar vaststaat dat de heren B. en K. zijn doorgegaan met het verrichten van vervoer in opdracht van verweerster en door middel van haar vrachtwagens.
Het kan niet worden betwist dat het vervoer door verweerster was "opgedragen", aangezien, zoals het arrest heeft vastgesteld, de heren B. en K. tot februari 1995 geen enkele functie als zaakvoerder vervulden in de vennootschap, verweerster, en dat zij na februari 1995 hun activiteiten als vervoerder hebben voortgezet, ofschoon zij intussen zaakvoerder waren geworden.
Artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 is een bepaling die het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 heeft verruimd tot personen die (niet) door een arbeidsovereenkomst met een ander verbonden zijn en die niet noodzakelijk arbeid verrichten onder het gezag van die andere persoon (artikel 2, ,§ 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969).
Bijgevolg heeft het feit dat de heren B. en K. vanaf februari 1995 benoemd zijn tot zaakvoerders van verweerster geen invloed op de toepassing van het bovenaangehaalde artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
Verweerster is een rechtspersoon die te onderscheiden is zowel van haar aandeelhouders als van haar zaakvoerders (cf. onder meer de artikelen 70, 129, 130 en 136 van boek I, titel IX van het Wetboek van Koophandel, gecoördineerde wetten van 30 november 1935 en artikel 1857 van het Burgerlijk Wetboek).
Voor de toepasselijkheid van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 doet de vraag of de heren B. en K. in hun hoedanigheid van aandeelhouders en zaakvoerders van de vennootschap, verweerster, "een interne band" met die vennootschap hebben niet terzake, aangezien zij niet samenvielen met verweerster en zij voor haar rekening goederenvervoer deden met voertuigen die hun niet toebehoorden.
Het arrest ontkent het trouwens niet maar betoogt alleen - en ten onrechte - dat, aangezien de heren B.
en K. meerderheidsaandeelhouders en zaakvoerders waren, verweerster hun niet kon "opdragen" vervoer voor haar te verrichten. Dat bezwaar treft geen doel, aangezien de toepassing van artikel 3, 5°, het bestaan van een gezagsverhouding niet vereist.
Het woord "opdragen" van vervoer betekent hier overigens niet "zijn gezag uitoefenen over iemand en hem zijn gedrag voorschrijven", maar iets "kopen" in de zin van een meubel of een taxi bestellen (cf. het woordenboek Robert).
Bijgevolg is de beslissing waarbij de rechtsvordering van eiser tegen verweerster werd verworpen op grond dat de heren B. en K. wegens hun hoedanigheid van aandeelhouders en zaakvoerders een "interne band" hebben met verweerster waardoor zij hun niet kon "opdragen" vervoer te doen, niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen).
IV. Beslissing van het Hof
Overwegende dat artikel 2, ,§ 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Adviesraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van deze wet kan uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst ;
Overwegende dat artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 ter uitvoering van die bepaling, de toepassing van de wet verruimt tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsook tot die ondernemer ;
Overwegende dat de aldus in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit aangewezen personen, onder de voorwaarden die het bepaalt, worden vermoed personen te zijn die tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst ; dat één van de in dat artikel genoemde voorwaarden is dat het vervoer moet zijn opgedragen aan de personen die het verrichten ;
Overwegende dat het arrest, na te hebben vastgesteld dat P.B. en B.K. ieder, bij de oprichting van de vennootschap, verweerster, op 17 mei 1993 in het bezit waren van 180 van de 750 deelbewijzen die overeenkomen met het kapitaal van de vennootschap en dat zij vanaf februari 1995 de functie van zaakvoerder uitoefenden in die vennootschap, vermeldt "dat, aangezien (de heren B. en K.) die functie vervullen in een vennootschap waarvan zij thans alle deelbewijzen bezitten, die vennootschap hun het goederenvoer niet kon 'opdragen' in de zin van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969" ;
Dat de appèlrechters op grond van die overweging gerechtigd waren de vordering die ertoe strekte verweerster te doen veroordelen tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en kosten voor de periode na 31 januari 1995 te verwerpen ;
Dat, in zoverre, het middel niet kan worden aangenomen ;
Overwegende daarentegen dat de appèlrechters hun beslissing waarbij de vordering voor de periode van het derde kwartaal van 1993 tot 31 januari 1995 wordt verworpen, niet naar recht hebben verantwoord met de overweging dat de heren B. en K. reeds bij de oprichting van de vennootschap en zelfs nog alvorens zaakvoerders ervan te worden, in het bezit waren van een deelneming waardoor "zij in een positie verkeerden die elk bedrog, dat bedoeld zou zijn om zich te onttrekken aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers uitsloot" en dat artikel 3, 5°, "niet van toepassing is wanneer de betrokkene zich kan beroepen op een interne band met de vervoeronderneming" ;
Dat, in zoverre, het middel gegrond is ;
Overwegende dat verweerster betoogt dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 een onweerlegbaar vermoeden van onderwerping aan de sociale zekerheid invoert, de personen die vervoeractiviteiten verrichten in een vennootschap, ten gevolge van dat vermoeden, automatisch en zonder uitzondering onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en hen belet het bewijs te leveren dat zij die activiteiten verrichten in de hoedanigheid van werkend vennoot of van zelfstandige ; dat zij daarin een discriminatie ziet en aan het Hof vraagt aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over dat artikel alsook over artikel 2, ,§ 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 krachtens hetwelk de Koning de toepassing van die wet mag verruimen tot personen die niet door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst ;
Overwegende dat de aangeklaagde discriminatie uitsluitend volgt uit het feit dat verweerster het in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 vervatte vermoeden als onweerlegbaar beschouwt ; dat genoemd artikel niet vermeld wordt in artikel 26, ,§ 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof ;
Dat er geen grond bestaat tot het stellen van de prejudiciële vraag ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en kosten voor de periode na 31 januari 1995 ;
Verwerpt de voorziening voor het overige ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Veroordeelt eiser in de helft van de kosten ; houdt de overige helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Pierre Marchal, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend en twee uitgesproken door eerste voorzitter Pierre Marchal, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,
Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
CARMA TRANSPORT,
Mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 21 december 2000 gewezen door het Arbeidshof te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Daniel Plas heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddel
Eiser voert een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1, ,§ 1, en 2, ,§ 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ;
- artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juni 1970, artikel 1, 2° ;
- de artikelen 1, 2°, 70, 129, 130 en 136 van de gecoördineerde wetten van 30 november 1935 op de handelsvennootschappen (boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel) ;
- artikel 1857 van het Burgerlijk Wetboek voor de opheffing ervan bij de wet van 7 mei 1999 (thans artikel 34 van de nieuwe vennootschapswet van 7 mei 1999).
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest wijst, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, de door eiser tegen verweerster ingestelde rechtsvordering tot betaling van de hoofdsom van 5.436.606 BEF, vermeerderd met de interest en de kosten, zijnde de sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en kosten die voor de tewerkstelling van de heren B.P. en K.B. verschuldigd zijn voor het tijdvak van het derde kwartaal 1993 tot het eerste kwartaal 1998, af op de volgende gronden :
"De toepassing van de wet (van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) is uitgebreid 'tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming wordt opgedragen, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemers, alsmede tot die ondernemer' ;
Zowel wat het goederenvervoer als wat het personenvervoer betreft sluit de omstandigheid dat een chauffeur deelbewijzen in de vervoeronderneming heeft in beginsel de toepassing van het bepaalde in artikel 3, 5° of 5°bis, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet uit (...) ;
Die rechtspraak is ingegeven door de gewettigde zorg bedrog te voorkomen waarbij de vervoerders in het bezit zouden worden gesteld van deelbewijzen teneinde van hen vennoten te maken, zonder dat hun bedrijvigheid voortvloeit uit een werkelijke affectio societatis in de zin waarin het Hof van Cassatie dat opvat (2 februari 1981, A.C., 1980-81, nr. 330) ;
Uit de memorie van toelichting bij de wet van 27 juni 1969 blijkt dat de in artikel 2, ,§ 1, bedoelde uitbreiding 'de personen bedoelt welke men schematisch 'marginale werknemers' heeft genoemd, want, wegens een enkel theoretische onafhankelijkheid zijn ze wederrechtelijk aan de regeling voor de sociale zekerheid onttrokken terwijl ze in feite op dezelfde wijze hun arbeid verrichten als de werknemers' (...) ;
Dat is zeer zeker het geval met vervoerders die slechts een onaanzienlijk aantal deelbewijzen bezitten in de onderneming waarvoor zij arbeidsprestaties verrichten ;
Te dezen hadden de vervoerders op wie (eiser) het bepaalde in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft willen toepassen, reeds bij de oprichting van de vennootschap een deelneming - 180 tot 570 van de 750 deelbewijzen - in handen waardoor zij, nog voor zij zaakvoerder werden, in een positie verkeerden die elk bedrog dat bedoeld zou zijn om zich te onttrekken aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers uitsloot (...) ;
Het bepaalde in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 is ten slotte niet van toepassing wanneer de betrokkene zich kan beroepen op een interne band met de vervoeronderneming (...) ;
Sedert februari 1995, dat is thans al meer dan vijf jaar, zijn de heren P.B. en B.K. zaakvoerder in wat uitsluitend hun vennootschap is geworden ;
Aangezien zij die functie vervulden in een vennootschap waarvan zij thans alle deelbewijzen bezitten, konden zij van die vennootschap geen 'opdrachten' voor goederenvervoer krijgen in de zin van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 januari 1969".
Grieven
Het arrest herinnert eraan dat de toepassing van de wet van 27 juni 1969 door artikel 3, 5°, van voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 is uitgebreid tot allen die vervoer van goederen verrichten voor rekening van een onderneming en door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop door die onderneming gefinancierd is.
Het wordt niet betwist dat zulks wel degelijk het geval is met de heren B. en K.
In strijd met wat het arrest zegt sluit de omstandigheid dat de heren B. en K. mettertijd meerderheidsaandeelhouders geworden zijn, ja zelfs alle aandelen in handen hebben gekregen, de toepassing van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet uit, daar vaststaat dat de heren B. en K. zijn doorgegaan met het verrichten van vervoer in opdracht van verweerster en door middel van haar vrachtwagens.
Het kan niet worden betwist dat het vervoer door verweerster was "opgedragen", aangezien, zoals het arrest heeft vastgesteld, de heren B. en K. tot februari 1995 geen enkele functie als zaakvoerder vervulden in de vennootschap, verweerster, en dat zij na februari 1995 hun activiteiten als vervoerder hebben voortgezet, ofschoon zij intussen zaakvoerder waren geworden.
Artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 is een bepaling die het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 heeft verruimd tot personen die (niet) door een arbeidsovereenkomst met een ander verbonden zijn en die niet noodzakelijk arbeid verrichten onder het gezag van die andere persoon (artikel 2, ,§ 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969).
Bijgevolg heeft het feit dat de heren B. en K. vanaf februari 1995 benoemd zijn tot zaakvoerders van verweerster geen invloed op de toepassing van het bovenaangehaalde artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
Verweerster is een rechtspersoon die te onderscheiden is zowel van haar aandeelhouders als van haar zaakvoerders (cf. onder meer de artikelen 70, 129, 130 en 136 van boek I, titel IX van het Wetboek van Koophandel, gecoördineerde wetten van 30 november 1935 en artikel 1857 van het Burgerlijk Wetboek).
Voor de toepasselijkheid van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 doet de vraag of de heren B. en K. in hun hoedanigheid van aandeelhouders en zaakvoerders van de vennootschap, verweerster, "een interne band" met die vennootschap hebben niet terzake, aangezien zij niet samenvielen met verweerster en zij voor haar rekening goederenvervoer deden met voertuigen die hun niet toebehoorden.
Het arrest ontkent het trouwens niet maar betoogt alleen - en ten onrechte - dat, aangezien de heren B.
en K. meerderheidsaandeelhouders en zaakvoerders waren, verweerster hun niet kon "opdragen" vervoer voor haar te verrichten. Dat bezwaar treft geen doel, aangezien de toepassing van artikel 3, 5°, het bestaan van een gezagsverhouding niet vereist.
Het woord "opdragen" van vervoer betekent hier overigens niet "zijn gezag uitoefenen over iemand en hem zijn gedrag voorschrijven", maar iets "kopen" in de zin van een meubel of een taxi bestellen (cf. het woordenboek Robert).
Bijgevolg is de beslissing waarbij de rechtsvordering van eiser tegen verweerster werd verworpen op grond dat de heren B. en K. wegens hun hoedanigheid van aandeelhouders en zaakvoerders een "interne band" hebben met verweerster waardoor zij hun niet kon "opdragen" vervoer te doen, niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen).
IV. Beslissing van het Hof
Overwegende dat artikel 2, ,§ 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Adviesraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van deze wet kan uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst ;
Overwegende dat artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 ter uitvoering van die bepaling, de toepassing van de wet verruimt tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsook tot die ondernemer ;
Overwegende dat de aldus in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit aangewezen personen, onder de voorwaarden die het bepaalt, worden vermoed personen te zijn die tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst ; dat één van de in dat artikel genoemde voorwaarden is dat het vervoer moet zijn opgedragen aan de personen die het verrichten ;
Overwegende dat het arrest, na te hebben vastgesteld dat P.B. en B.K. ieder, bij de oprichting van de vennootschap, verweerster, op 17 mei 1993 in het bezit waren van 180 van de 750 deelbewijzen die overeenkomen met het kapitaal van de vennootschap en dat zij vanaf februari 1995 de functie van zaakvoerder uitoefenden in die vennootschap, vermeldt "dat, aangezien (de heren B. en K.) die functie vervullen in een vennootschap waarvan zij thans alle deelbewijzen bezitten, die vennootschap hun het goederenvoer niet kon 'opdragen' in de zin van artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969" ;
Dat de appèlrechters op grond van die overweging gerechtigd waren de vordering die ertoe strekte verweerster te doen veroordelen tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en kosten voor de periode na 31 januari 1995 te verwerpen ;
Dat, in zoverre, het middel niet kan worden aangenomen ;
Overwegende daarentegen dat de appèlrechters hun beslissing waarbij de vordering voor de periode van het derde kwartaal van 1993 tot 31 januari 1995 wordt verworpen, niet naar recht hebben verantwoord met de overweging dat de heren B. en K. reeds bij de oprichting van de vennootschap en zelfs nog alvorens zaakvoerders ervan te worden, in het bezit waren van een deelneming waardoor "zij in een positie verkeerden die elk bedrog, dat bedoeld zou zijn om zich te onttrekken aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers uitsloot" en dat artikel 3, 5°, "niet van toepassing is wanneer de betrokkene zich kan beroepen op een interne band met de vervoeronderneming" ;
Dat, in zoverre, het middel gegrond is ;
Overwegende dat verweerster betoogt dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 een onweerlegbaar vermoeden van onderwerping aan de sociale zekerheid invoert, de personen die vervoeractiviteiten verrichten in een vennootschap, ten gevolge van dat vermoeden, automatisch en zonder uitzondering onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en hen belet het bewijs te leveren dat zij die activiteiten verrichten in de hoedanigheid van werkend vennoot of van zelfstandige ; dat zij daarin een discriminatie ziet en aan het Hof vraagt aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over dat artikel alsook over artikel 2, ,§ 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 krachtens hetwelk de Koning de toepassing van die wet mag verruimen tot personen die niet door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst ;
Overwegende dat de aangeklaagde discriminatie uitsluitend volgt uit het feit dat verweerster het in artikel 3, 5°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 vervatte vermoeden als onweerlegbaar beschouwt ; dat genoemd artikel niet vermeld wordt in artikel 26, ,§ 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof ;
Dat er geen grond bestaat tot het stellen van de prejudiciële vraag ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot betaling van de bijdragen, bijdrageopslagen en kosten voor de periode na 31 januari 1995 ;
Verwerpt de voorziening voor het overige ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Veroordeelt eiser in de helft van de kosten ; houdt de overige helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Pierre Marchal, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend en twee uitgesproken door eerste voorzitter Pierre Marchal, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,