Hof van Cassatie: Arrest van 9 Mei 2017 (België). RG P.15.0020.N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20170509-1
- Rolnummer :
- P.15.0020.N
Samenvatting :
Samenvatting 1
Arrest :
Nr. P.15.0020.N
T J B S,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Valérie Verhoeven, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2020 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 232, waar de eiser woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 17 november 2014.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 216, eerste en zesde lid, Wet-boek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser wegens de te-lastlegging C, met name een inbreuk op artikel 35.1.1, achtste lid, Wegverkeers-reglement; de eiser ontving een minnelijke schikking voor een totaal bedrag van 305 euro, waarvan 175 euro voor deze inbreuk en betaalde tijdig dit laatste be-drag, met de melding dat de ten laste gelegde feiten zich vermengden tot één enkel strafbaar feit en dat hij de minnelijke schikking voor de zwaarste inbreuk betaalde.
2. Artikel 216bis, § 1, eerste en zevende lid, Wetboek van Strafvordering be-paalt: "De procureur des Konings kan, indien hij meent dat een feit niet van aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, desgevallend met inbe-grip van de verbeurdverklaring, en dat het geen zware aantasting inhoudt van de lichamelijke integriteit, de dader verzoeken een bepaalde geldsom te storten aan de Federale Overheidsdienst Financiën. (...)
Betaling, afstand en afgifte doen de strafvordering vervallen, mits zij binnen de bepaalde termijn plaatshebben."
3. Uit deze bepaling volgt dat een gedeeltelijke betaling van de voorgestelde geldsom de strafvordering niet doet vervallen, ook al is in het voorstel de totale geldsom verdeeld over verschillende misdrijven.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 65 Strafwetboek: het bestre-den vonnis veroordeelt de eiser wegens de telastlegging C, met name een inbreuk op artikel 35.1.1, achtste lid, Wegverkeersreglement en oordeelt dat de feiten van de telastleggingen A, B en C zich vermengen tot één enkel feit, maar aanvaarden niet de tijdige betaling van de minnelijke schikking voor het zwaarste feit; vermits de eiser de minnelijke schikking betaalde voor het feit van de telastlegging C, diende het bestreden vonnis vast te stellen dat de strafvordering voor dat feit ver-vallen was.
5. Artikel 65 Strafwetboek is niet van toepassing op de minnelijke schikking, zoals geregeld in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering, dat immers geen be-straffing inhoudt.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
6. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser een voorstel tot verval van de strafvordering mits betaling van een geldsom van 305 euro ontving en slechts een deel van deze geldsom betaalde, namelijk 175 euro. Met deze redenen verant-woordt het bestreden vonnis naar recht de beslissing dat de strafvordering niet is vervallen, ook niet voor het misdrijf waarop het door de eiser betaalde deel van de geldsom betrekking heeft.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 67,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 9 mei 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
V. Kosynsky I. Couwenberg E. Francis
P. Hoet A. Bloch P. Maffei