Hof van Cassatie: Arrest van 9 September 2002 (België). RG S010146F

Datum :
09-09-2002
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20020909-9
Rolnummer :
S010146F

Samenvatting :

Het overlijden van de getroffene om een reden die geen verband houdt met het ongeval kan geen aanleiding geven tot herziening, zelfs niet als het valt binnen de termijn van de eis tot herziening; dat voorval heeft dus wettelijk geen invloed op de verplichtingen die de verzekeraar wegens het ongeval heeft zowel jegens de getroffene als jegens het Fonds voor Arbeidsongevallen (1).

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Nr. S.01.0146.F.
ONDERLINGE MAATSCHAPPIJ VAN OPENBARE BESTUREN,
Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN,
Mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 11 juni 1998 gewezen door het Arbeidshof te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.
III. De feiten van de zaak
De feiten van de zaak, zoals ze blijken uit de vaststellingen van het arrest en de stukken van de rechtspleging waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen als volgt worden samengevat :
Naar aanleiding van een arbeidsongeval op 15 februari 1991 werd bij de getroffene een gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van vijf pct. vastgesteld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 23 maart 1994.
Op 20 oktober 1994 betaalde eiseres, arbeidsongevallenverzekeraar, overeenkomstig de haar bij de wet opgelegde verplichting, aan verweerder het kapitaal dat overeenkwam met de jaarlijkse vergoeding en de rente.
De getroffene overleed op 5 april 1995 om een reden die geen verband hield met het ongeval.
Eiseres vordert van verweerder de terugbetaling van het kapitaal voor de periode na het overlijden.
IV. Middel
Eiseres voert een middel aan.
Het is gesteld als volgt :
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet ;
- de artikelen 45quater, eerste lid, 51ter, 58, §1, 17°, en 72 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de eerste drie artikelen, zoals ze in die wet zijn ingevoegd respectievelijk bij de artikelen 53, 54 en 55 van de wet van 30 maart 1994.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest bevestigt het beroepen vonnis en wijst de vordering van eiseres tot terugbetaling van het bij verweerder vastgestelde kapitaal af op alle gronden die hier geacht worden volledig weergegeven te zijn.
Grieven
1. Eerste onderdeel
De artikelen 53, 54 en 55 van de wet van 30 maart 1994, die de artikelen 45quater, 51ter en 58, §1, 17°, hebben ingevoerd in de wet van 10 april 1971, bepalen dat voor de ongevallen overkomen vanaf 1 januari 1988 en waarvoor de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 10 pct. bij de bekrachtiging van een overeenkomst of bij een beslissing die na 31 december 1993 in kracht van gewijsde is getreden, de arbeidsongevallenverzekeraars vanaf het tijdstip van de consolidatie aan verweerder het bedrag van de gekapitaliseerde rente storten, terwijl laatstgenoemde aan de getroffene de jaarlijkse vergoedingen en de rente betaalt op basis van het gestorte kapitaal.
In geen van haar bepalingen wijkt de wet van 30 maart 1994 af van de in artikel 72 van de wet van 10 april 1971 vervatte regel dat de herzieningstermijn verstrijkt op de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de definitieve vaststelling van de rechten van de getroffene en, derhalve, van de verplichtingen van de arbeidsongevallenverzekeraar. Daaruit volgt dat het, in geval van wijziging van de toestand van de getroffene gedurende de herzieningstermijn, de arbeidsongevallenverzekeraar is, en hij alleen, die minder of geen verplichtingen meer heeft zoals ook alleen hij het is die de verhoging van de schadeloosstelling van de getroffene moet dragen in geval van verhoging van de graad van diens arbeidsongeschiktheid.
Door te beslissen dat de artikelen 45quater, 51ter en 58, §1, 17°, van de wet van 10 april 1971 ertoe strekten de arbeidsongevallenverzekeraar het recht te ontnemen om voordeel te halen uit het gunstig voorval dat het overlijden van de getroffene om een reden die geen verband houdt met het ongeval gedurende de herzieningstermijn voor hem vormt, schendt het arrest derhalve die bepalingen.
