Hof van Cassatie: Arrest van 9 Mei 2017 (België). RG P.17.0074.N

Datum :
09-05-2017
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20170509-4
Rolnummer :
P.17.0074.N

Samenvatting :

Samenvatting 1

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Nr. P.17.0074.N

J E A S,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Samuel Debruyne, advocaat bij de balie te Brugge, met kan-toor te 8310 Brugge (Sint-Kruis), de Maleingreaustraat 7, bij wie de eiser woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 16 december 2016.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grond-wet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het vertrouwensbeginsel: het bestreden vonnis antwoordt niet op eisers grieven over de straf en de strafmaat zoals uiteengezet in het grievenformulier van 12 juli 2016 en verder toegelicht op de rechtszitting; het bestreden vonnis motiveert ook niet, minstens niet afdoende, de opgelegde geldboete, het verval tot sturen, de proeven en onderzoeken; even-min verantwoorden de appelrechters waarom geen werkstraf of probatiemaatregel wordt opgelegd; aldus is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed.

2. De eiser heeft op 26 mei 2016 een grievenformulier neergelegd waarin de volgende grieven werden aangekruist "1.4 strafmaat" en "1.8 andere maatrege-len", met als toelichting "te zware straf, oplegging alle examens niet gemotiveerd" respectievelijk "examens en geneeskundige proef niet gemotiveerd".

3. Het bestreden vonnis bevestigt de in het beroepen vonnis opgelegde bestraf-fing met als reden dat "naast de geldboete, het opgelegde rijverbod van drie maanden en de opgelegde herstelexamens en -onderzoeken telkens het wettelijke minimum (betreffen), gelet op de staat van herhaling in hoofde van [de eiser] con-form art. 38 § 6, eerste lid Wegverkeerswet". Tevens beslissen de appelrechters om de eiser, vermits "beterschap mag worden verhoopt", een gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van het effectief rijverbod te verlenen. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters het verweer dat de eiser in zijn grievenformulier heeft aangevoerd.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

4. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechter nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waar-om hij dergelijke straf of maatregel oplegt en de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel rechtvaardigt.

Het vierde lid van dat artikel bepaalt dat de in het tweede lid vervatte regel niet van toepassing is wanneer de rechter uitspraak doet in hoger beroep, behalve wanneer hij een verval van het recht tot het besturen van een voertuig of een luchtschip of het geleiden van een rijdier uitspreekt.

Hieruit volgt dat het bestreden vonnis dat de door het beroepen vonnis opgelegde geldboete bevestigt, de omvang van deze geldboete niet bijzonder diende te moti-veren.

In zoverre faalt het middel naar recht.

5. De bijzondere motiveringsverplichting van artikel 195, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering geldt enkel voor de gevallen waarin de wet aan de rechter de vrije beoordeling laat voor het opleggen van een straf of maatregel. Zij geldt niet indien de rechter het wettelijk minimum oplegt.

Hieruit volgt dat het bestreden vonnis evenmin het door het beroepen vonnis op-gelegde verval tot sturen en de opgelegde herstelexamens en -onderzoeken, die gelet op de vastgestelde staat van herhaling het wettelijk minimum betroffen, bij-zonder diende te motiveren.

In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

6. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dienden de appelrech-ters niet te verantwoorden waarom zij slechts een gedeeltelijk uitstel van tenuit-voerlegging van de straf verlenen en geen werkstraf of probatiemaatregel opleg-gen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 15 IVBPR, artikel 7 EVRM, ar-tikel 2 Strafwetboek en artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprich-ting van de kruispuntbank van de voertuigen (hierna: Wet Kruispuntbank Voer-tuigen): volgens de gegevens van het strafdossier is de eiser via de kentekenplaat geïdentificeerd als de vermoedelijke pleger van de snelheidsovertreding; deze identificatie gebeurde op onwettige wijze vermits de politie op het ogenblik van de identificatie niet over een machtiging beschikte die toegang verleende tot de gegevens van de kruispuntbank voertuigen; het verbod op de retroactieve toepas-sing van de strengere strafwet verhindert dat de later genomen regulerende maat-regelen toepassing vinden.

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat zijn identificatie als houder van de nummerplaat van het voertuig waarmee de snelheidsovertreding werd begaan, op een onwettige wijze is gebeurd.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 64,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 9 mei 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky I. Couwenberg E. Francis

P. Hoet A. Bloch P. Maffei