Arbeidshof: Arrest van 17 Februari 2000 (Gent). RG 34792

Datum :
17-02-2000
Taal :
Nederlands
Grootte :
13 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20000217-5
Rolnummer :
34792

Samenvatting :

artikel 5, 2° - werkgever(s): cumul van een deeltijdse tewerkstelling met een voltijdse tewerkstelling in loondienst van twee zustervennootschappen, verzekerd bij verschillende arbeidsongevallenverzekeraars; arbeidsongeval tijdens de simultane uitvoering van de twee arbeidsovereenkomsten (gemeenschap-pelijke prestatie in dienst van de twee werkgevers): de twee tewerkstellin-gen moeten als onderscheiden contractuele rechtsverhoudingen en als een afzonderlijk risico worden beschouwd; elke verzekeraar moet instaan voor de wettelijke arbeidsongevallenvergoedingen wat de tewerkstelling betreft waarvan hij het arbeidsongevallenrisico verzekert; de vergoedingen, het basisloon waarop zij worden berekend en de op het basisloon gebeurlijk toe te passen loonplafonds moeten voor iedere arbeidsovereenkomst af-zonderlijk worden vastgesteld; artikel 36, ,§1 - cumul van deeltijdse tewerkstelling met voltijdse: basisloon tot bepaling van de wettelijke arbeidsongevallenvergoedingen te betalen door de wets-verzekeraar van de deeltijds tewerkstellende werkgever: aan te vullen met een hypothetisch loon krachtens het artikel 36, ,§1 (artikel 37 bis Arbeids-ongevallenwet niet van toepassing).

Arrest :

Selecteer tekst om te onderstrepen of annotaties te maken bij het document

A.R. nr. : 347/92 Rep. nr.
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND.
IN DE ZAAK VAN :
K.B.C. VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap
APPELLANTE OP HOOFDBEROEP, geïntimeerde op incidenteel beroep
TEGEN :
1° V.D.V. R.,
EERSTE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, appellant op incidenteel beroep,
2° B.V.B.A. T. IN VEREFFENING
TWEEDE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, eerste appellante op incidenteel beroep
3° B.V.B.A. A.T. IN VEREFFENING
DERDE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, tweede appellante op incidenteel beroep
4° A.G.J., naamloze vennootschap
VIERDE GEINTIMEERDE OP HOOFDBEROEP, appellante op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting
x x x
Gelet op de stukken van het dossier, inzonderheid de eensluidend verklaarde af-schriften van het tussenvonnis van 30 juni 1989 en van het eindvonnis van 7 februari 1992, op tegenspraak gewezen door de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent, in de zaak van partijen, dragend het volgnummer 64.956/85 van de algemene rol.
Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep van 4 augustus 1992, op 10 augustus 1992 ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, neergelegd.
Gelet op de tussenarresten van 19 december 1996 en van 18 september 1997.
Opnieuw gehoord de partijen in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 21 oktober 1999.
x x x
Bij exploot, op 20 mei 1985 betekend door Jean-Pierre Heughebaert, gerechtsdeur-waarder te Gent, heeft R. V.D.V. de p.v.b.a. A.T. en de p.v.b.a. T. gedagvaard om voor de Ar-beidsrechtbank te Gent te verschijnen.
De vordering strekte ertoe :
- hen solidair of in solidum of de ene bij gebrek aan de andere te horen veroordelen om hem te betalen :
- wegens achterstallig loon de som van 12.554 fr.;
- wegens eindejaarspremie de som van 20.000 fr.;
- wegens arbeidsongevallenvergoeding de provisionele som van 100.000 fr.;
- meer de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding;
- hen solidair of de ene bij gebrek aan de andere te horen veroordelen tot de afgifte van alle conforme sociale overeenstemmende bescheiden;
- het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
Bij verzoekschrift van 9 september 1985 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neerge-legd is de n.v. G.J., arbeidsongevallenverzekeraar van de n.v. A.T., vrijwillig in het bovenver-meld geding tussengekomen.
Zij vorderde dat voor recht zou worden gezegd dat R. V.D.V. niets meer te vorderen heeft, aangezien zij hem de wettelijke arbeidsongevallenvergoedingen heeft uitbetaald.
Bij exploot, op 7 oktober 1985 betekend door Alfred Davidts, gerechtsdeurwaarder te Leuven, heeft de p.v.b.a.
T. op haar beurt haar verzekeraar arbeidsongevallen, de n.v. A.B.B., in gedwongen tussenkomst gedagvaard.
De vordering strekte ertoe het tussen te komen von-nis gemeen en tegenstelbaar te horen verklaren en de n.v. A.B.B. te horen veroordelen om de p.v.b.a. T. te vrijwaren tegen alle veroordelingen die de p.v.b.a.
zou kunnen oplopen inzake vergoedingen voortspruitend uit het arbeidsongeval, zo in hoofdsom, intresten en alle kosten, meer die van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, bij vonnis uitvoerbaar ver-klaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.
In zijn op 16 maart 1987 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde, op tegen-spraak genomen conclusies heeft R. V.D.V. zijn vordering uitgebreid. Hij vorderde:
- dat de p.v.b.a. A.T. en de p.v.b.a. T. tevens solidair of in solidum, of de ene bij gebrek aan de andere zouden worden veroordeeld om hem te betalen wegens teruggave van boete de som van 1.000 fr, meer de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid en de gerechtelijke in-tresten;
- dat bovenvermelde twee p.v.b.a.'s en de n.v. G.J. solidair of in solidum, of de ene bij gebrek aan de andere zouden worden veroordeeld tot het betalen van arbeidsongevallenvergoe-dingen op grond van een bestendige arbeidsongeschiktheid van 4 % op een basis-loon van 797.885 fr., meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten.
In haar op 8 april 1987 ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Gent neergelegde con-clusies heeft de N.V.
G.J. een tussenvordering ingesteld, ertoe strekkend de p.v.b.a. A.T., de p.v.b.a. T. en de n.v. A.B.B.
solidair te horen veroordelen om haar te vrijwaren voor alle ver-oordelingen die te haren laste zouden worden uitgesproken, zo in hoofdsom, intresten en kosten.
In hun op 10 april 1987 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde, op tegen-spraak genomen conclusies hebben de p.v.b.a. A.T. en de p.v.b.a. T. een tussenvordering in-gesteld, ertoe strekkend de n.v. G.J.
en de n.v. A.B.B. solidair, zoniet in solidum, zoniet de ene bij gebrek aan de andere, te doen veroordelen om hen te vrijwaren voor alle sommen die zij aan R. V.D.V. zouden kunnen te betalen hebben voor werken gepresteerd in hun dienst, ge-zien de bestaande arbeidsongevallenverze-keringspolissen.
In haar op 10 juni 1987 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde conclusies vorderde de n.v. G.J.
dat minstens de p.v.b.a. A.T. zou worden veroordeeld om haar te beta-len, zowel de sommen waartoe de n.v.
G.J. in het geding zou worden veroordeeld, als 1 fr. provisie op de vergoedingen welke zij reeds aan R.
V.D.V. uitkeerde naar aanleiding van hui-dig schadegeval, meer de intresten vanaf de data der uitbetaling.
Ter openbare terechtzitting van 24 maart 1989 van de Arbeidsrechtbank heeft R. V.D.V. akte gevraagd van het feit dat hij zijn vordering inzake het arbeidsongeval uitbreidt ten aanzien van de n.v. A.B.B. (cf.
het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen).
Het dispositief van het bestreden tussenvonnis van 30 juni 1989 luidt als volgt :
"Verklaart de vordering van eiser (R. V.D.V.), gericht tegen de p.v.b.a. A.T. en tegenover de p.v.b.a.
T. in zoverre gesteund op de arbeidsongevallenwetgeving, ontoelaatbaar.
Verklaart de tussenvordering van de p.v.b.a. A.T. en de p.v.b.a. T. tegen de n.v. G.J. en de n.v. A.B.B.
eveneens niet toelaatbaar.
Verklaart de vorderingen en de tussenvorderingen voor het overige toelaatbaar.
Veroordeelt de p.v.b.a. A.T. en de p.v.b.a. T. in solidum in terugbetaling aan eiser van een be-drag van 1.000 fr, meer de gerechtelijke intresten vanaf 20 mei 1985.
Wijst het meergevorderde uit hoofde van loontegoed en eindejaarspremie af als ongegrond.
Zegt dat dienvolgens geen aanleiding bestaat tot wijziging van de sociale bescheiden af te le-veren aan eiser.
En rechtdoend ten gronde nopens de vordering op grond van het arbeidsongeval van 12 juni 1984,
Zegt dat eiser ingevolge dit arbeidsongeval tijdelijk volledig arbeidsongeschikt was van de da-tum van het ongeval tot en met 28 november 1984.
Zegt dat zijn letsels geconsolideerd zijn op 29 november 1984 met een blijvende gedeeltelijke economische arbeidsongeschiktheid van vier percent.
Beveelt nopens de samenstelling van het basisloon ambtshalve de heropening der debatten op vrijdag 17 november 1989 om 15.00 uur, derde kamer, Arbeidsrechtbank te Gent, Kalan-denberg 1.
Verwijst de verschillende tussenvorderingen uitgaande van de n.v. G.J. terug naar de bijzonde-re rol.
Verwijst eiser in drie vierden der kosten inzake de vordering gesteund op de bestaande ar-beidsovereenkomst en laat een vierde van deze kosten in solidum ten laste van de p.v.b.a. A.T. en de p.v.b.a. T., en begroot deze kosten op 2.508 frank dagvaardingskosten en op 5.940 frank rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eisende partij, en op 5.760 frank rechtsplegings-vergoeding als gevorderd in hoofde van verwerende partijen, onverminderd de kosten van uit-gifte en betekening.
Houdt de beslissing nopens de overige kosten aan.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder verhaal, zonder borgstelling en mits uitsluiting van het vermogen tot kantonnement".
Bij akte op 12 februari 1990 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegd heeft de n.v. A.G.J. het geding hervat voor de n.v. G.J..
Een tweede (niet-aangevochten) tussenvonnis van 7 december 1990 verleende de n.v. A.G.J. akte van haar hervatting van het geding; voor recht werd gezegd dat de zaak niet in staat van wijzen was; de partijen werden toegelaten te concluderen over de correcte samen-stelling van het basisloon en de aan R. V.D.V.
toe te kennen vergoedingen.
In haar op 2 oktober 1991 ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegde conclu-sies heeft de n.v. A.G.J.
haar (tussen)vordering andermaal uitgebreid : zij vordert de solidaire veroordeling van de p.v.b.a. A.T., de p.v.b.a. T. en de n.v. A.B.B. om haar te betalen 1 frank provisie, als voorschot op een eis begroot op meer dan 500.000 frank, voor haar verdere uit-gaven.
Het beschikkend gedeelte van het bestreden eindvonnis van 7 februari 1992 luidt als volgt :
"Verklaart de vordering gericht tegen de n.v. G.J. (thans de n.v. A.G.J.) ontvankelijk en deels gegrond en de tussenvorderingen tot vrijwaring ontvankelijk en deels gegrond.
Veroordeelt de n.v. G.J. om aan eiser (R. V.D.V.) te betalen :
- op 12 juni 1984 een vergoeding gelijk aan het normaal dagloon verminderd met het loon dat eiser eventueel verdiend heeft;
- voor de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 13 juni 1984 tot en met 28 november 1984 een dagelijkse brutovergoeding van 853.106 fr : 365 x 90 % = 2.103 fr., onverminderd de toepassing van de Arbeidsovereenkomstenwet;
- vanaf de consolidatiedatum, zijnde 29 november 1984 een jaarlijkse brutovergoeding van 29.255 fr.; overeenkomstig art. 24 Arbeidsongevallenwet worden deze vergoedingen te-ruggebracht tot 14.627 fr.;
- vanaf 1 januari 1985 een jaarlijkse brutovergoeding van 30.436 fr. teruggebracht op 15.218 fr. (art.
24 voormeld);
- vanaf 1 januari 1986 tot en met 31 december 1988 een jaarlijkse brutovergoeding van 31.045 fr. teruggebracht op 15.523 fr. (art. 24 voormeld);
- vanaf 1 januari 1989 een jaarlijkse brutovergoeding van 31.666 fr. teruggebracht op 15.833 fr. (art.
24 voormeld);
- vanaf 1 januari 1990 een jaarlijkse brutovergoeding van 32.314 fr. teruggebracht op 16.157 fr. (art.
24 voormeld);
- vanaf 1 januari 1991 een jaarlijkse brutovergoeding van 33.604 fr. teruggebracht op 16.802 fr. (art.
24 voormeld);
- vanaf 1 januari 1992 een jaarlijkse brutovergoeding van 34.124 fr. teruggebracht op 17.062 fr. (art.
24 voormeld).
Deze vergoedingen zullen betaald worden op de wijze en de tijdstippen bepaald in uitvoering van art. 42 Arbeidsongevallenwet.
Veroordeelt de n.v. A.B.B. (thans de n.v. K.B.C. Verzekeringen) tot vrijwaring van de n.v. G.J. ten belope van de vergoedingen overeenstemmend met de door de n.v. A.B.B. van de b.v.b.a. T. ontvangen premies.
Veroordeelt de b.v.b.a. T. en de b.v.b.a. A.T. solidair tot vrijwaring van de n.v. G.J. voor de door deze laatste uitbetaalde vergoedingen dewelke de vergoedingen overeenstemmend met de aan de n.v. G.J. en de n.v. A.B.B. gestorte premies overtreffen.
Kosten.
Verwijst de n.v. A.G.J. en de n.v. Assurantie van de Belgische Boerenbond in de kosten elk voor de helft.
Begroot de kosten tot op heden :
- aan de zijde van eiser (R. V.D.V.) : aanvullende rechtsplegingsvergoeding 1.700 fr.;
- de vrijwillig tussenkomende partij de n.v. A.G.J.:
- rechtsplegingsvergoeding : 6.120 fr.;
- aanvullende rechtsplegingsvergoeding : 1.700 fr.;
- de gedwongen tussenkomende partij de n.v. Assurantie van de Belgische Boerenbond:
- rechtsplegingsvergoeding : 5.760 fr.;
- eerste en tweede verweerster b.v.b.a. A.T. en b.v.b.a. T.:
- dagvaarding van de gedwongen tussenkomende partij de n.v. A.B.B. : 2.152 fr.;
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borg-tocht, en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement".
x x x
In hoger beroep vordert de n.v. K.B.C. Verzekeringen dat de beide bestreden vonnis-sen teniet zouden worden gedaan en dat het Arbeidshof, opnieuw wijzend: "de hoofdvordering van de eiser (R. V.D.V.) zoals uitgebreid tegenover verzoekster voor de eerste rechter ter zit-ting van 24 maart 1989 (...) als niet gegrond (zou) afwijzen; de tussenvordering van de n.v. A.G.J. tegenover verzoekster niet toelaatbaar (zou) verklaren;
minstens deze als ongegrond (zou) afwijzen, kosten lastens de n.v. A.G.J.".
Haar grieven luiden als volgt :
"1. Er is een manifeste leemte tussen het motiverend gedeelte (p. 10) van het tussen-vonnis dd. 30.06.1989 en het beschikkend gedeelte, daar waar de Eerste Rechter vergat in het beschikkend gedeelte de uitbreiding van de vordering van de eiser tegenover de verzoekster, gesteld ter zitting van 24 maart 1989, als niet gegrond af te wijzen.
In het eindvonnis van 7 februari 1992 wordt er omtrent dat onderdeel van de vordering trou-wens al evenmin iets beslist.
