Arbeidsrechtbank: Vonnis van 17 November 2006 (Brussel). RG 3653/05

Datum :
17-11-2006
Taal :
Nederlands
Grootte :
8 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20061117-8
Rolnummer :
3653/05

Samenvatting :

Samenvatting 1

Vonnis :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

2 de kamer - openbare zitting van 17 november 2006

VONNIS

A.R.. nr 3653/05

Arbeidsovereenkomst-bediende Aud. nr

tegensprekelijk vonnis Rep. nr 06/21829

IN ZAKE :

Mevrouw A, wonende

Eiseres

vertegenwoordigd door

TEGEN:

B met zetel gevestigd

Verweerster

vertegenwoordigd door

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdend het Gerechtelijk Wetboek.

Gelet op de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Gelet op de gedinginleidende dagvaarding betekend op 17 februari 2005 door Meester Christine Maginelle, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Meester Christian Mellaerts, gerechtsdeurwaarder met kantoren te 1030 Schaarbeek.

Gelet op de verbeterde beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 29 november 2005, waarbij conclusietermijnen werden bepaald en de zaak werd vastgesteld voor pleidooien op 4 september 2006.

Gelet op de conclusies en syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 9 mei 2005, 2 maart 2006 en 10 juli 2006.

Gelet op de conclusies en syntheseconclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 3 oktober 2005 en 23 mei 2006.

De wettelijke poging tot minnelijke schikking overeenkomstig artikel 734, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek bleef vruchteloos.

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 4 september 2006 waarna de debatten werden gesloten.

Gelet op het schriftelijk advies van mevrouw D. ADAMS, Eerste Substituut-Arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 14 september 2006.

Gelet op de kennisgeving van het schriftelijk advies aan partijen op 14 september 2006 bij toepassing van artikel 767 § 3 van het Gerechtelijk Wetboek waarbij de repliektermijn werd bepaald uiterlijk tot 16 oktober 2006.

Gelet op de repliek van verwerende partij ontvangen ter griffie op 16 oktober 2006.

De zaak werd op 16 oktober 2006 in beraad genomen.

Gelet op de bundels van partijen neergelegd ter openbare terechtzitting van 4 september 2006.

DE VORDERING

Mevrouw A vordert veroordeling van de B tot betaling van:

Ø 11.946,23 euro ten titel van bijkomende verbrekingsvergoeding

Ø 28.709,82 euro ten titel van forfaitaire schadevergoeding in toepassing van de Wet

van 11 juni 2002 (Pestwet) en ondergeschikt ten titel van schadevergoeding

wegens misbruik van ontslagrecht

Ø 172,04 euro ten titel van loon voor de werkdag van 14 december 2004

Ø wettelijke interesten vanaf 14 december 2004 en gerechtelijke interesten op de

gevorderde bedragen

Ø de kosten.

Alvorens recht te doen vordert mevrouw A, desgevallend, haar te machtigen met alle middelen van recht inclusief het getuigenverhoor, om het pesten ten aanzien van haar persoon te bewijzen.

Mevrouw A vordert het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder zekerheidsstelling en mits uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

DE FEITEN

B is een netwerk van Europese NGO's die racisme bestrijden in alle lidstaten van de Europese Unie.

B werd in het 1998 opgericht om deze NGO's een forum te bieden om onderling informatie uit te wisselen en om de discriminatieproblematiek onder de aandacht te brengen van de Europese instanties.

B is een internationale V.Z.W. met statuten onder Belgisch recht en met rechtspersoonlijkheid en wordt jaarlijks gefinancierd door de Europese commissie (90%) en door giften en bijdragen.

Op 18 november 2002 wordt mevrouw A aangeworven als 'Policy Manager' met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, in vervanging van mevrouw C (stuk 7 bundel eiseres).

Mevrouw A stond onder het gezag van de ‘ Director ‘, mevrouw D.

Mevrouw A stelt dat zij door mevrouw D op verschillende manieren herhaaldelijk gepest werd.

Deze pesterijen bestaan uit :

- functie: mevrouw D trachtte eenzijdig de functie van mevrouw A

te wijzigen door haar te verbieden deel te nemen aan statutaire

vergaderingen en externe of interne evenementen

- discussie over overuren - betaling van reeds gepresteerde overuren meer dan 1

maand na de anderen(stukken 9, 25,26, 8, 79, 80, 81, 88, 37, 59, 64, 68 bundel

eiseres)

- werklast en vernederingen (getuigenissen E, F, en G

stukken 8, 15 en 17 bundel eiseres)

- boycot

- isolatie

- verbod aan collega's om met haar te spreken (getuigenis E en G

stuk 8, 15 bundel eiseres)

- doorgeven van valse informatie aan de raad van bestuur

- valse beschuldigingen (stuk 31, 55 en 56 bundel eiseres).

