We are very happy to see that you like our platform! At the same time, you have reached the limit of use... Sign up now to continue.

Hof van Beroep: Arrest van 17 Maart 2010 (Brussel). RG 2003/AR/904

Datum :
17-03-2010
Taal :
Nederlands
Grootte :
16 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20100402-2
Rolnummer :
2003/AR/904

Samenvatting :

1. Overeenkomstig artikel 34 van de wet op de landsverzekeringsovereenkomst bedraagt de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst 3 jaar. De vordering van de verzekeringsnemer is gesteund op de contractuele wanprestatie van de rechtsbijstandverzekeraar met name een professionele fout in het beheer van het dossier, en heeft aldus een contractuele grondslag. Het betreft bijgevolg een rechtsvordering die voortvloeit uit de verzekeringsovereenkomst zodat artikel 34 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van toepassing is. Artikel 34 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de termijn van drie jaar begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan. Wanneer degene aan wie de rechtsvordering toekomt het bewijs levert dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval 5 jaar na het voorval, behoudens bedrog. De verzekeringsnemer stelt dat hij ingevolge het slecht beheer van zijn dossier in het algemeen en meer bepaald o.a. ingevolge het laten verjaren van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de tegenpartij en het laten verstrijken van de termijn om hoger beroep in te stellen, schade geleden heeft. Of de rechtsbijstandverzekeraar zijn verplichtingen correct had uitgevoerd dan wel of de verzekeringsnemer door zijn wanbeheer schade had geleden kon de verzekeringsnemer ten vroegste vaststellen wanneer de rechtsbijstandverzekeraar zijn tussenkomst beëindigd had. De verzekeringsnemer kreeg op 10 maart 1997 kennis van het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank zodat de verjaringstermijn op deze datum een aanvang nam. De dagvaarding werd op 31 maart 1999 aan de rechtsbijstandsverzekeraar betekend, hetzij binnen de termijn van 3 jaar beginnende vanaf 10 maart 1997. 2.1. De verzekeringsnemer verwijt aan de rechtsbijstandsverzekeraar nalatigheden bij het uitvoeren van zijn opdracht waardoor de verjaring tegen de Griekse verzekeraar van de derde aansprakelijke voor het ongeval is ingetreden wat in oorzakelijk verband staat met de nog steeds volstrekt afwezige vergoeding van de door hen geleden schade tengevolge van het ongeval van 4 juli 1988. Volgens de tussen de rechtsbijstandsverzekeraar en de verzekeringsnemer gesloten verzekeringspolis heeft de waarborg rechtsbijstand onder andere tot doel verhaal uit te oefenen tegen de personen die aansprakelijk zijn voor het schadegeval waarbij het verzekerde motorrijtuig betrokken is, ten einde schadeloosstelling van de door een verzekerde geleden materiële en lichamelijke schade te bekomen. Volgens de bepalingen van de polis diende de rechtsbijstandsverzekeraar via haar correspondent alles in het werk te stellen om zo vlug mogelijk de identiteit van de verzekeraar van de aansprakelijke derde te kennen en een verhaal tegen deze verzekeraar uit te oefenen, minstens de nodige stappen te ondernemen om de verjaring van de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde te stuiten of te schorsen. Als verzekeraar die goed op de hoogte is of moet zijn van de verjaringstermijnen in het kader van verzekeringscontracten had de rechtsbijstandsverzekeraar zich bij zijn Griekse zustermaatschappij moeten informeren omtrent de volgens het Griekse recht toepasselijke verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijke derde. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft in casu gewacht (stilgezeten: hij heeft de gevraagde originelen op dat ogenblik niet overgemaakt maar zich beperkt tot de vraag waarom de originelen nodig waren) om te reageren tot een datum nadat de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde was ingetreden. Aan de door de verzekeringsnemer onder de arm genomen Belgisch raadsman kan niet verweten worden dat hij niet de nodige stappen heeft ondernomen om de verjaring van de rechtstreekse vordering te stuiten of te schorsen. Hij heeft zijn tussenkomst als raadsman van de verzekeringsnemer aan de rechtsbijstandsverzekeraar naar behoren gemeld en het is pas op een datum nadat de verjaring was ingetreden, nadat hij reeds een herinneringsbrief had gestuurd dat de rechtsbijstandsverzekeraar hem bevestigd heeft dat hij de belangen van de verzekeringsnemer mocht behartigen en dat hem het dossier wordt overgemaakt. De omstandigheid dat het strafvonnis dat de aansprakelijkheid van de tegenpartij definitief heeft vastgesteld, slechts dateert van een latere datum, anderhalf jaar na het verstrijken van de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke partij, doet aan de fout van de rechtsbijstandsverzekeraar geen afbreuk. 2.2. De verzekeringsnemer stelt de rechtsbijstandsverzekeraar aansprakelijk wegens nalatigheid in het beheer van het dossier en wegens fout in de keuze van haar correspondenten. Concreet wordt aan de rechtsbijstandsverzekeraar verweten dat de schade-eis die voor de Griekse rechtbank werd ingesteld niet volledig overeenstemde met de schade-eis die de Belgisch raadsman van de verzekeringsnemer had opgesteld en die de rechtsbijstandsverzekeraar had laten vertalen, dat de door de Griekse rechtbank toegekende bedragen bedroevend laag waren en dat de rechtsbijstandsverzekeraar de verzekeringsnemer niet geadviseerd heeft met betrekking tot de beroepsmogelijkheden tegen het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank. Uit geen enkel stuk blijkt dat de rechtsbijstandsverzekeraar de aanpassing van de initieel door de (raadsman van de) verzekeringsnemer gevorderde bedragen zelf heeft doorgevoerd, laat staan op de hoogte was van de wijziging gemaakt door de Griekse advocaat. Er is ook geen reden om aan te nemen dat de verzekeraar deze wijziging had moeten opmerken temeer omdat de conclusie van de Griekse advocaat tijdig aan de raadsman van de verzekeringsnemer werd overgemaakt. De rechtsbijstandsverzekeraar ontving de conclusie van de Griekse advocaat bij brief van 5 juli 1993 van zijn Griekse zustermaatschappij, welke hij op 19 juli 1993 heeft verzonden aan de Belgische raadsman en aan de verzekeringsmakelaar van de verzekeringsnemer en heeft hen tegelijkertijd verwittigd dat de zitting vastgesteld was op 18 februari 1994. Bijgevolg kwam het niet aan de rechtsbijstandsverzekeraar toe om de overgemaakte conclusie met de schade-eis van de verzekeringsnemer te vergelijken en beschikte de verzekeringsnemer die bijgestaan was door een raadsman in België over voldoende tijd om zijn opmerkingen met betrekking tot de door de Griekse advocaat ingestelde vorderingen bekend te maken. Tenslotte wordt ook niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de Griekse rechtbank een hogere vergoeding dan het initieel gevorderde bedrag zou hebben toegekend indien het vooropgesteld bedrag gevorderd was geweest. Vermits de advocaat zijn opdracht niet in onderaanneming van de rechtsbijstandverzekeraar uitvoert en ook geen lasthebber of uitvoeringsagent van de rechtsbijstandverzekeraar is, ook al heeft deze hem aangesteld, is de rechtsbijstandverzekeraar niet aansprakelijk voor eventuele tekortkomingen van de advocaat in de uitoefening van zijn mandaat. Wanneer de verzekeraar een advocaat aanwijst is de verzekerde en niet de verzekeraar de opdrachtgever van de advocaat die dan een mandataris ad litem is. Het is de advocaat die vervolgens de verzekerde op de hoogte moet houden van het verloop van de procedure, gebeurlijk via de rechtsbijstandverzekeraar, en hem advies moet verstrekken omtrent de juridische verhaalsmogelijkheden in het kader van de te voeren procedure. 2.3. De verzekeringsnemer stelt dat de rechtsbijstandsverzekeraar of zijn zustermaatschappij in Griekenland fouten heeft begaan die ertoe geleid hebben dat de voor de Griekse rechtbank bekomen schadevergoedingen veel te laag waren. De verzekeringsnemer verwijt aan de rechtsbijstandsverzekeraar dat hij hem niet op de hoogte heeft gebracht van de beroepsmogelijkheden tegen het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank wat kaderde in zijn verplichting advies te verlenen en zijn verzekerde omtrent zijn rechten te informeren. Er blijkt echter, nadat de verzekeringsnemer het Griekse vonnis met zijn Belgische raadsman heeft besproken, geen vraag te zijn gesteld naar de beroepsmogelijkheden (enkel werd gemeld dat de vergoedingen bedroevend laag waren en dat er geen rekening werd gehouden met de voertuigschade), hoewel de verzekeringsnemer die bijgestaan werd door een raadsman, dit had kunnen doen. De verzekeringsnemer liet eerder uitschijnen dat hij in het Griekse vonnis berustte vermits hij de uitvoering ervan vorderde. De verplichting tot advies in hoofde van de rechtsbijstandverzekeraar omtrent de omvang van de rechten van de verzekerde en de manier waarop hij ze kan laten gelden zoals bv. door het instellen van hoger beroep, vervalt eens dat de verzekerde bijgestaan wordt door een raadsman. In die omstandigheden kan aan de rechtsbijstandsverzekeraar niet verweten worden dat hij zich in het kader van het beheer van het dossier niet heeft geïnformeerd omtrent het bestaan van rechtsmiddelen en aan de verzekeringsnemer niet heeft gemeld of er al dan niet beroepsmogelijkheden bestonden.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

