Hof van Cassatie: Arrest van 9 September 2002 (België). RG S000125F
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20020909-7
- Rolnummer :
- S000125F
Samenvatting :
In de regel staat het aan de ministers om, onder voorbehoud van hun politieke verantwoordelijkheid, te oordelen of de dringende noodzakelijkheid voorhanden is die hen ontslaat van de verplichting om de tekst van de ontwerpen van reglementaire besluiten te onderwerpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State; de rechters zijn evenwel verplicht na te gaan of de minister, door het advies van de Raad van State niet in te winnen, zijn bevoegdheid niet heeft overschreden of zelfs heeft afgewend door het wettelijk begrip dringende noodzakelijkheid te miskennen (1).
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Nr. S.00.0125.F.
d. F. A.,
Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,
Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 maart 2000 gewezen door het Arbeidshof te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Daniel Plas heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiseres voert twee middelen aan.
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 159 van de Grondwet ;
- artikel 3, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 12 januari 1973, dat is gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het bestreden arrest, dat uitspraak doet over het door eiseres voorgelegde geschil, grondt zijn beslissing onder meer op artikel 18 van het ministerieel besluit van 26 november 1991, waarvan het de tekst overneemt en dat het toepast zoals het van kracht was na de vervanging ervan bij de ministeriële besluiten van 4 januari 1993 en 27 april 1994.
Grieven Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.
Artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat : "buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, de Ministers, de leden van de gemeenschapsof gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het tweede en vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten onderwerpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving".
Het staat vast dat de ministeriële besluiten van 4 januari 1993 en 27 april 1994, die reglementaire besluiten zijn, niet zijn onderworpen aan het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State.
De motivering op grond waarvan die ministeriële besluiten niet aan dat voorafgaand advies werden onderworpen, namelijk de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat alle betrokken instellingen en werklozen zo snel mogelijk op de hoogte dienen te worden gebracht van de herziene verplichtingen die zij hebben tegenover de directeur van het werkloosheidsbureau in geval van vrijwillige (en gratis) arbeid voor derden, in geen geval kan worden beschouwd als de bijzondere motivering van de aangevoerde dringende noodzakelijkheid. Die motivering geldt immers uitsluitend voor de spoed die moet worden gezet achter de publicatie van de nieuwe reglementering, wanneer die eenmaal is goedgekeurd, maar niet voor de spoed die moet worden gezet achter de goedkeuring van die nieuwe reglementering zelf. Aangezien de aangevoerde dringende noodzakelijkheid enkel kan worden afgeleid uit de bijzondere motivering, vervat in de aanhef van de ministeriële besluiten zelf, doet de omstandigheid dat de inwerkingtreding ervan is voorzien voor een betrekkelijk nabije toekomst niets ter zake. Die omstandigheid is overigens niet relevant, aangezien de noodzaak om het ministerieel besluit spoedig van kracht te laten worden niet verantwoord wordt in de aanhef van het ministerieel besluit zelf.
Daaruit volgt dat de ministeriële besluiten van 4 januari 1993 en 27 april 1994, nu ze niet zijn onderworpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schenden en bijgevolg nietig zijn, en dat het bestreden arrest, nu het toepassing maakt van die nietige ministeriële besluiten, op zijn beurt die wetsbepaling en daarenboven artikel 159 van de Grondwet schendt.