- intimidaties ( stuk 97 bundel eiseres).

- zwartmakingen bij andere personeelsleden (getuigenis H stuk 24 bundel

eiseres).

- voortdurende correcties

- gebrekkige communicatie met haar oversten

- afnemen van verantwoordelijkheden: beleidsontwikkeling, deelname en de rol

in statutaire vergaderingen en conferenties, interviews met de pers (stukken 43,

45,46, 49, 55, 60, 61, 62, 67 bundel eiseres)

- denigreren van het werk (stukken 90 bundel eiseres)

- verspreiding van valse geruchten met betrekking tot het ontslag (stukken 85,86

bundel eiseres)

Begin juni 2004 neemt mevrouw A telefonisch contact op met mevrouw I, preventieadviseur voor J, om haar advies te vragen ten opzichte van het gedrag van mevrouw D.

Op 24 juli 2004 worden zowel mevrouw D als mevrouw A ondervraagd door twee leden van de ‘staffing group' (houdt zich bezig met personeelszaken en met beslissingen betreffende aanwerving of ontslag van personeel) betreffende de relatie tussen beide en het aanslepende conflict en er wordt hen bevestigd dat de nodige maatregelen zullen worden getroffen om het pesten te doen ophouden.

Bij schrijven van 16 september 2004, na incidenten over de kwaliteit van het werk, vraagt mevrouw D aan haar advocaat om een opzeggingsbrief voor mevrouw A op te stellen (stuk 7 bundel verweerster).

Omdat de interne procedure tot geen enkele oplossing leidt dient mevrouw A op 2 september 2004 een gemotiveerde formele klacht in bij de preventieadviseur mevrouw I bij J (stuk 41 bundel eiseres).

Op 17 september 2004 verwittigt mevrouw I de werkgever B dat er een klacht voor het pesten op het werk door mevrouw A werd ingediend in het kader van de wet van 22 juni 2002 en waarbij ze in haar verslag concludeert dat mevrouw D het werk van mevrouw A onmogelijk maakt (stuk 52 bundel eiseres).

Op 25 oktober 2004 klaagt mevrouw A zowel telefonisch als per e-mail nogmaals aan mevrouw I de onhoudbare werkomstandigheden tengevolge van de pesterijen, aan (stuk 70 bundel eiseres).

Op dezelfde dag deelt de heer K, Luxemburgs lid van de raad van bestuur en nieuw lid van de ‘staffing group' en door het personeel verkozen tot vertrouwenspersoon in het kader van de Pestwet, de beslissingen mee omtrent de klacht van mevrouw A in het kader van de Pestwet en bevestigt dat het ontslag van mevrouw A ter sprake is gekomen doch dat er geen meerderheid werd bereikt om haar te ontslaan en dat er bijgevolg is een beslissing werd genomen (stukken 71,94 bundel eiseres).

Na beide partijen gehoord hebben en na afname van de getuigenissen van de andere leden van het personeel maakt mevrouw I, preventieadviseur bij J, haar advies over op 29 oktober 2004 en stelt dat het wederzijds vertrouwen en het wederzijds respect tussen mevrouw D en mevrouw A totaal zoek is en dat een verdere samenwerking niet aangewezen is (stuk 66 bundel eiseres).

De raad van bestuur van B probeert de zaken op te lossen en stelt een maand schorsing voor aan mevrouw A van 10 november 2004 tot 9 december 2004 teneinde de meeste geschikte oplossing te vinden om aan de conclusies van de preventieadviseur gevolg te geven (stuk 61 bundel eiser).

B beslist de arbeidsovereenkomst zowel van mevrouw A als van mevrouw D te beëindigen.

Op 14 december 2004 wordt mevrouw A ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 4 maanden ten bedrage van 16.763,58 euro bruto(stuk 89 bundel eiseres).

Op 26 januari 2006 wordt mevrouw D ontslagen met een opzeggingstermijn gelijk aan 8 maanden loon.

TEN GRONDE

I. De bijkomende verbrekingsvergoeding

B heeft reeds een opzeggingsvergoeding toegekend gelijk aan 4 maanden loon.

Mevrouw A meent dat zij aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon.

Overeenkomstig artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 dient de opzeggingstermijn bij gebrek aan akkoord tussen partijen door de Rechter te worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en de belangrijkheid van zijn functie en van het bedrag van zijn loon, volgens de gegevens eigen aan de zaak en met inachtneming van de beiderzijdse belangen (Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron., 1994, 253: noot: TAQUET, M., WANTIEZ, C., Le caractère forfaitaire des délais et des indemnités de préavis, JTT, 1994, 405-406).

De Rechter is bij het begroten van de opzeggingstermijn niet gebonden door de talrijke rekenkundige formules ontworpen door de rechtsleer (Arbeidshof Luik, 5 mei 1993, JTT, 1995, 173).

De bepaling van de opzeggingstermijn dient strikt individueel te gebeuren.

De economische of financiële toestand van de werkgever kan evenmin invloed hebben op de bepaling van de opzeggingstermijn (Arbeidshof Brussel 26 oktober 1977, J.T.T. 1978, 48; Arbeidshof Luik 19 maart 1986, Soc. Kron. 1987, 57; Arbeidshof Brussel 29 april 1998, J.T.T. 1998, 438).

Rekening houdend met de anciënniteit van mevrouw A van 2 jaar, haar leeftijd van 29 jaar, haar functie, loon en met al de elementen eigen aan de zaak, oordeelt de rechtbank dat een opzeggingsvergoeding gelijk aan 4 maanden loon zeer billijk is.

De vordering tot het bekomen van een bijkomende opzeggingstermijn gelijk aan twee maanden loon is bijgevolg ongegrond.

Basisjaarloon

Mevrouw A stelt dat het basisjaarloon 57.419,61 euro bedraagt.

B betwist de opneming van het gemiddelde variabele loon op jaarbasis ten bedrage van 6.048,68 euro in de berekening van het basisjaarloon daar op het ogenblik van het ontslag mevrouw A geen recht meer had op overloon vermits op het ogenbik van haarontslag zij geen overuren meer mocht presteren.

Artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de vergoeding verschuldigd bij een opzeggingsvergoeding gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn.

De opzeggingsvergoeding omvat niet alleen het lopend loon maar ook de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst onder andere het variabel loon.

Overeenkomstig Cassatierechtspraak moet de opzeggingsvergoeding worden berekend met inachtneming van het loon waarop de werknemer op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag recht heeft (Cass.9 mei 1994, J.T.T. 1995, 8; Cass.16 november 1992, J.T.T. 1993, 230; Cass.14 november 1994, J.T.T. 1995, 349; Cass.18 september 2000, J.T.T. 2000, 499).

Bijgevolg indien door de werkgever voor het ontslag een bepaald recht op betaling van variabel loon wordt herroepen dan kan het variabel loon niet worden opgenomen in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding.

In casu mocht mevrouw A op het ogenblik van haar ontslag geen overuren meer presteren en had zij dus op het ogenblik van ontslag geen recht meer op betaling van overuren zodat dit variabel loon niet kan worden opgenomen in de berekeningsbasis.

Het basisjaarloon bedraagt bijgevolg 51.370,93 euro .

Een opzeggingsvergoeding van 4 maanden bedraagt 17.123,64 euro bruto.

B heeft reeds het bedrag van 16.763,58 euro betaald en stelt in besluiten dat zij nog een saldo van 360,06 euro aan mevrouw A verschuldigd is.

Mevrouw A is bijgevolg nog gerechtigd op het saldo verbrekingsvergoeding ten bedrage van 360,06 euro .

II. De vordering gesteund op de Pestwet

De wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Pestwet genoemd, in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 22 juni 2002, voegt een nieuw hoofdstuk V bis toe aan de Welzijnswet van 4 augustus 1996.

Artikel 32 ter, 2° van de Welzijnswet omschrijft pesterijen op het werk als elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

Pesterijen veronderstellen het bestaan van een onrechtmatig gedrag. De normale uitoefening van het werkgeversgezag kan niet beschouwd worden als pesterij, zelfs al kan de werknemer de houding van zijn werkgever moeilijk aanvaarden (Arbh. Antwerpen 7 juni 2004, Soc. Kron. 2005, 448; Arbh. Brussel 5 februari 2004, Soc. Kron. 2005, 494).