IN ZAKE VAN:

De consorten K.

appellanten,

Advocaat: Mr. WILLEMS Luc;

TEGEN:

De NV A.;

geïntimeerde,

Advocaat: Mr. VALVEKENS en VANHAMEL;

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het vonnis op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 januari 2003, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en waartegen een tijdig en regelmatig hoger beroep werd ingesteld door de consorten K. bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 8 april 2003.

De procedure in eerste aanleg.

Bij dagvaardingexploot betekend op 31 maart 1999 hebben de consorten K. een inleidende vordering ingesteld tegen de N.V. A. die ertoe strekte laatstgenoemde te horen veroordelen om te betalen aan:

- K.K. de som van 1.000.000 BEF ( euro 24.789,35)

- D.P. de som van 5.000.000 BEF ( euro 123.946,76)

- aan K.K. en D.P. qq. de kinderen K., 50.000 BEF ( euro 1.239,47) aan elk kind,

al deze bedragen te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg dd. 28 mei 1999, gewezen bij verstek werd de vordering van de consorten K. gedeeltelijk gegrond verklaard. NV A. werd veroordeeld om te betalen aan K. K. de provisionele som van 250.000 BEF ( euro 6.197,33), aan D. P. de provisionele som van 1.000.000 BEF ( euro 24.789,35) en aan de ouders voor hun minderjarige kinderen de provisionele som van 50.000 BEF ( euro 1.239,47) aan elk kind, deze bedragen te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 2 april 1997 tot 31 maart 1999 en de gerechtelijke intresten vanaf 1 april 1999.

Tegen het verstekvonnis heeft NV A. verzet aangetekend.

Bij tussenvonnis dd. 20 juni 2001 werden de debatten heropend om NV A. toe te laten haar stukken en voornamelijk de vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift van de burgerlijke procedure voor de Griekse rechter, neer te leggen.

Bij dagvaardingexploot van 21 december 2001 heeft NV A. de N.V. X, vennootschap naar Grieks recht, in tussenkomst en vrijwaring gedagvaard.

Bij het bestreden vonnis werd het verzet van NV A. gegrond verklaard, het verstekvonnis dd. 28 mei 1999 teniet gedaan en de hoofdvordering van de consorten K. ongegrond verklaard. De vordering in tussenkomst en vrijwaring tegen de N.V. X werd ongegrond verklaard.

De consorten K. werden veroordeeld tot de kosten van het geding behalve de kosten van de dagvaarding in vrijwaring en tussenkomst die ten laste van NV A. werden gelaten.

De procedure in hoger beroep.

De consorten K. hebben beroep aangetekend tegen het bestreden vonnis bij verzoekschrift neergelegd op 8 april 2003. Zij vragen het bestreden vonnis te vernietigen en het verzet van NV A. ongegrond te verklaren en hun oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.

In hun syntheseconclusie neergelegd op 30 juni 2008 breiden zij hun vordering uit en vorderen NV A. te veroordelen om te betalen aan:

- K.K. de provisionele som van euro 34.529,14, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet;

- D.P. de provisionele som van euro 511.618,47, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet;

- V.K. de provisionele som van euro 13.821,97, te vermeerderen met de vergoedende intresten;

- D.K. de provisionele som van euro 1.239,47, te vermeerderen met de vergoedende intresten,

alle bedragen te verhogen met de gerechtelijke intresten en kosten.

Ook werd de aanstelling van een deskundige gevorderd met de gebruikelijke opdracht om de toestand van D.P. te onderzoeken.

De N.V. A. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis.

NV A. heeft op 19 september 2003 een akte van hoger beroep laten betekenen aan de vennootschap naar Grieks recht, zijnde NV X, gekend onder het rolnummer 2003/AR/2831, zaak die op de zitting van 10 juni 2009 naar de rol werd verzonden. Geen enkele partij vraagt de samenvoeging van deze zaak met huidige zaak.

De relevante feiten.

De consorten K. werden het slachtoffer van een verkeersongeval te Griekenland op de weg tussen Thessaloniki en Athene op 4 juli 1988.

De aansprakelijkheid van de Griekse bestuurder betrokken in het ongeval staat vast.

De consorten K. waren bij NV A. verzekerd zowel in waarborg burgerlijke aansprakelijkheid BA Plus als in waarborg rechtsbijstand.

Op 31 augustus 1988 hebben zij het ongeval bij hun rechtsbijstandverzekeraar aangegeven.

Bij brief van 14 september 1988 nam NV A. contact op met de vennootschap naar Grieks recht NV X, met de vraag om de zaak voor haar rekening te beheren en de belangen van haar cliënten te behartigen.

In de loop van de maand december 1988 werden mevrouw P. en V.K. door dokter D., raadgevende geneesheer van NV A. onderzocht en de resultaten van het medisch onderzoek werden aan NV A. overgemaakt.

De expertise van het voertuig van de consorten K. vond in Griekenland plaats. Op 31 januari 1989 ontving NV A. het expertiseverslag dienaangaande van NV X.

Bij brief van 19 mei 1989 vroeg NV A. aan NV X om in het licht van de Griekse rechtspraak dringend een advies te geven omtrent de verhaalsmogelijkheden op de tegenpartij van de belangrijke schade geleden door haar verzekerden via gerechtelijke weg.

Op 12 juni 1989 antwoordde NV X dat men een vordering kan richten ten aanzien van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij maar dat de identiteit ervan niet is gekend. NV X wijst er tevens op dat de dekking van de maatschappij beperkt is tot de dekking die deze maatschappij aan haar verzekerde verleent en dat desgevallend de tegenpartij in persoon bij de zaak dient te worden betrokken.

Voor het uitoefenen van het verhaal vraagt NV X de originele documenten over te maken meer bepaald het verzekeringscontract, het expertiserapport, de herstellingsfactuur, de getuigenverklaringen en een ondertekende volmacht teneinde een advocaat in Athene aan te stellen, te weten meester Vagia Kargianni die gemachtigd wordt om een klacht neer te leggen, de zaak te behandelen voor de rechtbank van eerste aanleg te Athene en de toegekende vergoedingen in te vorderen.

Er wordt tevens verzocht om de volmacht tot benoeming van de hoger vermelde Griekse advocaat ondertekend te willen terugsturen.

Op 24 augustus 1989 ontvangt NV A. een schrijven van meester Engelen die zijn tussenkomst als raadsman van de heer K. meldt.

Op 30 augustus 1989 wordt het verzekeringscontract samen met de getekende volmacht door NV A. verstuurd naar NV X. Dit schrijven wordt terugbezorgd omdat NV X van adres is veranderd.

Op 29 januari 1990 maakt NV A. aan NV X haar brief van 30 augustus 1989 met de ondertekende volmacht over en zij vraagt dat een provisie zou worden uitgekeerd, gelet op de belangrijke letsels en het totaal verlies van het voertuig.

Op 26 februari 1990 ontvangt NV A. een schrijven vanwege NV X waarbij gemeld wordt dat zij momenteel niet in de mogelijkheid is om een provisie te verkrijgen, gezien zij niet op de hoogte is van de identiteit van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij en gezien zij bovendien geen klacht kan neerleggen tegen de tegenpartij in persoon, omdat de overgemaakte stukken fotokopijen betroffen, daar waar originelen noodzakelijk waren.

Op 1 augustus 1990 bevestigt NV A. dat mr. Engelen de belangen van de heer K. mag behartigen en wordt het dossier hem overgemaakt.

Op 1 augustus 1990 wordt een faxbericht verstuurd naar NV X met de vraag waarom de originelen van de verzekeringspolis moeten worden opgestuurd gezien het enkel relevant is te weten of de verzekerde al dan niet aansprakelijk is.

Op 3 augustus 1990 antwoordt NV X dat de originele polis door de rechtbank wordt gevraagd en dat de tegenpartij 100 % aansprakelijk is omdat hij dronken was.

Op 31 augustus 1990 worden de gevraagde originele documenten overgemaakt aan NV X met de vraag haar de identiteit van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij over te maken.

Op 4 oktober 1990 ontvangt NV A. van NV X de identiteit en het adres van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij met een officiële vertaling van de vordering van de Procureur des Konings ten aanzien van de drie betichten in de strafzaak betreffende het litigieuze ongeval evenals het resultaat van de bloedproef van zowel de heer K. als de tegenpartij, de heer A.

Op 13 mei 1991 schrijft mr. Engelen, raadsman van de consorten K., een brief in het Grieks aan advocaat Vagia Kargianni waarin hij haar vraagt wat zij gaat ondernemen gelet op de voor de consorten K. gunstige uitspraak en waarin hij voorstelt om druk uit te oefenen op de verzekeringsmaatschappij van beklaagde de vennootschap A.A.

Een kopie van deze brief wordt aan NV A. overgemaakt en mr. Engelen laat aan NV A. weten dat hij verder het nodige doet en haar op de hoogte zal houden.

De brief van mr. Engelen werd door advocaat Vagia Kargianni nooit beantwoord.

Op 16 juli 1991 schrijft NV X een brief aan NV A. waarbij gemeld wordt dat de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij gevraagd heeft om de schade-eisen kenbaar te maken evenals de stavingstukken. NV X meldt hierbij dat het onontbeerlijk is een volmacht op naam van NV X op te stellen teneinde deze toe te laten de door de verzekeringsmaatschappij van tegenpartij voorgestelde bedragen te kunnen ontvangen.

Op 26 november 1991 maakt mr. Engelen de door hem opgestelde schade-eisen in naam van zijn cliënten evenals de medische verslagen aan NV A. over met verzoek deze over te maken aan hun gebruikelijke raadsman te Athene opdat deze het nodige zou kunnen doen op de zitting van 18 december 1991.

Daar deze stukken in het Nederlands waren opgesteld dienden zij in het Grieks te worden vertaald wat niet zonder moeilijkheden gebeurde.

Op 31 december 1991 richtte mr. Engelen een brief aan NV A. waarin hij meldt dat zijn cliënt aanwezig was op de zitting van 18 december 1991 van de rechtbank in Griekenland en dat daar geen advocaat namens NV X aanwezig was.

Op 27 januari 1992 herinnert mr. Engelen aan zijn schrijven van 31 december 1991.

Op 17 februari 1992 verstuurt NV A. de beëdigde vertaling van de schade-eisen en de stavingstukken per aangetekend schrijven aan NV X, met verzoek deze schade-eisen in te dienen bij de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij, en in geval van betwistingen haar gebruikelijke advocaat aan te stellen ter vrijwaring van de belangen van de verzekerde K..

Per fax van 21 mei 1992 meldt NV X dat zij verhaal heeft uitgeoefend bij de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij en dat zij een definitief antwoord afwacht aangaande het bedrag van de schadevergoeding.

Bij brief van 7 augustus 1992 gericht aan NV X wordt door NV A. gewezen op een mogelijke verjaring waardoor iedere vordering in hoofde van de verzekerde K. onmogelijk zou worden. Zij vraagt dat een advocaat zou worden aangesteld om de tegenpartij te dagvaarden. Zij verzoekt om de naam en het adres van de advocaat mede te delen.

Per faxbericht van 1 februari 1993 laat NV X weten dat de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij weigert het schadegeval in der minne te regelen en een beslechting door de rechtbank verkiest.

Bij brief van 23 maart 1993 meldt NV A. aan mr. Engelen dat een zekere advocaat Sivitanidis zou gemachtigd geweest zijn door NV X, met vermelding van zijn faxnummer.

Inmiddels verneemt NV A. dat de consorten K. een andere Belgische advocaat hebben geraadpleegd.

Bij brief van 17 mei 1993 schreef NV A. aan de heer K. dat de zaak hangende was voor de Griekse rechtbank en dat haar vertegenwoordiger een Griekse advocaat had gelast.

Op 1 juni 1993 richt NV A. een fax aan advocaat Sivitanides teneinde de stand van zaken te kennen in de zaak K./ A. Er wordt gevraagd of de zaak ingeleid werd voor het bevoegde rechtscollege. Er wordt gewezen op de dreigende verjaring op 4 juli en er wordt verzocht om de tegenpartij te dagvaarden en de verzekeringsmaatschappij in de zaak te betrekken. Er wordt op gewezen dat alle stukken betreffende de schade-eisen van de consorten K. in het Grieks werden vertaald en eerder aan NV X werden overgemaakt.

Bij aangetekende brief van 2 juni 1993 gericht aan NV A. meldt mr. Willems zijn tussenkomst als raadsman van de consorten K. Hij stelt NV A. in gebreke en aansprakelijk voorhoudende dat zij tekortgeschoten is aan haar verplichtingen als rechtsbijstandverzekeraar gelet op de wijze waarop zij de belangen van haar verzekerde heeft waargenomen, de nalatigheid in het beheer en de foutieve keuze van haar correspondent. Mr. Willems wijst op het feit dat uit een bericht van de raadsman van NV X blijkt dat de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de tegenpartij verjaard is en dat de vordering tegen de verantwoordelijke derde bijna verjaard is. Hij vraagt ook in het bezit te worden gesteld van alle stukken en hij vraagt over een introductiebrief te beschikken voor NV X en hun advocaat ten einde inzage en gebruik ervan met het oog op het instellen van de procedure door de heer Sivitanides, Griekse advocaat.

Hij vraagt tevens dat NV A. zijn ereloon ten laste zou nemen.

Op 9 juni 1993 richt NV A. een aangetekende brief aan NV X. Hieruit blijkt dat in een voorgaande fax van 4 juni 1993 door advocaat Sivitanidis gemeld werd dat de zaak werd vastgesteld voor de rechtbank in Griekenland op 18 februari 1994 en dat hij het nodige heeft gedaan teneinde de verjaring te stuiten die zou verworven zijn op 4 juli 1993.

Verder verzoekt NV A. om verdere specificaties met betrekking tot de bevoegde rechtbank en hoe deze vaststelling tot stand is gekomen. Voor het overige verstrekt zij NV X meerdere informatie omtrent het dekkingsplafond in het kader van de rechtsbijstand en wijst zij erop dat het aan NV X toekomt om op een correcte wijze dit dossier te beheren waarbij zij NV X uitdrukkelijk verzoekt om haar strikt op de hoogte te houden van de actuele toestand van de zaak, de evolutie van de procedure en de stappen die de door NV X aangestelde advocaat onderneemt. Tenslotte wordt tevens verzocht om haar de schade-eis die advocaat Sivitanidis heeft ingediend, over te maken en haar nader in te lichten omtrent de omvang van de schade-eis die volgens het Griekse recht kan worden toegekend.

Een afschrift van deze brief wordt aan mr.Willems overgemaakt.

Op 5 juli 1993 wordt een schrijven vanwege advocaat Sivitanidis door NV X aan NV A. overgemaakt evenals de schade-eis zoals ingediend voor de Griekse rechtbank door advocaat Sivitanidis.

Deze stukken werden tevens op 19 juli 1993 aan mr. Willems overgemaakt en aan de heer K. via zijn makelaar.

Uit het vonnis blijkt dat de zaak op de zitting van 25 september 1995 werd behandeld.

Op 28 november 1996 brengt NV A. de zaak opnieuw in herinnering bij NV X teneinde de stand van zaken te bekomen.

Op 14 februari 1997 meldt NV X dat zij bericht mocht ontvangen van de door haar aangestelde advocaat Mr. Sivitanidis, waarbij deze een kort relaas geeft van de inhoud van het tussengekomen vonnis.

Op 10 maart 1997 maakt NV A. dit schrijven over aan mr. Willems. Hieruit blijkt dat de rechtbank de volgende vergoedingen heeft toegekend:

Aan de heer K.: 80.000 drachmen

Aan mevrouw P.: 1.672.360 drachmen

Aan de ouders voor hun minderjarige kinderen V.K. en D.K.: respectievelijk 80.000 drachmen en 60.000 drachmen.

NV A. meldt dat zij aan NV X vraagt de fondsen bij de derde te recupereren.

Op 11 maart 1997 meldt NV A. per fax aan NV X dat zij verwonderd is over de beperkte omvang van de toegekende bedragen terwijl mevrouw P. zwaar gekwetst is geweest. Zij vraagt dat NV X de fondsen zou recupereren en ze betreurt de wijze waarop het dossier werd beheerd vermits NV X tot in 1993 gewacht heeft alvorens een procedure op te starten terwijl de verjaring ten aanzien van de verzekeraar van de tegenpartij verworven werd.

Bij brief van 18 maart 1997 meldt mr. Willems de ontvangst van het schrijven van NV A. dd. 10 maart 1993 en verheugt hij zich dat er eindelijk vergoedingen werden uitgekeerd.

Hij verwijt aan NV X dat deze de eventuele verjaringstermijnen niet eerder heeft gesignaleerd doch eerder heeft laten uitschijnen dat de verzekeraar A.A. vrijwillig de vergoedingen zou uitkeren.

Hij vraagt dat NV A. zou overwegen de toegekende vergoedingen met de intresten op zijn derdenrekening te storten om ze dan nadien zelf van NV X te recupereren. Hij stelt vast dat de vergoedingen niet hoog zijn gelet op de zware invaliditeit (12 % en 56 %) en vraagt of hier geen vergissing is gebeurd.

Bij schrijven van 2 april 1997 meldt mr. Willems dat zijn cliënten een aansprakelijkheidsvordering wensen in te stellen zowel tegen NV A. als tegen NV X.

Beoordeling.

1. De verjaring van de vordering van de consorten K..

In hoger beroep roept NV A. in dat de vordering van de consorten K. verjaard is op grond van artikel 34 van de wet op de landsverzekeringsovereenkomst.

Overeenkomstig artikel 34 van de wet op de landsverzekeringsovereenkomst bedraagt de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst drie jaar.

De vordering van de consorten K. is gesteund op de contractuele wanprestatie van de rechtsbijstandverzekeraar met name een professionele fout in het beheer van het dossier, en heeft aldus een contractuele grondslag. Het betreft bijgevolg een rechtsvordering die voortvloeit uit de verzekeringsovereenkomst zodat artikel 34 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van toepassing is.

Artikel 34 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de termijn van drie jaar begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan. Wanneer degene aan wie de rechtsvordering toekomt het bewijs levert dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog.

De consorten K. stellen dat zij ingevolge het slecht beheer van hun dossier in het algemeen en meer bepaald o.a. ingevolge het laten verjaren van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de tegenpartij en het laten verstrijken van de termijn om hoger beroep in te stellen, schade geleden hebben.

NV A. laat gelden dat de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de derde aansprakelijke voor het ongeval, volgens Grieks recht, op 31 augustus 1990, zijnde twee jaar na het litigieuze ongeval, is ingetreden en dat dit als het voorval in de zin van artikel 34 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst moet worden beschouwd.

De rechtsvordering van de consorten K. zou aldus volgens NV A. op 31 augustus 1993 verjaard zijn geweest. Alleszins zou de verjaringstermijn vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog, verstreken zijn, te dezen op 31 augustus 1995.

Minstens ving de verjaringstermijn aan vanaf het ogenblik dat de consorten K. zich bewust waren van hun rechten zoals blijkt uit het schrijven van hun raadsman dd. 2 juni 1993, en verstreek de verjaringstermijn van drie jaar vanaf deze datum, op 2 juni 1996.

De dagvaarding werd betekend op 31 maart 1999 en de vordering zou in dat geval ook verjaard zijn.

De consorten K. stellen dat het voorval waarop hun aansprakelijkheidsvordering is gesteund, te dezen ontstaat op het ogenblik dat NV A. het contractueel bepaalde doel onder artikel 1b van de waarborg rechtsbijstand niet heeft behaald nu zij het beheer steeds heeft verder gezet tot de uitspraak van de Griekse rechtbank.