Daaruit volgt dat artikel 51ter van de wet van 10 april 1971, nu het bepaalt dat de Koning de voorwaarden, de termijnen en de regels vaststelt van de overdracht, door de arbeidsongevallenverzekeraar aan het Fonds voor arbeidsongevallen, van het kapitaal dat overeenkomt met de vergoeding en de rente "en van de afrekening in geval van herziening van de ongeschiktheidsgraad in de loop van de in artikel 72 bedoelde termijn", de Koning noodzakelijkerwijs heeft opgedragen de concrete regels vast te stellen teneinde de arbeidsongevallenverzekeraar het voordeel te waarborgen van de in artikel 72 vervatte regel volgens welke de einddatum van de herzieningstermijn bepalend is voor de definitieve vaststelling van zijn rechten en, meer bepaald, voor zijn recht om het gestorte kapitaal - na aftrek van de reeds aan de getroffene betaalde bedragen - terug te vorderen in het geval dat de getroffene tijdens de herzieningstermijn overlijdt om een reden die geen verband houdt met het ongeval.
Nu artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 houdende uitvoering van voormeld artikel 51ter de verplichting om een afrekening op te maken enkel oplegt in het geval dat er een door verweerder bekrachtigd herzieningsakkoord bestaat of een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij de jaarlijkse uitkeringen na herziening worden vastgesteld, beperkt het en miskent het bijgevolg de bij die bepaling aan de Koning toegekende opdracht. Dat koninklijk besluit is derhalve niet in overeenstemming met artikel 51ter. Door het toe te passen schendt het arrest derhalve zowel die bepaling als artikel 159 van de Grondwet dat de hoven en rechtbanken verbiedt een koninklijk besluit toe te passen dat niet overeenstemt met de wet.
V. Beslissing van het Hof Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat, krachtens de artikelen 45quater, eerste lid, en 51, eerste lid, eerste zin, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, wanneer een na 1 januari 1988 gebeurd ongeval een blijvende arbeidsongeschiktheid van minder dan tien pct. tot gevolg heeft en de vaststelling van die graad van ongeschiktheid geschiedt op een datum vanaf 1 januari 1994, hetzij bij de bekrachtiging van een akkoord, hetzij bij een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing, de verzekeraar gehouden is de waarde van de jaarlijkse uitkering en de rente, verminderd overeenkomstig artikel 24, derde lid, van die wet, als kapitaal aan verweerder te storten ;
Dat uit die bepalingen volgt dat voor ongevallen waarop die bepalingen van toepassing zijn, de schuld van de verzekeraar jegens verweerder bestaat zodra de door het ongeval veroorzaakte graad van blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld onder de aldaar omschreven voorwaarden ;
Overwegende dat artikel 51ter, eerste lid, tweede zin, de Koning ermee belast de voorwaarden, termijnen en regels vast te stellen voor de overdracht, van de verzekeraar aan verweerder, van het kapitaal en van de afrekening in geval van herziening van de ongeschiktheidsgraad in de loop van de in artikel 72 van de wet bedoelde termijn ;
Overwegende dat de in artikel 72 bedoelde eis tot herziening, naar luid van het eerste lid van die bepaling, kan worden gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene of op zijn overlijden aan de gevolgen van het ongeval ;
Overwegende dat het overlijden van de getroffene om een reden die geen verband houdt met het ongeval geen aanleiding kan geven tot herziening, zelfs niet als het voorvalt gedurende de termijn van die rechtsvordering ;
Overwegende dat, derhalve, dat voorval wettelijk geen invloed heeft op de verplichtingen die de verzekeraar wegens het ongeval heeft zowel jegens de getroffene als jegens verweerder ;
Dat het onderdeel faalt naar recht ;
OM DIE REDENEN, HET HOF Verwerpt de voorziening ;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Pierre Marchal, de raadsheren Christian Storck, Daniel Plas, Christine Matray en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend en twee uitgesproken door eerste voorzitter Pierre Marchal, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Christine Danhiez.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Robert Boes en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.