Hof van Cassatie: Arrest van 9 Juni 1999 (België). RG P990510F

Datum :
09-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990609-2
Rolnummer :
P990510F

Samenvatting :

Een geschil inzake bevoegdheid in de zin van art. 416, tweede lid, en 539 Sv., bestaat alleen wanneer wordt aangevoerd dat een rechter zich de bevoegdheid van een andere rechter heeft toegeëigend, zodat daaruit een geschil over rechtsmacht kan ontstaan dat alleen door regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd; het antwoord op de vraag of de minderjarige voor de jeugdrechter in hoger beroep een exceptie van onbevoegdheid in die zin heeft aangevoerd, hangt niet af van de benaming die hij aan zijn verweermiddel heeft gegeven maar van het werkelijk voorwerp van de betwisting.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 22 december 1998 gewezen door de jeugdkamer van het Hof van Beroep te Brussel;
Over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep:
Overwegende dat het arrest, dat het beroepen vonnis na precisering van één punt bevestigt, een medisch-psychologisch deskundigenonderzoek en een sociale enquête beveelt; dat het tevens voorlopige maatregelen gelast in afwachting van een beslissing over de zaak zelf; dat het eveneens de verdaging van de zaak beveelt met het oog op de voortgezette behandeling en de persoonlijke verschijning van eiser en diens ouders gelast; dat het in zijn eigen beslissing zegt dat de rechtspleging voor de eerste rechter moet worden voortgezet; dat die beslissing een voorbereidende beslissing en een beslissing van onderzoek is, zodat ze geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering; dat ze geen uitspraak doet op grond van de artikelen 135 en 235bis van dat wetboek en evenmin uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid;
Dat die beslissing evenmin uitspraak doet over een bevoegdheidsgeschil in de zin van de artikelen 416 en 539 van genoemd wetboek; dat van een dergelijk geschil alleen sprake is als wordt aangevoerd dat een rechter zich de bevoegdheden van een andere rechter heeft toegeëigend, zodat daaruit een geschil over rechtsmacht ontstaat waaraan alleen door regeling van rechtsgebied een einde kan worden gemaakt;
Dat het antwoord op de vraag of eiser een exceptie van onbevoegdheid in die zin heeft opgeworpen niet afhangt van de benaming die hij aan zijn verweermiddel heeft gegeven maar van het werkelijk voorwerp van de betwisting;
Dat eiser, door "de bevoegdheid van de jeugdrechtbanken" te betwisten, in werkelijkheid alleen heeft betoogd dat op straffe van schending van de artikelen 38 en 62, § 5, van het decreet van 4 maart 1991 van de Raad van de Franse Gemeenschap betreffende de jeugdbijstand, de jeugdrechtbank niet diende te worden geadieerd met het oog op maatregelen ten aanzien van eiser, zijn gezin of zijn kennissen, daar de voorwaarden voor de toepassing van artikel 38 z.i. te dezen niet waren vervuld en artikel 62, § 5, met name was opgeheven door de artikelen 36, 1) en 2) van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming;
Dat de voorziening is ingesteld voor de eindbeslissing en dus niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
ongeacht het overige gedeelte van het verzoek, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van de voorziening,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.