Hof van Cassatie: Arrest van 9 Februari 2015 (België). RG C.14.0210.N

Datum :
09-02-2015
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20150209-2
Rolnummer :
C.14.0210.N

Samenvatting :

Uit artikel 136, §2, vierde lid, ZIV-wet volgt dat de verzekeringsinstelling die aan het slachtoffer van schade voortvloeiend uit ziekte, letsel, functionele stoornissen of overlijden, de bij de verplichte verzekering bepaalde prestaties heeft verleend, in de rechten van het slachtoffer treedt voor het geheel van de door haar verleende prestaties, tot beloop van het bedrag dat de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar in gemeen recht verschuldigd is ter vergoeding van die schade; voormelde subrogatie is niet beperkt tot het gedeelte van de verleende prestaties dat overeenstemt met het aandeel van de derde in de aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade (1). (1) Cass. 16 november 2009, AR C.09.0256.N, AC 2009, nr.667; Cass. 2 maart 2011, AR P.10.1652.F, AC 2011, nr. 176.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Nr. C.14.0210.N

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, Postbus 40,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. W.H.,

2. KBC Verzekeringen nv, met zetel te 3000 Leuven, Prof. Van Overstraeten-plein 2,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 8 november 2013.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 5 december 2014 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(....)

Tweede middel

Zevende onderdeel

1. Krachtens artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet, treedt de verzekeringsinstel-ling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, geheel of gedeeltelijk vergoeden.

2. Uit die bepaling volgt dat de verzekeringsinstelling die aan het slachtoffer van schade voortvloeiend uit ziekte, letsel, functionele stoornissen of overlijden, de bij de verplichte verzekering bepaalde prestaties heeft verleend, in de rechten van het slachtoffer treedt voor het geheel van de door haar verleende prestaties, tot beloop van het bedrag dat de aansprakelijke derde of zijn verzekeraar in gemeen recht verschuldigd is ter vergoeding van die schade.

3. Voormelde subrogatie is niet beperkt tot het gedeelte van de verleende pres-taties dat overeenstemt met het aandeel van de derde in de aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade.

4. De appelrechters die, na de aansprakelijkheid voor de schade tussen de eer-ste verweerder en de verzekerde van de eiser bij helften te hebben verdeeld, de omvang van zowel de provisionele vergoeding, als het voorbehoud beperken tot de helft van de betalingen die de eiser ingevolge het litigieuze ongeval reeds heeft gedaan en nog zal doen, zonder de vergoeding voor arbeidsongeschiktheid in re-kening te brengen waarop de verzekerde van de eiser ten aanzien van de verweer-ders in gemeen recht aanspraak zou kunnen maken, indien de eiser niet was tus-sengekomen in de vergoeding, schenden artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de omvang van de door de eiser gevorderde vergoeding en de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 918,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 9 februari 2015 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.

V. Van de Sijpe A. Lievens G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix