Rechtbank van eerste aanleg: Vonnis van 12 Juni 1997 (Brussel). RG 97/4119/A

Datum :
12-06-1997
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19970612-3
Rolnummer :
97/4119/A

Samenvatting :

Samenvatting 1

Vonnis :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
(De hoofdvordering, ingesteld met toepassing van artikel 87 van de Auteurswet, zoals gewijzigd in de conclusies neergelegd ter zitting van 9 mei 1997, strekt ertoe:
(1) de vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dienvolgens, conform artikel 87 par. 1 van de Wet op het auteursrecht en de naburige rechten dd. 30 juni 1994 vast te stellen dat verweersters een inbreuk hebben begaan op het auteursrecht van eisers;
(2) verweersters te horen veroordelen tot het onmiddellijke verbod van de verkoop, de verspreiding, de reproductie en de exploitatie van elke videogram of elke audiovisuele beelddrager, onder welke vorm ook, bevattende de naam of de afbeelding van SAMSON & GERT of ernaar verwijzend;
(3) bij gebreke hieraan te voldoen, verweersters te horen veroordelen tot het betalen van een dwangsom van 10.000 frank per videogram of audiovisuele beelddrager die vanaf de tweede dag na de betekening van het tussen te komen bevel, in de handel wordt aangetroffen waar ook in België of daarbuiten;
(4) eerste verweerster eveneens te horen veroordelen tot de teruggave van de moederbanden van de videogrammen gevat op BETACAM-banden waarmee de mechanische reproductie kan worden gerealiseerd alsmede de films en diskettes voor de drukwerken van de hoezen van de videogrammen van SAMSOM & GERT onder verbeurdverklaring van een dwangsom van 100.000 frank per dag vertraging indien geen afgifte is gebeurd binnen de twee dagen na betekening van de beschikking;
(5) de publicatie van huidig vonnis op kosten van verweersters te bevelen in twee dag- en vakbladen naar keuze van eisers;
(6) het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
De tussenvordering, in ondergeschikte orde ingesteld door tweede verweerster, strekt ertoe eerste verweerster te veroordelen om tweede verweerster te vrijwaren tegen iedere aanspraak van eisers.
DE FEITEN EN RELEVANTE GEGEVENS
1. Eisers zijn de auteurs en de intellectuele rechthebbenden van het artistieke project genaamd "SAMSON & GERT", dat in 1990 begon als een TVprogramma op de BRTN en dat nog steeds wordt uitgezonden. In het zog van de TV-reeks werden en worden videogrammen op de markt gebracht onder dezelfde benaming.
2. Eisers voeren aan dat zij sedert 1991 samenwerkten met BMC-Licensing Group uit Schelle (BVBA BELGIAN MARKETING AND CONSULTING GROUP, hierna afgekort "BMC") die onder bepaalde voorwaarden de intellectuele eigendom van SAMSON & GERT zou hebben laten exploiteren bij fabrikanten. Eisers overleggen de laatste versie van de samenwerkingsovereenkomst met BMC. Het betreft een overeenkomst gedateerd op 3 maart 1995. In de aanhef van de overeenkomst staat vermeld dat partijen wensen dat BMC de rechten op de figuren en het hele concept "SAMSON & GERT" verder zou exploiteren onder de in de overeenkomst nader omschreven voorwaarden en dit voor (een) onbepaalde duur. De overeenkomst bepaalt evenwel verder onder artikel 1:
"1c) Het exclusieve exploitatierecht van BMC loopt tot 31.12.1996. Gedurende die periode zal zij overeenkomsten kunnen sluiten op de wijze en onder de voorwaarden als nader bepaald. Zij zal tijdens die periode het recht hebben op vergoeding voor haar diensten als nader bepaald".
"1d) Voor alle overeenkomsten die BMC wenst af te sluiten met derden en die voor wat betreft de exploitatieperiode door de derde de exclusiviteitsperiode van BMC zouden overschrijden, is een uitdrukkelijke schriftelijke toestemming nodig van D & G. Voor alle dergelijke projecten waarvoor D & G toestemming hebben gegeven zal BMC ook na de exclusiviteitsperiode haar vergoeding als bepaald in deze overeenkomst ontvangen. (D & G = eisers)".
Onder artikel 3 wordt verder bepaald:
"3b) BMC zal nooit overeenkomsten mogen sluiten voor meer dan één jaar of méér dan één produkt zonder hiervoor de uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming te hebben verkregen van D & G. (= eisers)"
"3c) In ieder geval zullen alle overeenkomsten gesloten door BMC na goedkeuring van D & G dienen gerespecteerd te worden door D & G voor de periode als bepaald in het kontrakt tussen BMC en elke derde ook indien er een einde zou komen aan de samenwerking tussen partijen. In dit geval zal BMC nog gerechtigd zijn de gelden van derden te innen en hun commissie hiervan af te houden, doch nooit langer dan één jaar na het einde van de samenwerking tussen partijen".
In artikel 7 van de voormelde overeenkomst komen de partijen overeen om onmiddellijk de andere te verwittigen indien zij een inbreuk vaststellen door derden op de rechten en belangen van beide partijen.
3. Tussen BMC, eerste verweerster en de NV AUTOMATIC VIDEO BELGIUM werd een overeenkomst afgesloten op een niet nader bepaalde datum in 1994. Alleszins blijkt deze overeenkomst te zijn afgesloten voor 14 juni 1994 aangezien op deze laatste datum een bijlage aan de overeenkomst tot stand kwam (opmerking: de aanhef van de overeenkomst vermeldt eisers als contractanten, maar deze blijken de overeenkomst niet te hebben getekend; BMC tekende de overeenkomst evenwel "onder de opschortende voorwaarde van definitief akkoord vanwege de artiesten")
Met de voormelde overeenkomst verwierf eerste verweerster vanwege BMC het exclusieve recht de vierde videogram van SAMSON & GERT en de daaropvolgende (t.e.m. CD-7) te commercialiseren op de wijze gebruikelijk in de videoindustrie. Bij de "release"" van CD-8 van SAMSON & GERT verwierf eerste verweerster ook nog een "eerste optierecht" (dossier eerste verweerster, stuk nr. 3, art. 3, 4 en 7).
Eisers betogen dat zij van deze overeenkomst niet op de hoogte werden gebracht. Eerste verweerster betwist dit en stelt dat eisers "kennelijk" op de hoogte waren van de overeenkomst omdat zij alle afrekeningen voortvloeiende uit de toepassing ervan hebben aanvaard.
4. Volgens eisers werden verweersters er tijdig van op de hoogte gebracht dat de overeenkomst tussen eisers en BMC (zie hierboven sub 2) definitief ten einde kwam vanaf 31 december 1996. Zij verwijzen naar een schrijven van 27 december 1996 door de raadsman van eerste verweerster gericht aan POLYGRAM VIDEO BELGIUM (dossier eisers, stuk nr. 3). Uit dit schrijven blijkt evenwel niet dat eerste verweerster kennis had van artikel 1d van de overeenkomst dd. 3 maart 1995. Het is overigens chronologisch onmogelijk dat eerste verweerster in 1994 kennis zou hebben gehad van een beding afgesloten tussen eisers en BMC in 1995. Ook blijkt niet dat eerste verweerster einde 1996 kennis kreeg van het vermelde beding.
Maar er is meer: op 30 december 1996 dagvaardt eerste verweerster BMC voor de bodemrechter omdat - zoals blijkt uit de motivatie van het exploot - BMC de overeenkomst zou hebben verbroken "op grond van contractuele wanprestaties". Op geen enkel ogenblik wordt verwezen naar de overeenkomst van 3 maart 1995 tussen eisers en BMC. Aangezien BMC in de onderhavige procedure niet aanwezig is, blijft uiteraard de nodige omzichtigheid geboden. Zowel eisers als eerste verweerster leggen uiteindelijk met betrekking tot BMC, dat te dezen een scharnierrol vervulde, de stukken voor die ze wensen voor te leggen en dit bij gebrek aan wederwoord van deze partij.
5. Het staat vast dat de videogrammen van SAMSON & GERT l tot en met 6 na 31 december 1996 mechanisch worden geproduceerd en in de handel worden gebracht door eerste verweerster en worden gedistribueerd door tweede verweerster (zie brief dd. 7 maart 1997 van tweede verweerster - dossier eisers, stuk nr. 4; zie factuur dd. 12 maart 1997 van eerste verweerster dossier eisers, stuk - nr. 6).
6. Op 7 april 1997 wordt te dezen gedagvaard.
IN RECHTE
NOPENS DE HOOFDVORDERING
7. Zowel onder de oude wet van 22 maart 1886 als onder de nieuwe wet van 30 juni 1994 heeft alleen de auteur van het werk het recht om het op welke wijze ook te reproduceren of te laten reproduceren (vergelijk de artikelen l van de beide wetten). Met andere woorden, zowel onder de oude als de nieuwe wet dient eerste verweerster ten aanzien van de auteur te bewijzen dat zij gerechtigd is het werk te exploiteren.
8. Eerste verweerster put haar rechten uit de niet gedateerde "distributieen manufactoringsovereenkomst video Samson" afgesloten tussen haar en BMC.
Deze laatste diende voor de exploitatie van de rechten "tot 31 december 1996" over geen uitdrukkelijke schriftelijke toestemming te beschikken van eisers, zodoende dat uit de aanvaarding door eisers van de afrekeningen voortvloeiende uit de uitvoering van de overeenkomst, gesloten tussen BMC en eerste verweerster, niet kon worden afgeleid dat eisers er mee akkoord gingen dat eerste verweerster na 31 december 1996 nog verder zou exploiteren. De onderhavige procedure en de feiten die er aan de basis van liggen vormen het bewijs dat eisers zich verzetten tegen iedere verdere exploitatie door eerste verweerster na 31 december 1996.
9. Uit de gecombineerde omstandigheid dat BMC de niet gedateerde overeenkomst tussen haar en eerste verweerster tekende "onder de opschortende voorwaarde van definitief akkoord vanwege de artiesten" én dat deze overeenkomst effectieve uitvoering genoot, kan niet worden afgeleid dat eisers de inhoud van deze overeenkomst kenden (meer bepaald met betrekking tot de exploitatieperiode) en er mee instemden (zie hierboven sub 8).
10. Tussen eisers en verweersters bestaat geen contractuele band, en de door verweersters ingeroepen ("contractuele", maar dan wel ten aanzien van BMC) rechten zijn niet tegenstelbaar aan eisers, op welke manier dan ook, en alleszins niet na 31 december 1996. Vermits verweersters van oordeel zijn dat zij rechten kunnen laten gelden, ook na 31 december 1996, ten aanzien van eisers kwam het hen toe om BMC in de procedure te betrekken ten einde (te pogen) te bewijzen dat eisers hun toestemming hadden verleend voor de uitvoering van de ongedateerde overeenkomst van 1994. (cf. art. 1315 BW; art. 870 Ger.W.). De rechtbank kan alleen maar vaststellen dat BMC niet in de procedure aanwezig is.
11. De vordering door eerste verweerster voor de rechtbank van Koophandel te Brugge ingesteld tegen BMC strekt tot betaling door BMC van een bedrag van 9.000.000 frank, blijkbaar wegens beweerde onrechtmatige ontbinding van het contract door BMC. In onderhavige zaak roept eerste verweerster dan weer haar contractuele (ten aanzien van BMC) rechten in. Met andere woorden zij lijkt de stelling aan te kleven dat de overeenkomst tussen haar en BMC slechts als gedeeltelijk ontbonden moet worden beschouwd, wat de duidelijkheid in zake zeker niet ten goede komt.
12. Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat er geen samenloop bestaat van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zoals door tweede verweerster voorgehouden, zodoende dat de stakingsrechter te dezen kan tussenkomen.
NOPENS DE VORDERING IN VRIJWARING.
13. De door eisers in het kader van een vordering tot staking ten aanzien van tweede verweerster geformuleerde "aanspraken" hebben in essentie tot doel de inbreuken op de auteursrechten van eisers te doen ophouden. De in hoofde van tweede verweerster gevorderde maatregelen dienen door haar te worden uitgevoerd en eerste verweerster lijkt nooit "aansprakelijk" te kunnen worden gesteld voor dwangsommen welke in hoofde van tweede verweerster zouden worden verbeurd.
14. De vordering tot vrijwaring van tweede verweerster steunt ondubbelzinnig op het distributiecontract tussen eerste en tweede verweerster.
Het is niet geheel duidelijk wat in casu de inhoud van een vrijwaring kan zijn, gelet op wat eisers vragen: het vaststellen van een inbreuk, het verbod van verkoop etc. en de teruggave van moederbanden, films en diskettes, telkens onder verbeurte van een dwangsom, en de publicatie van het vonnis.
Vrijwaring betekent dat een contractspartij de geldelijke gevolgen opneemt die normaal door een andere contractspartij worden gedragen. Het is niet duidelijk in welke mate eerste verweerster tweede verweerster kan vrijwaren met betrekking tot een verbintenis tot niet-doen (staking van de distributie), die alleen tweede verweerster zelf kan uitvoeren.
Alleen de dwangsommen leiden rechtstreeks tot de betaling van geldsommen. De dwangsom wordt verbeurd wanneer de veroordeelde procespartij zelf niet uitvoert conform het vonnis. Elke veroordeelde partij staat in principe zelf in voor de door haar verbeurde dwangsom tegenover de eisende partij. Een vrijwaring door eerste verweerster van tweede verweerster zou betekenen dat eerste verweerster voor tweede verweerster de gevolgen zou dragen van de eigen daad van tweede verweerster.