2. Er is een flagrante contradictie tussen het motiverend gedeelte van het tussenvonnis dd. 30 juni 1989 waar wordt gesteld dat enkel de n.v. G.J. als arbeidsongevallenverzekeraar gehouden is om dit schadegeval ten laste te nemen en de eindbeslissing dd. 7 februari 1992, waar de verzoekster wordt veroordeeld tot vrijwaring van de n.v. G.J. "... ten belope van de vergoedingen overeenstemmend met de door de n.v. A.B.B.
van de b.v.b.a. T. ontvangen premies ...", waarvan vooral de originaliteit tot de bijzonderste verdienste van de compleet on-uitvoerbare beslissing behoort.
3. De Eerste Rechter heeft bij het tussenvonnis in feite vastgesteld - een gegeven dat trouwens niet betwist werd - dat besproken arbeidsongeval zich voordeed op het ogenblik dat R. V.D.V. werkzaamheden uitvoerde in dienst van de b.v.b.a. A.T., zodat evident dit ongeval voor dit laatste bedrijf een arbeidsongeval is.
4. In die omstandigheden kan de verzoekster geenszins gehouden zijn tot het verlenen van vrijwaring tegenover de G.J., nu daartoe geen enkele rechtsgrond bestaat o.m. bij gebreke aan enige contractuele relatie tussen de verzoekster als arbeidsongevallenverzekeraar van de b.v.b.a. T. enerzijds en anderijds de b.v.b.a.
A.T., die het risico arbeidsongevallen heeft laten verzekeren bij de n.v. G.J..
5. Voor de verzoekster is de arbeidsrelatie b.v.b.a. A.T. - Van De Vijver een "res inter alios acta", die haar bij toepassing van de bepalingen van art. 1165 B.W. geen voordeel kan opleveren, doch haar evenmin enig nadeel kan berokkenen.
Het risico op arbeidsongevallen dat uit de voormelde relatie voortspruit is al even vreemd aan de verzoekster en maakt geen voorwerp uit van de dekking door haar verleend.
Daarenboven zijn de b.v.b.a. A.T. en de b.v.b.a. T. twee diverse rechtspersoonlijkheden die met elkaar, juridisch gezien geen uitstaans hebben.
Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomsten die zij zelfs met dezelfde werknemer afsluiten to-taal los staan van elkaar, zodat de twee arbeidsongevallenverzekeringen een totaal verschil-lend risico dekken.
6. Als de hoofdvordering van de heer R. V.D.V., zoals uitgebreid tegen de concludente, niet gegrond is, dan zijn alle tussenvorderingen hetzij zonder voorwerp, hetzij ongegrond, ver-mits vaststaat dat de verzoekster, als verzekeraar van de b.v.b.a. T., geen dekking kan ver-schuldigd zijn voor het arbeidsongeval dat zich bij een andere werkgever voordoet, waarmede de verzoekster geen enkele juridische relatie heeft.
7. De beslissing om de verzoekster te veroordelen tot de helft van de gedingskosten naar aanleiding van een geschil omtrent een arbeidsongeval waarvoor de verzoekster geen dekking dient te verlenen munt al evenzeer uit in tegenstrijdigheid".
x x x
In haar op 15 december 1992 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies heeft de n.v. A.G.J.
op haar beurt incidenteel beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 30 juni 1989 en het eindvonnis van 7 februari 1992.
Voor het Arbeidshof vordert zij het volgende :
"Het basisloon voorlopig vast te stellen op 843.695 fr., in acht genomen de wettelijke begren-zingen;
De b.v.b.a. A.T., de b.v.b.a. T. en de n.v. Assurantie van de Belgische Boerenbond solidair, minstens in solidum, minstens elk voor het geheel, minstens elk voor hun deel te veroordelen om concluante te vrijwaren voor alle vorderingen te haren laste, in hoofdsom, intresten en kosten;
Minstens de b.v.b.a. A.T. te veroordelen om te betalen aan concluante zowel de sommen waartoe concluante in huidig geding zou veroordeeld worden als 1 fr. provisie, als voorschot begroot op meer dan 500.000 fr., op de vergoedingen welke concluante reeds uitkeerde naar aanleiding van huidig schadegeval, meer de intresten vanaf de data van de betaling;
De b.v.b.a. A.T., de b.v.b.a. T. en de n.v. Assuranties van de Belgische Boerenbond solidair, minstens in solidum, minstens elk voor het geheel, minstens elk voor hun deel te veroordelen om aan concluante te betalen 1 fr. provisie, als voorschot op een eis begroot op meer dan 500.000 fr., voor de verdere uitgaven van concluante;
De zaak terug te zenden naar de eerste rechter om uitspraak te horen doen over de definitieve eis van concluante".
Haar grieven zijn de volgende.
In hoofdorde voert zij aan dat, aannemend dat er twee verschillende arbeidsover-eenkomsten zijn, niet is aangetoond dat het arbeidsongeval plaatsgreep op een ogenblik dat V.D.V. R. in dienst was van de b.v.b.a.
A.T., zodat zij niet ge-houden is tot uitbetaling van de wettelijke vergoedingen : het ongeval kan zich evengoed hebben voorgedaan op het ogenblik dat R. V.D.V. in dienst was van de b.v.b.a. T..
In eerste ondergeschikte orde laat zij gelden dat zij toch maar gehouden kan zijn tot het betalen van de wettelijke vergoedingen, als volgt vast te stellen :
- voor de blijvende arbeidsongeschiktheid moet de algemene regel van het artikel 34 van de Arbeidsongevallenwet worden toegepast en moet de arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid bij de b.v.b.a. T. volledig buiten beschouwing worden gelaten;
- voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, kan enkel worden teruggegrepen naar de gewone regeling, zoals die voortvloeit uit het artikel 34 van de Arbeidsongevallenwet; in casu is er geen cumulatie van de arbeidsovereenkomsten voor deeltijdse arbeid, zodat de uitzonde-ringsregeling van het artikel 37bis (meer bepaald ,§ 2 ervan) niet toepasselijk is;
- de bovenvermelde regels gelden zowel wanneer zou blijken dat het ongeval gebeurde in dienst van de b.v.b.a.
A.T., als in dienst van de beide werkgevers (deze laatste stelling is trouwens volgens die partij het meest in overeenstemming met de voorhanden zijnde gege-vens).
In tweede ondergeschikte orde, aannemend dat er slechts één arbeidsovereenkomst is, waarbij R. V.D.V.
wordt verondersteld overuren te presteren voor de uren die de gewone voltijdse arbeidstijd te boven gaan, moet men tot de vaststelling komen dat er twee arbeidson-gevallenverzekeraars zijn voor dezelfde overeenkomst, hypothese die in de Arbeidsongeval-lenwet niet is voorzien. Gezien de niet-tegenstelbaarheid van de excepties aan het slachtoffer, zijn beide verzekeraars gehouden tot volledige vergoeding van het slachtoffer; daar zij beiden handelaars zijn, lijkt het wel zo dat zij solidair gehouden zijn ten opzichte van het slachtoffer.
Omtrent het basisloon werpt de n.v. A.G.J. in hoofdorde op dat het dient te worden berekend op het loon voor de voltijdse tewerkstelling bij de b.v.b.a. A.T.; voor zover er aange-nomen zou worden dat er slechts één arbeidsovereenkomst is en er dus overuren zijn, be-draagt het basisloon 843.695 fr.
Aangaande haar tussenvordering tegen de n.v. K.B.C. Verzekeringen preciseert zij dat zij een vordering heeft tot beloop van (11/11 - 8/11) = 3/11 van de arbeidsongevallenver-goedingen.
Betrekkelijk haar tussenvorderingen tegen de b.v.b.a. A.T. en de b.v.b.a. T. poneert zij dat de eerste rechter deze onterecht heeft beperkt tot vrijwaring van de vergoedingen die de vergoedingen overeenstemmend met de aan haar en de n.v. K.B.C. Verzekeringen gestorte premies overtreffen : ze heeft tegen deze beide handelsvennootschappen een vordering inge-steld tot terugbetaling van haar volledige prestatie (zie artikel 24 van de arbeidsongevallenpolis : "De Maatschappij heeft het recht op verhaal tegen de verzeke-ringsnemer tot beloop van het uitbetaalde en de te betalen bedragen ....").
x x x
In zijn op 16 december 1992 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies heeft R. V.D.V. op zijn beurt incidenteel beroep ingesteld, daar vanaf het jaar 1992 het reële basisloon van belang is; hij vordert arbeidsongevallenvergoedingen tegen de n.v. A.G.J. en/of subsidiair tegen wie het behoort van elk der in het geding zijnde partijen, op grond van een ba-sisloon van 857.489 fr., in plaats van 853.016 fr., zoals door de eerste rechter bepaald. Voor het overige vordert hij de bevestiging van het eindvonnis a quo.
x x x
In haar op 23 augustus 1995 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies vordert de n.v. A.G.J.
tenslotte dat het basisloon zou worden vastgesteld op 587.512 fr., on-dergeschikt op 843.695 fr..
x x x
In hun op 12 maart 1996 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde conclusies heb-ben de b.v.b.a. A.T.
en de b.v.b.a. T. (toen nog niet in vereffening) op hun beurt incidenteel be-roep ingesteld :
- zij kunnen zich onmogelijk verzoenen met het standpunt van de eerste rechter in zijn tus-senvonnis van 30 juni 1989 als zouden de prestaties geleverd bij de b.v.b.a. T. beschouwd moeten worden als een accessorium van de prestaties in dienst van de b.v.b.a. A.T.; de eerste rechter stelde ten onrechte dat het in feite ging om één en dezelfde tewerkstelling en dat de arbeidsuren die het aantal van 8 uur per dag overschreden, ongeacht of er al dan niet een afzonderlijke opdracht was, toch afzonderlijk werden geboekt ten laste van een tweede firma van de groep Verliefden ondermeer en voornamlijk om aan bepaalde sociale regelingen te ontsnappen (bv. inzake betaling van overuren); R. V.D.V. was integendeel te-werkgesteld bij twee afzonderlijke werkgevers krachtens afzonderlijke arbeidsovereenkom-sten;
- zij zien niet in op basis van welke rechtsgrond zij tot vrijwaring van de n.v. A.G.J. kunnen gehouden zijn; laatstgenoemde beroept zich op de verzwijging en de valse verklaring, ter-wijl zij nochtans alle lonen bij beide werkgevers op regelmatige wijze hebben aangegeven bij hun onderscheiden arbeidsongevallenverzekeraar.
Zij vorderen aldus dat het Arbeidshof de bestreden vonnissen teniet zou doen in de mate dat ze worden bestreden en de tegen hun door de n.v. A.G.J. ingestelde tussenvorderin-gen niet toelaatbaar zou verklaren, minstens deze als ongegrond zou afwijzen, met veroorde-ling van die verzekeraar tot de kosten van het geding.
Bij akte op 6 juni 1996 ter griffie van het Arbeidshof neergelegd hebben de b.v.b.a. A.T. in vereffening en de b.v.b.a. T. in vereffening akte gevraagd van hun hervatting van het geding (de b.v.b.a. A.T. en de b.v.b.a. T. werden bij akten op 18 mei 1994 verleden voor meester J.F. Agneessens, notaris te Nazareth, ontbonden en in vereffening gesteld).
x x x
In een tweede tussenarrest van 18 september 1997 werd de heropening van de de-batten bevolen, teneinde de partijen opnieuw te horen.
Het Hof was van oordeel dat de zaak nog niet in staat van wijzen was en dat de n.v. K.B.C. Verzekeringen een en ander diende te preciseren nopens een aantal feitelijke en rechtsvragen opgesomd op bladzijde zes en zeven van dat arrest, aangezien zijnde als hier herhaald. Het standpunt van die verzekeraar volgt hierna.