IV. Beslissing van het Hof Over het eerste middel :
Overwegende dat het arrest eiseres het recht op werkloosheids-uitkeringen ontneemt met ingang van 1 juni 1992 op grond van artikel 18, §§ 2 en 5, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregeling van de werkloosheidsreglementering ; dat evenwel uit de bewoordingen waarin het arrest die bepaling overneemt blijkt dat het die bepaling toepast zoals ze van kracht was na de vervanging ervan door artikel 1 van het ministerieel besluit van 27 april 1994 ;
Overwegende dat het ministerieel besluit van 27 april 1994 niet vooraf voor advies is voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State ;
Overwegende dat het in de regel aan de ministers staat om, onder voorbehoud van hun politieke verantwoordelijkheid, te oordelen of de dringende noodzakelijkheid voorhanden is die hen ontslaat van de verplichting om de tekst van de ontwerpen van reglementaire besluiten te onderwerpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State ;
Overwegende evenwel dat de rechters, in het kader van de hun bij artikel 159 van de Grondwet opgedragen wettigheidstoetsing, verplicht zijn na te gaan of de minister, door het advies van de Raad van State niet in te winnen, zijn bevoegdheid niet heeft overschreden of zelfs heeft afgewend door het wettelijk begrip hoogdringendheid te miskennen ;
Overwegende dat te dezen de aanhef van het ministerieel besluit van 27 april 1994 de dringende noodzakelijkheid motiveert "door het feit dat alle betrokken instellingen en werklozen zo snel mogelijk op de hoogte dienen gebracht te worden van de herziene verplichtingen die zij hebben tegenover de directeur van het werkloosheidsbureau in geval van vrijwillige en gratis activiteit voor een derde" ;
Overwegende dat dergelijke overwegingen alleen de reden aangeven waarom een snelle publicatie van het nieuwe besluit nodig blijkt te zijn, maar niet de bijzondere omstandigheden omschrijven die de goedkeuring van de geplande maatregelen zo dringend maken dat het advies van de Raad van State niet kan worden ingewonnen, zelfs niet binnen een termijn van drie dagen ; dat zij niet voldoen aan het wettelijk vereiste van de bijzondere motivering van de dringende noodzakelijkheid ;
Overwegende dat het niet in acht nemen van de substantiële rechtsvorm, die de vraag om advies aan de Raad van State is, zonder dat de aangevoerde dringende noodzakelijkheid is verantwoord, de onwettigheid van het ministerieel besluit van 27 april 1994 tot gevolg heeft ;
Dat het arrest dat daarvan toepassing maakt, bijgevolg de in het middel vermelde bepalingen schendt ;
Dat het middel gegrond is ;
OM DIE REDENEN, HET HOF Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart en over het recht op werkloosheidsuitkeringen van eiseres uitspraak doet voor de periode van voor 1 juni 1992 ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt verweerder in de kosten ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Pierre Marchal, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend en twee uitgesproken door eerste voorzitter Pierre Marchal, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
d. F. A.,
Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,
Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 maart 2000 gewezen door het Arbeidshof te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Daniel Plas heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiseres voert twee middelen aan.
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 159 van de Grondwet ;
- artikel 3, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 12 januari 1973, dat is gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het bestreden arrest, dat uitspraak doet over het door eiseres voorgelegde geschil, grondt zijn beslissing onder meer op artikel 18 van het ministerieel besluit van 26 november 1991, waarvan het de tekst overneemt en dat het toepast zoals het van kracht was na de vervanging ervan bij de ministeriële besluiten van 4 januari 1993 en 27 april 1994.
Grieven Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.
Artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat : "buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, de Ministers, de leden van de gemeenschapsof gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het tweede en vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten onderwerpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving".
Het staat vast dat de ministeriële besluiten van 4 januari 1993 en 27 april 1994, die reglementaire besluiten zijn, niet zijn onderworpen aan het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State.
De motivering op grond waarvan die ministeriële besluiten niet aan dat voorafgaand advies werden onderworpen, namelijk de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat alle betrokken instellingen en werklozen zo snel mogelijk op de hoogte dienen te worden gebracht van de herziene verplichtingen die zij hebben tegenover de directeur van het werkloosheidsbureau in geval van vrijwillige (en gratis) arbeid voor derden, in geen geval kan worden beschouwd als de bijzondere motivering van de aangevoerde dringende noodzakelijkheid. Die motivering geldt immers uitsluitend voor de spoed die moet worden gezet achter de publicatie van de nieuwe reglementering, wanneer die eenmaal is goedgekeurd, maar niet voor de spoed die moet worden gezet achter de goedkeuring van die nieuwe reglementering zelf. Aangezien de aangevoerde dringende noodzakelijkheid enkel kan worden afgeleid uit de bijzondere motivering, vervat in de aanhef van de ministeriële besluiten zelf, doet de omstandigheid dat de inwerkingtreding ervan is voorzien voor een betrekkelijk nabije toekomst niets ter zake. Die omstandigheid is overigens niet relevant, aangezien de noodzaak om het ministerieel besluit spoedig van kracht te laten worden niet verantwoord wordt in de aanhef van het ministerieel besluit zelf.
Daaruit volgt dat de ministeriële besluiten van 4 januari 1993 en 27 april 1994, nu ze niet zijn onderworpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schenden en bijgevolg nietig zijn, en dat het bestreden arrest, nu het toepassing maakt van die nietige ministeriële besluiten, op zijn beurt die wetsbepaling en daarenboven artikel 159 van de Grondwet schendt.
IV. Beslissing van het Hof Over het eerste middel :
Overwegende dat het arrest eiseres het recht op werkloosheids-uitkeringen ontneemt met ingang van 1 juni 1992 op grond van artikel 18, §§ 2 en 5, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregeling van de werkloosheidsreglementering ; dat evenwel uit de bewoordingen waarin het arrest die bepaling overneemt blijkt dat het die bepaling toepast zoals ze van kracht was na de vervanging ervan door artikel 1 van het ministerieel besluit van 27 april 1994 ;
Overwegende dat het ministerieel besluit van 27 april 1994 niet vooraf voor advies is voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State ;
Overwegende dat het in de regel aan de ministers staat om, onder voorbehoud van hun politieke verantwoordelijkheid, te oordelen of de dringende noodzakelijkheid voorhanden is die hen ontslaat van de verplichting om de tekst van de ontwerpen van reglementaire besluiten te onderwerpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State ;
Overwegende evenwel dat de rechters, in het kader van de hun bij artikel 159 van de Grondwet opgedragen wettigheidstoetsing, verplicht zijn na te gaan of de minister, door het advies van de Raad van State niet in te winnen, zijn bevoegdheid niet heeft overschreden of zelfs heeft afgewend door het wettelijk begrip hoogdringendheid te miskennen ;
Overwegende dat te dezen de aanhef van het ministerieel besluit van 27 april 1994 de dringende noodzakelijkheid motiveert "door het feit dat alle betrokken instellingen en werklozen zo snel mogelijk op de hoogte dienen gebracht te worden van de herziene verplichtingen die zij hebben tegenover de directeur van het werkloosheidsbureau in geval van vrijwillige en gratis activiteit voor een derde" ;
Overwegende dat dergelijke overwegingen alleen de reden aangeven waarom een snelle publicatie van het nieuwe besluit nodig blijkt te zijn, maar niet de bijzondere omstandigheden omschrijven die de goedkeuring van de geplande maatregelen zo dringend maken dat het advies van de Raad van State niet kan worden ingewonnen, zelfs niet binnen een termijn van drie dagen ; dat zij niet voldoen aan het wettelijk vereiste van de bijzondere motivering van de dringende noodzakelijkheid ;
Overwegende dat het niet in acht nemen van de substantiële rechtsvorm, die de vraag om advies aan de Raad van State is, zonder dat de aangevoerde dringende noodzakelijkheid is verantwoord, de onwettigheid van het ministerieel besluit van 27 april 1994 tot gevolg heeft ;
Dat het arrest dat daarvan toepassing maakt, bijgevolg de in het middel vermelde bepalingen schendt ;
Dat het middel gegrond is ;
OM DIE REDENEN, HET HOF Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart en over het recht op werkloosheidsuitkeringen van eiseres uitspraak doet voor de periode van voor 1 juni 1992 ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt verweerder in de kosten ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Pierre Marchal, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend en twee uitgesproken door eerste voorzitter Pierre Marchal, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.