Hof van Cassatie: Arrest van 9 Maart 1995 (België). RG C940361N

Datum :
09-03-1995
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950309-16
Rolnummer :
C940361N

Samenvatting :

De omstandigheid dat een minister slechts bevoegd is om de Staat te vertegenwoordigen voor de zaken van zijn departement heeft niet tot gevolg dat een voorziening gericht tegen de Staat, vertegenwoordigd door een minister wiens departement niet bevoegd is, niet ontvankelijk is.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op de bestreden arresten, op 24 november 1992 en 29 maart 1993 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het door het openbaar ministerie ambtshalve opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening, overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de advocaten van de partijen : enerzijds werd het arrest niet gewezen tegenover de minister van Justitie, "verleent (het) akte aan de Belgische Staat dat de minister van Binnenlandse zaken en Ambtenarenzaken in de plaats treedt van de Minister van Justitie" en voert de voorziening tegen die rechtsopvolging geen middel aan; anderzijds werden bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1992 de bevoegdheden inzake vreemdelingen overgedragen aan de minister van Binnenlandse zaken, en geeft eiser geen reden om de minister van Justitie in de zaak te houden :
Overwegende dat de omstandigheid dat een minister slechts bevoegd is om de Staat te vertegenwoordigen voor de zaken van zijn departement, niet tot gevolg heeft dat een voorziening gericht tegen de Staat, vertegenwoordigd door een minister wiens departement niet bevoegd is, niet ontvankelijk is;
Dat evenwel, nu eiser de Staat, vertegenwoordigd zowel door de minister van Justitie als door de minister van Binnenlandse Zaken, Ambtenarenzaken en Vreemdelingenzaken, in het geding betrekt, er geen reden is om de Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, in het geding te houden;
Dat het middel van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 584, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek en 118 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissingen, thans gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1992),
doordat het hof van beroep de vordering van eiser afwijst en het deze beslissing op de volgende overwegingen laat berusten :
"Overwegende dat het hof in verband met de vraag tot schorsing van het litigieuze bevel om het grondgebied te verlaten dient te onderzoeken of het door (eiser) tegen dit bevel ingediende verhaal bij de Raad van State een ernstige kans van slagen heeft;
Overwegende dat (eiser), als enig middel tot staving van zijn verzoek tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State, inroept dat het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten hem werd betekend met miskenning van artikel 118 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, luidens hetwelk 'behoudens bijzondere beslissing van de minister van Justitie of zijn gemachtigde, mag geen enkel bevel om het grondgebied te verlaten worden afgegeven aan een vreemdeling die minder dan 18 jaar oud is of die volgens zijn personeel statuut minderjarig is.
Dat bevel om het grondgebied te verlaten wordt vervangen door een bevel tot terugbrenging overeenkomstig het model van bijlage 38";
Overwegende dat er terzake geen elementen zijn die twijfel doen rijzen nopens de door (eiser) opgegeven geboortedatum, zijnde 16 februari 1974;
Dat dus mag worden aangenomen dat (eiser), volgens zijn personeel statuut, nog minderjarig is;
Overwegende dat het partijen behoort te concluderen nopens de eventuele toepasselijkheid in onderhavig geval van de uitzondering voorzien in artikel 118 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1991, 'behoudens bijzondere beslissing van de minister van Justitie of zijn gemachtigde';
Dat, te dien einde, de heropening der debatten zich opdringt (arrest van 24 november 1992);
Overwegende dat (verweerder) voorhoudt dat in casu de beslissing om een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven aan (eiser), die volgens zijn personeel statuut minderjarig is, werd genomen door de destijds bevoegde minister van Justitie persoonlijk, zodat de uitzondering waarvan hoger gewag toepasselijk is;
Dat deze uitleg, in het raam van het onderzoek door de rechter in kort geding - in casu het hof - aannemelijk voorkomt;
Dat niet blijkt dat het door (eiser) tegen het litigieuze bevel om het grondgebied te verlaten bij de Raad van State ingediende verzoek tot nietigverklaring, in acht genomen het enige ingeroepen middel, een ernstige kans van slagen heeft;
Dat de eerste rechter (eisers) vordering terecht ongegrond heeft verklaard (arrest van 29 maart 1992)";
terwijl overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht kan bevelen, indien er een schijn van recht is die het nemen van een beslissing verantwoordt; naar luid van artikel 118 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, behoudens bijzondere beslissing van de minister van Justitie of zijn gemachtigde geen bevel om het grondgebied te verlaten mag worden afgegeven aan een vreemdeling die minder dan 18 jaar oud of volgens zijn personeel statuut minderjarig is; dat dat bevel wordt vervangen door een bevel tot terugbrenging overeenkomstig het model van bijlage 38 met een termijn van minstens dertig dagen; uit de bewoordingen van voormeld artikel 118 blijkt dat in geen geval aan een minderjarige een bevel om het grondgebied te verlaten mag worden afgegeven doch dat bij bijzondere beslissing van de minister of zijn gemachtigde aan de minderjarige wel een bevel tot terugbrenging mag worden afgegeven; de appelrechter, door te overwegen dat de beslissing om een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven aan eiser, werd genomen door de destijds bevoegde minister van Justitie persoonlijk, ervan uitgaat dat overeenkomstig artikel 118 een bevel om het grondgebied te verlaten kan worden afgegeven aan een minderjarige, op voorwaarde dat de minister of zijn gemachtigde hiertoe een beslissing neemt; de appelrechter, bij het onderzoek van de ogenschijnlijke rechten van partijen bijgevolg een rechtsregel heeft betrokken die de voorlopige maatregel die hij beveelt, niet redelijk kan schragen; de rechter in kort geding, derhalve, de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden (schending van artikel 584, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek) en artikel 118 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft geschonden :
Overwegende dat de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht kan bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt;
Dat de rechter die zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van de partijen na te gaan en te onderzoeken, zonder daarbij rechtsregels te betrekken die de voorlopige maatregel die hij beveelt niet redelijk kunnen schragen, de grenzen van zijn bevoegdheid niet overschrijdt;
Dat een dergelijke beslissing die zich ten gronde niet uitspreekt over de rechten van de partijen, geen schending inhoudt van het materiële recht dat de rechter in zijn beoordeling betrekt;
Overwegende dat de vordering van eiser ertoe strekte om, bij voorlopige maatregel, de Belgische Staat verbod te horen opleggen om het aan eiser gegeven bevel om het grondgebied te verlaten, uit te voeren zolang de Raad van State geen arrest dienaangaande heeft geveld en om hem een attest van immatriculatie af te leveren;
Dat de arresten, op grond van de gegevens in feite en in rechte die zij aangeven, zich ertoe beperken het ogenschijnlijke recht van eiser na te gaan en dat het arrest van 29 maart 1993 de vordering van eiser ongegrond verklaart;
Overwegende dat de appelrechter het aangewezen artikel 118 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 niet onredelijk in zijn beoordeling betrekt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.