Krachtens artikel 1b van de polis rechtsbijstand heeft de waarborg tot doel, verhaal uit te oefenen tegen de personen die aansprakelijk zijn voor het schadegeval, waarbij het verzekerde voertuig betrokken is, teneinde schadeloosstelling van de door een verzekerde geleden materiële en lichamelijke schade te bekomen.

Het voorval bestaat volgens de consorten K. niet in de opeenvolgende fouten, hangende het beheer doch wel in het feit dat deze opgestapelde fouten gezamenlijk hebben geleid tot het niet hebben kunnen bereiken van het gewaarborgde doel, nl. schadeloosstelling te bekomen en dat dit ten vroegste kon worden bekomen op het ogenblik dat NV A. het resultaat van het vonnis mededeelde zijnde op 10 maart 1997. Slechts op dat ogenblik konden de consorten K. vaststellen dat de toegekende bedragen belachelijk laag waren. Zij hebben hun ongenoegen geuit bij schrijven van hun raadsman dd. 2 april 1997 omdat de vergoedingen bedroevend laag waren en hebben alsdan de wens geuit om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen.

Volgens de consorten K. nam de verjaringstermijn aldus een aanvang op 10 maart 1997 en vervolgens op 2 april 1997 zodat de dagvaarding uitgebracht op 31 maart 1999 binnen de verjaringstermijn van drie jaar ligt en de vordering geenszins verjaard is.

Het wordt niet betwist en staat overigens vast dat NV A. het beheer van het dossier heeft verder gezet na de brief van 2 juni 1993 en bij haar correspondent aangedrongen heeft opdat hij het dossier op correcte wijze zou beheren. Op dat ogenblik had NV X advocaat Sivitanidis aangesteld en was een procedure voor de Griekse burgerlijke rechtbank ingeleid.

De vordering die door de consorten K. is ingesteld betreft een aansprakelijkheidsvordering. Het is pas wanneer de rechtsbijstandverzekeraar zijn tussenkomst beëindigd had dat de consorten K. konden inschatten of NV A. haar verplichtingen als rechtsbijstandverzekeraar correct had uitgevoerd dan wel of zij door haar wanbeheer schade hadden geleden.

De consorten K. konden dit ten vroegste vaststellen op het ogenblik dat zij op 10 maart 1997 kennis kregen van het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank zodat de verjaringstermijn op deze datum een aanvang nam.

De dagvaarding werd op 31 maart 1999 aan NV A. betekend, hetzij binnen de termijn van drie jaar beginnende vanaf 10 maart 1997.

De vordering is niet verjaard.

2. Ten gronde

2.1. De consorten K. verwijten aan NV A. nalatigheden bij het uitvoeren van haar opdracht waardoor de verjaring tegen de Griekse verzekeraar van de derde aansprakelijke voor het ongeval is ingetreden wat in oorzakelijk verband staat met de nog steeds volstrekt afwezige vergoeding van de door hen geleden schade tengevolge van het ongeval van 4 juli 1988.

Volgens artikel 1 van titel III van de tussen NV A. en de heer K. gesloten verzekeringspolis heeft de waarborg rechtsbijstand tot doel, naast de verdediging in rechte van een verzekerde op strafrechtelijk vlak waar te nemen, verhaal uit te oefenen tegen de personen die aansprakelijk zijn voor het schadegeval waarbij het verzekerde motorrijtuig betrokken is, ten einde schadeloosstelling van de door een verzekerde geleden materiële en lichamelijke schade te bekomen.

Met betrekking tot de omvang van de waarborg wordt in artikel 5 a) van Titel III van de polis bepaald dat de maatschappij het beheer van alle geschillen waarneemt en in die mate de erelonen en kosten voor het onderzoek, expertise en procedure, nodig voor de verdediging van de verzekerde voor haar rekening neemt.

Hieruit volgt dat de verzekeraar zich verbindt diensten te verrichten teneinde verhaal uit te oefenen tegen de aansprakelijke derde met het oog op het bekomen van een vergoeding voor de schade die zijn verzekerde naar aanleiding van een schadegeval, geleden heeft.

Bijgevolg diende NV A. via haar correspondent alles in het werk te stellen om zo vlug mogelijk de identiteit van de verzekeraar van de aansprakelijke derde te kennen en een verhaal tegen deze verzekeraar uit te oefenen, minstens de nodige stappen te ondernemen om de verjaring van de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde te stuiten of te schorsen.

Als verzekeraar die goed op de hoogte is of moet zijn van de verjaringstermijnen in het kader van verzekeringscontracten had NV A. zich bij NV X moeten informeren omtrent de volgens het Griekse recht toepasselijke verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijke derde.

Deze termijn bedraagt slechts twee jaar na het ongeval en verstreek bijgevolg op 4 juli 1990 (en niet op 31 augustus 1990 zoals beweerd door NV A.). Dit blijkt uit het advies van advocaat Cotsaki die het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank heeft geanalyseerd en geantwoord heeft op de door NV A. gestelde vragen in verband met de Griekse wetgeving van toepassing op het bewuste ongeval. De inhoud van dit advies wordt door partijen niet betwist.

Ten onrechte stelt NV A. dat haar geen enkele fout kan worden verweten omwille van het niet instellen van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde omdat zij het nodige gedaan heeft opdat tijdig een Griekse raadsman voor de consorten K. zou worden aangesteld en dat laatstgenoemden ook tijdig waren bijgestaan door een Belgische raadsman.

Bij brief van 12 juni 1989 liet NV X aan NV A. weten dat zij voor het uitoefenen van het verhaal originele documenten nodig had, meer bepaald het verzekeringscontract, het expertiserapport, de herstellingsfactuur, de getuigenverklaringen en een ondertekende volmacht teneinde een advocaat in Athene aan te stellen, te weten meester Vagia Kargianni. Deze advocaat zou volgens de volmacht gemachtigd worden om een klacht neer te leggen, de zaak te behandelen voor de rechtbank van eerste aanleg te Athene en de toegekende vergoedingen in te vorderen.

NV X verzocht tevens om de volmacht tot benoeming van de hoger vermelde Griekse advocaat ondertekend te willen terugsturen.

De volmacht wordt door de heer K. op 29 juni 1989 ondertekend.

Op 30 augustus 1989 (en niet op 30 juni 1989 zoals door NV A. voorgehouden) wordt het verzekeringscontract samen met de getekende volmacht door NV A. aan NV X verstuurd. Dit schrijven wordt klaarblijkelijk op 2 oktober 1989 terugbezorgd (bijlage aan brief dd. 30 augustus 1989 stuk 39 dossier van NV A.) omdat NV X van adres was veranderd.

NV A. heeft vervolgens tot 29 januari 1990 gewacht om haar brief van 30 augustus 1989 met de ondertekende volmacht en de door NV X gevraagde stukken over te maken.

Bij brief van 21 februari 1990, door NV A. ontvangen op 26 februari 1990, meldt NV X dat zij momenteel niet in de mogelijkheid is om een provisie te verkrijgen, gezien zij steeds niet op de hoogte is van de identiteit van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij en gezien zij bovendien geen klacht kan neerleggen tegen de tegenpartij in persoon, omdat de overgemaakte stukken fotokopijen betroffen, daar waar originelen noodzakelijk waren.

Hieruit blijkt duidelijk dat alles stilgelegd is in afwachting van de originele stukken.

In plaats van hierop prompt te reageren, heeft NV A. tot 1 augustus 1990, hetzij nadat de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde was ingetreden, gewacht alvorens op de brief van NV X dd. 21 februari 1990 te antwoorden. Zij heeft aldus vijf maanden stilgezeten en heeft de gevraagde originelen op dat ogenblik nog niet overgemaakt maar heeft zich beperkt de vraag te stellen naar de reden waarom de originelen nodig waren.

Op 3 augustus 1990 antwoordt NV X dat de originele polis door de rechtbank wordt gevraagd en dat de tegenpartij 100 % aansprakelijk is omdat hij dronken was.

Op 31 augustus 1990 worden de gevraagde originele documenten overgemaakt aan NV X met de vraag haar de identiteit van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij over te maken.

Op 4 oktober 1990 ontvangt NV A. van NV X de identiteit en het adres van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij met een officiële vertaling van de vordering van de Procureur ten aanzien van de drie betichten in de strafzaak betreffende het litigieuze ongeval en het resultaat van de bloedproef van zowel de heer K. als van de tegenpartij, de heer A.

Uit deze brief volgt dat eens de originele stukken overgemaakt het voor NV X mogelijk is geweest de identiteit van de verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij redelijk vlug te kennen.

Het proces-verbaal van de Procureur dateert van 23 juni 1989 en uit dit stuk blijkt dat er een zitting gepland was op 11 mei 1990. Dit wijst erop dat indien NV A. en desgevallend NV X het dossier met een grotere stiptheid hadden opgevolgd zij de identiteit van de verzekeraar van de aansprakelijke derde tijdig hadden kunnen kennen om het nodige te doen teneinde de verjaring te stuiten of te schorsen.

NV A. toont niet aan dat NV X advocaat Vagia Kargianni aangesteld heeft om de belangen van de consorten K. te behartigen vooraleer de verjaringstermijn op 4 juli 1990 verstreken was. Er is overigens geen enkel bewijs dat zij ooit werd aangesteld door NV X. De brief van mr. Engelen dd. 13 mei 1991 gericht aan deze advocaat bewijst geenszins dat zij vóór het verstrijken van de verjaringstermijn door NV X of later werd aangesteld. Mevr.Vagia Kargianni heeft de brief van mr. Engelen niet beantwoord en is ook niet verschenen op de correctionele zitting van 18 december 1991.

Aan mr. Engelen kan niet verweten worden dat hij niet de nodige stappen heeft ondernomen om de verjaring van de rechtstreekse vordering te stuiten of te schorsen. Hij heeft zijn tussenkomst als raadsman van de consorten K. aan NV A. op 24 augustus 1989 gemeld en het is pas op 1 augustus 1990, nadat hij op 16 juli 1990 een herinneringsbrief had gestuurd dat NV A. hem bevestigt dat hij de belangen van de consorten K. mag behartigen en dat hem het dossier wordt overgemaakt. Hij reageert overigens bij brief van 21 augustus 1990 op het verzoek van NV A. om haar in te lichten omtrent de omstandigheden en verantwoordelijkheden voor het ongeval stellende dat hij op deze vraag niet kan ingaan gelet op het beperkt karakter van de inlichtingen vervat in het overgemaakt dossier.

Alleszins werd het dossier hem na 4 juli 1990 overgemaakt.

De omstandigheid dat het strafvonnis dat de aansprakelijkheid van de tegenpartij definitief heeft vastgesteld, slechts dateert van 18 december 1991, zijnde anderhalf jaar na het verstrijken van de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke partij doet aan de fout van NV A. geen afbreuk nu het precies tot de opdracht van de rechtsbijstandverzekeraar behoorde om de nodige maatregelen te nemen teneinde de rechten van zijn verzekerde, minstens ten bewarende titel, veilig te stellen in het kader van zijn verplichting om verhaal uit te oefenen op de aansprakelijke derde of diens verzekeraar te meer dat volgens de ongevalaangifte die de heer K. aan NV A. had overgemaakt het duidelijk was dat hij niet aansprakelijk was voor het ongeval.

NV A. houdt ten onrechte voor dat er tijdig een vordering werd ingesteld tegen de verzekeraar maar dat deze ten gronde werd afgewezen.

Voor de burgerlijke rechter was advocaat Sivitanidis niet meer in de mogelijkheid om een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde in te stellen gelet op de verjaring. Hij heeft dan een zijdelingse vordering ingesteld doch heeft deze verkeerdelijk geformuleerd zodat zij afgewezen werd. Hij stelt evenwel in een brief van 13 februari 1997 dat de verzekeraar niet moet tussenkomen wanneer de bestuurder zich in staat van dronkenschap bevindt.

Uit het advies van advocaat Cotsaki blijkt dat in geval van rechtstreekse vordering van de benadeelde de verzekeraar van de aansprakelijke derde de excepties voortvloeiend uit de verzekeringsovereenkomst aan de benadeelde niet kan tegenwerpen.

In het geval van een zijdelingse vordering geldt deze regel niet. Bijgevolg kan de verzekeraar de excepties zoals de dronkenschap van zijn verzekerde opwerpen om vrijgesteld te worden van zijn verplichting de burgerlijke aansprakelijkheid van zijn verzekerde te dekken.

Uit dit alles volgt dat NV A. tekortgeschoten is aan haar verplichting verhaal uit te oefenen tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde bij wijze van rechtstreekse vordering door de verjaringstermijn die zij kende of moest kennen te hebben laten verstrijken.

2.2. De consorten K. stellen NV A. aansprakelijk wegens nalatigheid in het beheer van het dossier en wegens fout in de keuze van haar correspondenten.

Concreet wordt aan NV A. verweten dat de schade-eis die voor de Griekse rechtbank werd ingesteld niet volledig overeenstemde met de schade-eis die mr. Engelen had opgesteld en die NV A. had laten vertalen, dat de door de Griekse rechtbank toegekende bedragen bedroevend laag waren en dat NV A. de consorten K. niet geadviseerd heeft met betrekking tot de beroepsmogelijkheden tegen het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank.

NV A. laat gelden dat zij als rechtsbijstandverzekeraar het beheer van het geschil op zich dient te nemen maar dat zij het geschil niet moet voeren en dat dit des te meer geldt wanneer de rechtsbijstandverzekeraar in uitvoering van zijn verplichtingen de tussenkomst van een advocaat ten behoeve van zijn verzekerde ten laste neemt.

De consorten K. houden voor dat advocaat Vagia Kargianni nooit voor hen is opgetreden en dat advocaat Sivitanidis door hen niet gemachtigd werd en geen vertegenwoordigingsbevoegdheid had.

Hoger werd uiteengezet dat de consorten K. volmacht aan advocaat Vagia Kargianni hadden gegeven om voor hen op te treden maar dat niet is aangetoond dat NV X haar uiteindelijk heeft aangesteld, minstens dat zij hun belangen heeft behartigd.

Hieruit volgt evenwel dat het in de bedoeling lag van de consorten K. om een Griekse raadsman aan te stellen teneinde hun belangen in de zaak te behartigen.

Dit wordt bevestigd in een brief van mr. Engelen dd. 21 november 1991 waarin hij de schadevordering van zijn cliënten aan NV X laat geworden en vraagt deze via de correspondent in Athene aan haar gebruikelijk raadman over te maken, zodat deze het nodige kan doen op de zitting van 18 december 1991 ( dit was de correctionele zitting).