Artikel 32 nonies van de Welzijnswet bepaalt dat de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, zich kan richten ofwel tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon, ofwel tot de bevoegde inspectiediensten en dat hij in voorkomend geval bij die personen een met redenen omklede klacht kan indienen.

De bevoegde preventieadviseur onderzoekt volledig onpartijdig de met redenen omklede klacht en doet aan de werkgever een voorstel betreffende passende maatregelen.

Artikel 32 decies van de Welzijnswet bepaalt dat al wie een belang kan aantonen een vordering tot schadevergoeding kan instellen en/of een vordering tot staking van het agressieve gedrag tegen degenen die zich daaraan schuldig maakt en tegen de werkgever.

Artikel 32 tredecies van de Welzijnswet voorziet in een ontslagbescherming van de werknemer die beweert het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag die volgens de daartoe voorziene interne procedures een klacht heeft ingediend of een rechtsvordering heeft ingesteld.

De werkgever die een werknemer tewerkstelt die een met redenen omklede klacht heeft ingediend kan de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan de rechtsvordering.

De ontslagbescherming vangt aan zodra de preventieadviseurs de werkgever heeft ingelicht over de inleiding van een met redenen omklede klacht (Arbrb. Doornik 13 mei 2005, AR nr 23.924 in tijdschrift "Sociaal Recht|& Human Resources", Nieuwsbrief-Ontslag, Advocaten Claeys & Engels, Kluwer, nr 13).

Artikel 32 undecies van de Welzijnswet bepaalt dat wanneer een persoon die een belang kan aantonen, voor het rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, de bewijslast dat er zich geen geweld , pesterijen of ongewenst seksueel gedrag heeft voorgedaan, ten laste van de verweerder valt.

De werknemer die zich wenst te beroepen op de omkering van de bewijslast moet duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aanvoeren waaruit men moet kunnen afleiden dat hij het slachtoffer is van onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet.

De aangevoerde feiten moeten voldoende in tijd en ruimte omschreven zijn en toe te rekenen aan identificeerbare personen. De werknemer kan gebruikmaken van het onderzoek dat gevoerd werd door de bijzondere preventieadviseur (Arbrb.Brussel 30 november 2004, J.T.T. 2005, 201; Arbh.Antwerpen 7 juni 2004, o.c.).

De bewijslast van de redenen die vreemd zijn aan de klacht of aan de rechtsvordering berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen binnen 12 maanden volgend op het indienen van de klacht.

Wanneer de werkgever de arbeidsverhouding beëindigt in strijd met ontslagbescherming, kan de werknemer verzoeken hem opnieuw in de onderneming op te nemen onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven.

Indien geen verzoek tot reïntegratie door de werknemer wordt ingediend is de werkgever verplicht de ontslagvergoeding te betalen wanneer de arbeidsrechtbank de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen acht.

In casu heeft mevrouw A haar reïntegratie niet gevraagd en moeten de feiten die het pesten uitmaken door de rechtbank bewezen geacht worden opdat eiseres aanspraak zou kunnen maken op de schadevergoeding voorzien in de Pestwet.

B stelt dat de vordering van mevrouw A ongegrond is daar zij geen feiten kan aanvoeren als pesterijen in de zin van de Pestwet en dat ze ontslagen werd omwille van ontoereikende prestaties, misbruik van de klachtenprocedure en dat de beslissing om haar te ontslaan reeds voor de neerlegging van de klacht, genomen was.

In haar klacht van 2 september 2004, ingediend bij de preventieadviseur mevrouw I beklaagt mevrouw A zich aangaande pesterijen en tegenwerkingen van mevrouw D die er alles aan doet om haar het leven zuur te maken zoals boycot, isolatie, gebrek aan communicatie, verbod aan collega's om nog met haar te spreken, afnemen van verantwoordelijkheden, doorgeven van valse informatie aan de raad van bestuur, valse beschuldigingen, intimidaties en zwartmaking (stuk 41 bundel eiseres).

Als bewijs voegt mevrouw A verklaringen van collega's, mevrouw E, F, G en de heer H die haar eigen beweringen, deze van J en van K, toenmalig vertrouwenspersoon bij B en vertegenwoordiger van het personeelsbeleid in de raad van bestuur, bijtreden (stukken 8,24,15, 17en 87 bundel eiseres).

De aangehaalde pesterijen steunen dus op schriftelijke bewijzen en op getuigenissen van collega's en de verslagen van de preventieadviseur en interne vertrouwenspersoon, tevens vertegenwoordiger van het personeelsbeleid, K.

B betwist niet dat mevrouw D haar collega's en ook mevrouw A niet altijd correct heeft behandeld doch stelt dat de problemen te maken hebben met de gezagsverhouding tussen mevrouw D en mevrouw A en geen pesterijen uitmaken.

Volgens B blijkt uit het volledige dossier dat er een zeer ernstig verstoorde relatie bestond tussen mevrouw D en mevrouw A en dat verdere samenwerking niet mogelijk was maar dat het ook onmogelijk was daarbij aan te wijzen wie schuldig en onschuldig was daar er ongetwijfeld provocaties waren van beide zijden.

Als gevolg van deze verstoorde relaties heeft B gekozen voor het ontslag van beide partijen.

Om te bewijzen dat mevrouw A ontslagen werd om redenen die vreemd zijn aan de klacht stelt B:

- dat de ontslagbeslissing genomen was voor het indienen van de klacht

- dat het ontslag het gevolg was van het slechte presteren van mevrouw A

- dat beide personen betrokken in het conflict werden ontslagen

Bij schrijven van 16 september 2004, na incidenten over de kwaliteit van het werk, vraagt mevrouw D inderdaad aan haar advocaat om een opzeggingsbrief voor mevrouw A op te stellen (stuk 7 bundel verweerster).

Dit is echter een eenzijdige beslissing van mevrouw D en deze brief getuigt op geen enkele wijze van een beslissing van de raad van bestuur om mevrouw A te ontslaan.

Mevrouw D is bovendien niet bevoegd om te beslissen over het ontslag van personeelsleden.

In zijn rapport van 25 oktober 2004 verklaart de heer K dat slechts één persoon het ontslag van mevrouw A in de raad van bestuur voorgesteld had en de grote meerderheid van de leden er tegen was (stuk 94 bundel eiseres).

De beslissing om mevrouw A te ontslaan was dus niet genomen door de bevoegde organen op 16 september vermits de raad van bestuur op 15, 16 en 17 oktober geen beslissingen genomen had en dit op 25 oktober 2004 aan mevrouw A schriftelijk werd bevestigd.

Mevrouw A had echter reeds op 2 september 2004 een klacht bij de preventieadviseurs J ingediend en werd pas effectief ontslagen op 14 december 2004 zodat de ontslagbescherming in werking treedt.

B stelt dat uit de waarschuwing die mevrouw A ontving van de ‘staffing group' van B op 28 juni 2004, uit de opmerking van mevrouw D aan mevrouw A op 30 augustus 2004 omtrent een ontwerp van rapport die niet zou beantwoorden aan haar verwachtingen en uit een opmerking (met herhaling 4 dagen later) over een niet gerespecteerde termijn met voldoende zekerheid blijkt dat mevrouw A niet voldeed voor haar functie en dat dit de reden is van haarontslag (stukken 4, 5, 6, 11 en 12 bundel verweerster).

De Rechtbank is echter van mening dat uit de concrete feiten en illustraties, de getuigenverklaringen van collega's en het rapport van de preventieadviseur naar aanleiding van de klacht onbetwistbaar kan worden besloten dat mevrouw D een repetitief en onrechtmatig pestgedrag had ten aanzien van mevrouw A zodanig dat deze laatste belemmerd was om haar functie naar behoren uit te oefenen.

B blijft in gebreke de vermoedens van pesterijen zoals weergegeven door mevrouw A te weerleggen aan de hand van bewijsmateriaal.

B blijft dus in gebreke het bewijs te leveren dat de aangehaalde feiten geen pesterijen uitmaken.

Na het verslag van J waarin geadviseerd werd om de samenwerking tussen mevrouw D en mevrouw A niet verder te zetten besloot B om beiden te ontslaan doch dit levert geen bewijs van de ongegrondheid van de klacht wegens pesterijen van mevrouw A.

B weerlegt op geen enkele manier de aangebrachte bewijzen van mevrouw A en beperkt zich te stellen dat mevrouw D en mevrouw A individuele conflicten hadden doch dat deze feiten geen aanwijzingen zijn van pesten.

De rechtbank is van oordeel dat de pesterijen bewezen zijn en dat de forfaitaire schadevergoeding zoals voorzien in de Pestwet verschuldigd is.

In punt I. werd het basisjaarloon vastgelegd op 51.370,93 euro zodat de forfaitaire schadevergoeding gelijk aan 6 maanden loon in toepassing van de Pestwet gelijk is aan 25.685,46 euro .

III. Achterstallig loon

Mevrouw A vordert 172,04 euro ten titel van loon voor de werkdag van 14 december 2004.

Ter zitting verklaart B dat de betaling van het loon voor de werkdag van 14 december 2004 geen probleem is.

De vordering is bijgevolg gegrond.

IV. Uitvoerbaarheid

Mevrouw A vordert het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorbaat zonder borgstelling noch kantonnement.

Volgens mevrouw A is de financiële toestand van B precair om reden dat B voor 90% gefinancierd is via subsidies van de Europese commissie en de overeenkomst met de Europese commissie van jaar tot jaar loopt

zodat bijgevolg de toekenning van subsidies aan B voor de periode 1 mei 2006 tot 30 april 2007 nog onzeker is.

Mevrouw A stelt dat elke besteding van B op voorhand moet gebudgetteerd zijn opdat het door de commissie als een gerechtvaardigde spendering zou worden aanzien en dat de kans groot is dat de Europese commissie deze veroordeling niet als een gelegitimeerde spendering aanvaardt.

De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is dat mevrouw A moet wachten op een verzoek van bijkomende fondsen aan de Europese commissie temeer daar B in haar besluiten stelt dat voor de periode 1 mei 2006 tot 30 april 2007 wel degelijk subsidies werden ontvangen.

De Rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar.

Het recht op kantonnement van de schuldenaar houdt in dat de schuldeiser niet onmiddellijk het voordeel kan genieten van de te zijnen gunste uitgesproken veroordelingen met de bedoeling de schuldenaar te beschermen tegen het risico van insolvabiliteit van de schuldeiser, wanneer deze het bedrag van de veroordelingen zou dienen terug te betalen.

Het recht tot kantonnement kan door de rechter slechts uitgesloten worden indien in concreto wordt vastgesteld dat de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt (artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek; Arbh. Luik, 19 mei 1990, Pas., 1990, II, 228).

De schuldeiser die de uitsluiting van kantonnement vordert draagt de bewijslast en moet in concreto het ernstig nadeel aanwijzen waaraan hij zou kunnen worden blootgesteld bij vertraging van uitvoering van de overeenkomst.

In casu wordt geen nadeel aangetoond.

De toegekende bedragen hebben geen betrekking op de uitbetaling van achterstallig loon doch betreffen een forfaitaire schadevergoeding.

Het kantonnement geldt als betaling overeenkomstig artikel 104, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek en beschermt mevrouw A tegen insolvabiliteit van B.

Het kantonnement wordt niet afgewezen.

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Gehoord mevrouw D. Adams, Eerste Substituut Arbeidsauditeur, in haar eensluidend schriftelijk advies m.b.t. de vordering i.v.m. de Pestwet.

Rechtsprekend op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond:

Veroordeelt B tot betaling van:

Ø 360,06 euro ten titel van saldo opzeggingsvergoeding

Ø 25.685,46 euro ten titel van forfaitaire schadevergoeding in het kader van de

Wet van 11 juni 2002

Ø 172,04 euro ten titel van achterstallig loon

Ø de wettelijke intresten vanaf 14 december 2004 en de gerechtelijke intresten op

de overeenstemmende netto bedragen, na aftrek, in voorkomend geval, van de

wettelijke voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de

bedrijfsvoorheffing van de brutobedragen

Verklaart het vonnis uitvoerbaar.

Laat het kantonnement toe.

Verklaart het overige van de vordering ongegrond.

Veroordeelt B tot de kosten begroot voor mevrouw A op 113,04 euro dagvaardingskosten en 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken door de 2de Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel, in openbare zitting van 17/11/2006 , door :

Marie-Charlotte VANTOMME, Ondervoorzitter,

Tommy DEJONCKHEERE, Rechter in sociale zaken - werkgever,

Koen DRIES, Rechter in sociale zaken - bediende,

Bijgestaan door Nathalie DE SCHRIJVER, Afgevaardigde adj. griffier,

de Afgevaardigde adj. griffier, de Rechters in sociale zaken, De Ondervoorzitter,

Nathalie DE SCHRIJVER Koen DRIES Tommy DEJONCKHEERE Marie-Charlotte VANTOMME