In de toestand waarin de zaak aan ons wordt voorgelegd kunnen wij enkel vaststellen dat de mogelijkheid van vrijwaring van tweede verweerster door eerste verweerster wordt beheerst door hun contractuele verhoudingen in de ruimere context van de mogelijke economische schade die zij kunnen lijden door de beëindiging van de exploitatie, en dat de beoordeling daarvan ontsnapt aan onze bevoegdheid als stakingsrechter.
Deze vordering is niet gesteund op een inbreuk op het auteursrecht, maar op de uitvoering van een (distributie)overeenkomst tussen eerste verweerster en tweede verweerster, en valt buiten onze bevoegdheid op basis van art. 87 Auteurswet.
NOPENS DE GEVORDERDE MAATREGELEN
15. Verkopen en reproduceren zijn aflopende handelingen, in tegenstelling tot verspreiden en exploiteren. Videogrammen of beeld- of geluidsdragers kunnen dus worden aangetroffen in de handel ten gevolge van het reproduceren en verkopen dat is gebeurd vóór de betekening van het bevel tot staken.
Indien eisers gebeurlijk dwangsommen eisen voor producten die zich in de handel bevinden, zullen zij moeten bewijzen dat deze producten zijn verkocht, verspreid, gereproduceerd of geëxploiteerd na de betekening.
16. Het bedrag van 10.000 frank per videogram of beeld- of geluidsdrager wordt op zich niet betwist door verweersters.
Om interpretatieproblemen te vermijden past het de termijn na verloop van dewelke de dwangsom kan verbeurd worden, te bepalen op 72 uur vanaf de betekening.
17. Aangezien de schending op het auteursrecht vast staat, past het aan eerste verweerster de teruggave te bevelen van de moederbanden van de videogrammen op BETACAM-banden waarmee de mechanische reproductie kan worden gerealiseerd en de films en diskettes voor de drukwerken van de videogrammen van SAMSON & GERT, onder voorbehoud evenwel voor de diskettes, gezien ter zitting van 9 mei jongstleden door de raadsman van eerste verweerster gezegd werd dat zijn kliënte deze diskettes niet heeft.
18. Om interpretatieproblemen te vermijden, past het de termijn na verloop van dewelke de dwangsom kan verbeurd worden, te bepalen op 72 uur vanaf de betekening.
Het bedrag van 100.000 frank per dag vertraging wordt niet betwist door eerste verweerster.
De gevorderde publicatiemaatregel komt inadequaat voor naar het grote publiek toe aangezien deze in het geheel niet op de hoogte lijkt te zijn van het onderhavige geschil.
OM DEZE REDENEN;
Wij, BOON J., Rechter aangesteld om de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelende te Brussel te vervangen;
Gezien de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Rechtsprekende na tegenspraak;
Alle andere of strijdige besluiten verwerpend;
Verklaren de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond als volgt:
Stellen vast dat verweersters een inbreuk begaan op het auteursrecht van eisers, eerste verweerster door het reproduceren, verspreiden, verkopen en exploiteren van de videogrammen van SAMSON & GERT, tweede verweerster door het verspreiden en exploiteren van de videogrammen van SAMSON & GERT.
Bevelen verweersters onmiddellijk einde te maken aan de reproductie, verspreiding, verkoop en exploitatie van de videogrammen of audiovisuele beelddragers van SAMSON & GERT, onder verbeurte:
- door eerste verweerster van een dwangsom van 10.000 frank per videogram of audiovisuele beelddrager die zij verkoopt, verspreidt, reproduceert of exploiteert na verloop van 72 uur vanaf de betekening, zon- en feestdagen niet meegerekend;
- door tweede verweerster van een dwangsom van 10.000 frank per videogram of audiovisuele beelddrager die zij verspreidt of exploiteert na verloop van 72 uur vanaf de betekening, zon- en feestdagen niet meegerekend.
Bevelen aan eerste verweerster de teruggave aan eisers van de moederbanden van de videogrammen op BETACAM-banden waarmee de mechanische reproductie kan worden gerealiseerd en de films en diskettes voor de drukwerken van de hoezen van de videogrammen van SAMSON & GERT, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 frank per volledige dag vertraging indien geen afgifte is gebeurd na verloop van 72 uur vanaf de betekening.
Wijzen het meergevorderde af.
Zeggen dat de tussenvordering geen vordering uitmaakt zoals bepaald door artikel 87 van de Auteurswet en wijzen tweede verweerster ervan af.
Vonnis van rechtswege uitvoerbaar.
Veroordelen verweersters tot de kosten, voor eisers begroot op 10.171 + 4.100 frank en voor elk der verweersters op 4.100 frank.)UU669