In zijn brief van 15 februari 1993 stelt mr. Engelen die van NV A. vernomen heeft dat de maatschappij A.A., verzekeraar van de aansprakelijke derde, niet wenste tussen te komen, dat hij aanneemt dat de NV X via haar gebruikelijke raadsman, een procedure kan voeren tegen de verzekeringsmaatschappij A.A. om haar te dwingen vrijwillig tussen te komen.

Bij brief van 23 maart 1993 laat NV A. aan mr. Engelen weten dat NV X het dossier aan een zekere advocaat Sivitanidis zou hebben overgemaakt en het faxnummer van deze advocaat wordt medegedeeld. Hierop hebben de consorten K. niet gereageerd door te vragen om zelf een Griekse advocaat te mogen kiezen.

Advocaat Sivitanidis is ontegensprekelijk de gebruikelijke raadsman aangesteld dor NV X aan wie mr. Engelen gevraagd had het dossier over te maken.

Uit de brief van 2 juni 1993 van mr. Willems blijkt dat er contacten geweest zijn tussen mr. Engelen en advocaat Sivitanidis. Mr. Willems verwijst immers naar een bericht van de heer Sivitanidis, advocaat van NV X, aan mr. Engelen in verband met de verjaring van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke partij.

De consorten K. die bewust waren dat een procedure voor het Griekse gerecht diende gevoerd te worden teneinde schadevergoeding te bekomen, hebben nooit gevraagd om zelf een Griekse advocaat te mogen kiezen. Zij hebben uitdrukkelijk gevraagd het dossier over te maken aan de gebruikelijke raadsman van NV X.

Ook al werd advocaat Sivitanidis aangesteld door NV X en wordt hij in briefwisseling aangeduid als de advocaat van NV X, toch blijkt uit de briefwisseling gevoerd door mr. Engelen dat de consorten K. hem gemandateerd hebben om voor hen in rechte op te treden en hem gelast hebben hun belangen te behartigen wat hij ook gedaan heeft vermits hij namens hen voor de Griekse burgerlijke rechtbank is opgetreden.

Dat de consorten K. geen procesvolmacht hebben ondertekend zoals zij dit wel hadden gedaan voor advocaat Vagia Kargianni, doet hieraan geen afbreuk. Zij bewijzen overigens niet dat een uitdrukkelijke procesvolmacht volgens het Griekse recht vereist is.

Wanneer de verzekeraar een advocaat aanwijst is de verzekerde en niet de verzekeraar de opdrachtgever van de advocaat die dan een mandataris ad litem is. Het is de advocaat die vervolgens de verzekerde op de hoogte moet houden van het verloop van de procedure, gebeurlijk via de rechtsbijstandverzekeraar, en hem advies moet verstrekken omtrent de juridische verhaalsmogelijkheden in het kader van de te voeren procedure.

Vermits de advocaat zijn opdracht niet in onderaanneming van de rechtsbijstandverzekeraar uitvoert en ook geen lasthebber of uitvoeringsagent van de rechtsbijstandverzekeraar is, ook al heeft deze hem aangesteld, is de rechtsbijstandverzekeraar niet aansprakelijk voor eventuele tekortkomingen van de advocaat in de uitoefening van zijn mandaat.

De consorten K. verwijten aan NV A. dat zij of haar beheerder de schadenota's die haar door mr. Engelen werden overgemaakt heeft aangepast waardoor voor de Griekse burgerlijke rechtbank minder werd gevorderd dan wat mr. Engelen had gevraagd. Uit de conclusie van advocaat Sivitanidis blijkt dat een bedrag van 4.480.000 BEF zijnde de morele schade tengevolge van de door mevrouw P. aangehouden blijvende invaliditeit van 56 %, niet werd gevorderd maar dat hij zoals blijkt uit zijn conclusie voor deze schadepost en de esthetische schade een bedrag van 20.000.000 Griekse drachmen (x euro 0,00293470 = euro 58.694 of 2.367.710 BEF) heeft gevorderd.

Uit geen enkel stuk blijkt dat NV A. deze aanpassing zelf heeft doorgevoerd, laat staan op de hoogte was van de wijziging gemaakt door advocaat Sivitanidis. Er is ook geen reden om aan te nemen dat zij deze wijziging had moeten opmerken te meer dat de conclusie van mr. Sivitanidis tijdig aan de raadsman van de consorten K. werd overgemaakt.

De consorten K. stellen immers ten onrechte dat zij nooit inzage hebben gekregen van de schade-eis zoals ingediend door advocaat Sivitanidis.

NV A. ontving de conclusie van advocaat Sivitanidis bij brief van 5 juli 1993 van NV X. Zij heeft deze conclusie op 19 juli 1993 (stukken 111b en c van het dossier van NV A.) aan mr. Willems en aan de verzekeringsmakelaar van de heer K. overgemaakt en heeft hen tegelijkertijd verwittigd dat de zitting vastgesteld was op 18 februari 1994.

Bijgevolg kwam het niet aan NV A. toe om de overgemaakte conclusie met de schade-eis van de consorten K. te vergelijken en beschikten de consorten K. die bijgestaan waren door een raadsman in België over voldoende tijd om hun opmerkingen met betrekking tot de door de Griekse advocaat ingestelde vorderingen bekend te maken.

De omstandigheid dat de Griekse advocaat enkele dagen voor de verjaring van vijf jaar tegen de dader, door NV X aangesteld werd heeft geen invloed op het resultaat dat de Griekse procedure heeft gebracht nu de verjaring tijdig werd gestuit en de zaak uiteindelijk slechts op 25 februari 1995 werd behandeld.

Tenslotte wordt ook niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de Griekse rechtbank een hogere vergoeding aan mevrouw P. dan het bedrag van 500.000 drachmen zou hebben toegekend indien het vooropgesteld bedrag van 4.480.000 BEF gevorderd was geweest.

2.3. De consorten K. stellen dat NV A. of haar correspondent NV X fouten hebben begaan die ertoe geleid hebben dat de voor de Griekse rechtbank bekomen schadevergoedingen veel te laag waren.

De omstandigheid dat de behandeling van het dossier vertraging heeft opgelopen is niet de oorzaak voor de lage vergoedingen die door de Griekse rechtbank werden toegekend. De verjaring werd ten aanzien van de aansprakelijke derde nog tijdig gestuit.

De consorten K. verwijten aan NV A. dat zij hen niet op de hoogte heeft gebracht van de beroepsmogelijkheden tegen het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank wat kaderde in haar verplichting advies te verlenen en haar verzekerde omtrent haar rechten te informeren.

De consorten K., die bijgestaan werden door een Belgische raadsman, hebben aan NV A. nooit de vraag gesteld of beroep tegen het vonnis van de Griekse rechtbank nog mogelijk was op het ogenblik dat zij kennis kregen van de beslissing op 10 maart 1997.

In een schrijven van 18 maart 1997 vraagt de raadsman van de consorten K. aan NV A. dat zij de toegekende vergoedingen op zijn derdenrekening zou storten om zelf nadien de fondsen bij NV X te recupereren. Er wordt verder opgemerkt dat de vergoeding niet hoog is gelet op de zware invaliditeit en de vraag wordt gesteld of er geen vergissing is gebeurd.

Er wordt geen vraag gesteld naar de beroepsmogelijkheden, hoewel de consorten K. die bijgestaan waren door een raadsman, dit hadden kunnen doen. Zij lieten eerder uitschijnen dat zij in het Griekse vonnis berustten vermits zij de uitvoering ervan vorderden.

