Arbeidshof: Arrest van 20 Februari 1995 (Brussel). RG 29343

Datum :
20-02-1995
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19950220-9
Rolnummer :
29343

Samenvatting :

Uit artikel 4 alinéa 1, 1ste lid wet van 3.7.1967 en de artikelen 10, 20 bis en 22 K.B. 13.7.1970 volgt dat de getroffene recht heeft op de rente wegens blijvende invaliditeit vanaf de eerste dag van de maand waarin de konsolidatie plaatsvindt en dat deze rente vanaf deze datum wordt uitbetaald volgens de modaliteiten zoals bepaald in artikel 22, 2de lid K.B. 13.7.1970. Deze rente is bijgevolg eisbaar op deze uitbetalingstijdstippen, zodat zij, overeenkomstig artikel 20 bis wet van 3.7.1967 en artikel 22 K.B. 13.7.1970, intrest opbrengt vanaf de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin de rente eisbaar wordt. De rente brengt met andere woorden intrest op vanaf de eerste dag van de maand van elke verplichte uitbetalingsdatum en dit voor de eerste maal vanaf de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin de konsolidatie plaatsvindt. Deze interpretatie van artikel 20 bis wet van 3.7.1967 volgt overigens impliciet uit de toelichting die werd verstrekt bij het tot stand komen van artikel 10 van de wet van 13.7.1970, tot invoeging van artikel 20 bis in de wet van 3.7.1967 (Parl. St. Kamer, 1972-1973, 468, N.1, p. 2). Hieruit moet besloten worden dat in een uitstel tot het van rechtswege toekennen van intresten op de verschuldigde rente werd voorzien gedurende een termijn van twee maanden na het verschuldigd en bijgevolg invorderbaar worden van de rente. Nu de rente moet worden uitbetaald en bijgevolg eisbaar is de eerste dag van iedere maand van het kalenderjaar met één twaalfde en vooraf uitbetaald, loopt de intrest op deze rente vanaf de eerste dag van de maand van elke verplichte uitbetalingsdatum en dit voor de eerste maal vanaf de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin de konsolidatie plaatsvindt. Vermits het recht op de rente wegens blijvende invaliditeit ontstaat en verschuldigd is vanaf de eerste dag van de maand waarin de konsolidatie valt, brengt deze van rechtswege intrest op vanaf deze datum overeenkomstig de wettelijke bepalingen, wanneer de rente laattijdig wordt uitbetaald tengevolge een latere beslissing van de overheid of bij gebreke ervan tengevolge een rechterlijke uitspraak, die in kracht van gewijsde is gegaan. Een andere interpretatie miskent de toekenning van intresten, zoals voorzien door artikel 1153, 1ste lid B.W., als schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een geldsom. Het van rechtswege toekennen van intresten wijkt af van de algemene regel dat de intrest verschuldigd is te rekenen van de dag der aanmaning (artikel 1153, 3de lid B.W.). Terecht wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 23.10.1989 (R.W. 1989-1990, 714) dat uitspraak deed over de toekenning van intresten op vervallen jaarlijkse vergoedingen wegens blijvende invaliditeit vanaf de datum waarop de arbeidsongeschiktheid blijvend is in de reglementering van de arbeidsongevallen in de privé-sector. Niet alleen zijn de desbetreffende bepalingen gelijklopend, maar bovendien blijkt uit de reeds geciteerde hogervermelde toelichting bij het invoegen van artikel 20 bis in de wet van 3.7.1967 dat het de bedoeling van de wetgever was een gelijkaardige regeling als in de privé-sector in te voeren, zij het dat voor de aanvang van het lopen van de intrest een respijt van 2 maanden werd in acht genomen.

Arrest :

De geconsolideerde versie van deze tekst is niet beschikbaar.