De verplichting tot advies in hoofde van de rechtsbijstandverzekeraar omtrent de omvang van de rechten van de verzekerde en de manier waarop hij ze kan laten gelden zoals bv. door het instellen van hoger beroep, vervalt eens dat de verzekerde bijgestaan wordt door een raadsman.

De consorten K. hebben overigens het Griekse vonnis met hun Belgische raadsman besproken zoals blijkt uit de brief van 2 april 1997 van hun raadsman. Zij kwamen tot het besluit dat de vergoedingen bedroevend laag waren en dat er geen rekening werd gehouden met de voertuigschade. Er wordt evenwel niet gesproken over een mogelijk beroep tegen het Griekse vonnis maar zij melden aan NV A. dat zij een aansprakelijkheidsvordering wensen in te stellen omdat de verjaringstermijn niet tijdig werd gestuit en omdat misleidende informatie werd verstrekt.

In die omstandigheden kan aan NV A. niet verweten worden dat zij zich in het kader van het beheer van het dossier niet heeft geïnformeerd omtrent het bestaan van rechtsmiddelen en aan de consorten K. niet heeft gemeld of er al dan niet beroepsmogelijkheden bestonden.

Ten onrechte wordt voorgehouden dat de raadsman van de consorten K. slechts geraadpleegd werd om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen NV A.. Mr. Willems werd reeds in 1993 geraadpleegd en hoewel hij NV A. in gebreke stelde in zijn brief van 2 april 1993, vroeg hij aan NV A. ook om haar correspondent te activeren en werd hij op de hoogte gehouden van het verder verloop van de procedure voor de Griekse rechtbank. Ook werd hem de conclusie van advocaat Sivitanidis met de schadevorderingen overgemaakt en heeft hij ten slotte het Griekse vonnis met de consorten K. besproken.

2.4. Andere tekortkomingen in het beheer van het dossier of fouten zoals de beweerde slechte keuze van de lasthebbers, NV X en advocaat Sivitanidis, staan, voor zover ze bewezen zijn, niet in oorzakelijk verband met de schade die de consorten K. beweren geleden te hebben gelet op de stuiting van de verjaring ten opzichte van de aansprakelijke derde en het vonnis van de Griekse rechtbank waartegen geen beroep werd aangetekend.

2.5. Zoals hoger werd gesteld heeft NV A. of haar correspondent een tekortkoming begaan door de verjaring tegen de verzekeraar van de aansprakelijke derde niet tijdig te hebben gestuit. NV A. is contractueel aansprakelijk voor deze tekortkoming.

Door NV A. wordt niet betwist dat de consorten K. nog steeds geen vergoeding voor de door hen tengevolge van het ongeval geleden schade hebben ontvangen. Er werd wel door NV A. beloofd en beweerd dat de toegekende vergoedingen zouden verhaald worden op de aansprakelijke derde doch dit heeft klaarblijkelijk geen vruchten opgeleverd.

De verjaring van de rechtstreekse vordering heeft verhinderd dat het vonnis van de Griekse rechtbank tegen een solvabele verzekeraar kon worden uitgevoerd.

De schade geleden door de consorten K. in oorzakelijk verband met deze tekortkoming bestaat in de vergoedingen en de intresten die hen bij het definitief Griekse vonnis werden toegekend en waarvan zij de betaling niet hebben bekomen.

Vermits de consorten K. geen hoger beroep tegen dat vonnis hebben aangetekend maken hogere vergoedingen geen zekere schade uit.

Volgens het advies van advocaat Cotsaki die het vonnis van de Griekse burgerlijke rechtbank heeft geanalyseerd, heeft de rechtbank beslist dat de heer K. recht had op een schadevergoeding voor de schade aan zijn voertuig tot beloop van 2.800.000 drachmen.

Dit bedrag werd waarschijnlijk bij vergissing niet opgenomen in het beschikkend gedeelte van het vonnis. Deze vergissing kon worden rechtgezet door hetzij een procedure tot verbetering van het vonnis, hetzij door beroep in te stellen (zie advies advocaat Cotsaki).

In die omstandigheden mag worden aangenomen dat de verzekeraar van de aansprakelijke derde de voertuigschade zou hebben vergoed. Vanwaar het bedrag van 2.800.000 drachmen vandaan komt kan niet worden uitgemaakt. Volgens het expertiseverslag bedraagt de schade aan het voertuig 800.000 drachmen of euro 2.347,76. Het is dat bedrag dat de heer K. in huidige procedure ten titel van vergoeding voor het totaal verlies van zijn voertuig vordert. Het verstoken blijven van de schadevergoeding voor het voertuig wegens de verjaring van de rechtstreekse vordering staat in oorzakelijk verband met de contractuele tekortkoming in hoofde van NV A..

Bijgevolg is NV A. verschuldigd:

- aan de heer K.K.: euro 2.347,76 + euro 234,78 (80.000 drachmen) = euro 2582,54

- aan mevrouw P.: 1.672.360 drachmen of euro 4.907,87

- aan V.K.: 80.000 drachmen of euro 234,78

- aan D.K.: 60.000 drachmen of euro 176,08

deze bedragen te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 mei 1993 zijnde de datum van de conclusie van advocaat Sivitanidis vermits hij voor de Griekse burgerlijke rechtbank intresten vroeg vanaf de datum van de het instellen van de vorderingen zoals blijkt uit zijn conclusie (stuk 111 a van het stuk 29 van het dossier van de consorten K. met vertaling) en het Griekse vonnis intresten toekent.

Het overige van de vordering wordt afgewezen.

2.6. Gelet op de door de consorten K. gevorderde bedragen bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep euro 10.000,00.

Vermits de consorten K. voor een deel in het ongelijk worden gesteld komt het gepast voor dat beide partijen tot de helft van de rechtsplegingsvergoeding zouden worden veroordeeld.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak ;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

...

Rechtsprekend binnen de perken van het hoger beroep:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet behalve in de mate dat het het verzet ontvankelijk verklaart, het verstekvonnis tenietdoet en de gerechtskosten begroot;

En opnieuw rechtsprekend:

Verklaart de vordering van de consorten K. in de volgende mate gegrond:

Veroordeelt de N.V. A. om te betalen aan de heer K.K. de som van euro 2.582,54, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 mei 1993;

Veroordeelt de N.V. A. om te betalen aan mevouw D.P. de som van euro 4.907,87, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 mei 1993;

Veroordeelt de N.V. A. om te betalen aan juffrouw V.K. de som van euro 234,78, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 mei 1993;

Veroordeelt de N.V. A. om te betalen aan de heer D.K. de som van euro 176,08 te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 mei 1993;

Al deze bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 31 maart 1999, datum van de dagvaarding;

Veroordeelt de N.V. A. tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoger beroep in hoofde van de consorten K. op euro 186,00 rolrecht en op de helft van euro 10.000,00 rechtsplegingsvergoeding;

Veroordeelt de consorten K. tot betaling aan de N.V. A. van de helft van euro 10.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de 5de kamer van het Hof van Beroep te Brussel op 17 maart 2010

waar aanwezig waren:

Mevr. I. Diercxsens, Voorzitter,

Dhr. J. Blomme, Raadsheer,

Dhr. B. Veeckmans, Raadsheer,

Dhr. S. De Cooman, Griffier,