Zij stelt dat zij inderdaad de toepasselijke wetsbepalingen niet heeft aangeduid tot staving van haar voorstel tot regeling: zij kan alleen maar de mogelijke berekeningswijzen ma-ken.
Uit de gedetailleerde loonstaat valt volgens haar duidelijk af te leiden dat het slacht-offer 3 uur tewerkgesteld was bij de p.v.b.a. T. en 8 uur bij de n.v. A.T..
Naar haar mening kan die opsplitsing 8/11 - 3/11 logischerwijze worden toegepast op het plafond.
Een andere hypothese bestaat erin dat het bij de p.v.b.a. T. verdiende loon wordt aangevuld met een hypothetisch loon voor de ontbrekende dagen of uren.
Dit kan volgens haar op twee manieren gebeuren :
- er wordt aangevuld totdat men een hypothetisch loon bereikt van 8 uur per dag, zijnde de normale dagelijkse arbeidsprestatie zoals voorgeschreven in het paritair comité ; volgens haar berekening resulteert dit in een eindtotaal van 568.731 fr.;
- ofwel wordt aangenomen dat het slachtoffer gewoonlijk 11 uur per dag presteerde, zodat dient aangevuld te worden tot 11 uur per dag, wat een eindresultaat geeft van 775.050 fr., te reduceren tot het plafond in 1984, namelijk 731.370 fr..
Nopens het derde onderdeel van de gestelde vragen stelt de n.v. K.B.C. Verzekerin-gen dat, afhankelijk van het basisloon, 168 kalenderdagen (vanaf 14 juni 1984 tot en met 28 november 1984) door haar dienen te worden vergoed tot de datum van de consolidatie der let-sels ten bedrage van ofwel 1.409 fr. per kalenderdag, ofwel 1.803 fr. per kalenderdag.
In functie van de door het Hof aangenomen berekeningswijze zullen de lasten van de uit te keren vergoedingen over de respectieve verzekeraars omgeslagen worden.
Tenslotte laat de n.v. K.B.C. Verzekeringen gelden dat in zoverre zij ten aanzien van het slachtoffer zou gehouden zijn tot betaling van het volledige bedrag, zij over een terugvorde-ringsrecht beschikt ten aanzien van de n.v. A.G.J. ten belope van de bedragen waartoe die laatste zal gehouden zijn overeenkomstig de door haar afgesloten polis. Het is in die zin dat door de n.v. K.B.C. Verzekeringen een tussenvordering tegen die andere arbeidsongevallen-verzekeraar werd ingesteld in haar op 9 maart 1998 ter griffie van het Arbeidshof neergelegde, op tegenspraak genomen conclusies.
x x x
De n.v. A.G.J. kan zich niet akkoord verklaren met het zo-even aangehaalde stand-punt van de n.v. K.B.C.
Verzekeringen dat de lasten van de uit te keren vergoedingen over de respectievelijke verzekeraar dienen te worden omgeslagen: de beide verzekeraar dienen ver-goedingen te betalen als respectievelijke wetsverzekeraars van de beide werkgevers; de ver-goedingen worden voor elk van beiden apart berekend en vastgesteld. Om dezelfde reden beschikt de n.v. K.B.C. Verzekeringen volgens haar over geen terugvorderingsrecht.
x x x
De beoordeling.
R. V.D.V. cumuleerde een deeltijdse tewerkstelling in dienst van de p.v.b.a. T. (naar rata van 3 uren per dag gedurende vijf dagen per week) met een voltijdse dienstbetrekking bij de p.v.b.a. A.T. (naar rata van 8 uren per dag gedurende vijf dagen per week). Hij voerde transporten uit in opdracht van die werkgevers, die beiden behoorden tot de zogeheten "Groep Verliefden".
De p.v.b.a. A.T. was evenwel tegen het risico van het arbeidsongeval verzekerd bij de n.v. G.J. (thans de n.v. A.G.J.), terwijl de p.v.b.a. T. het was bij de n.v. A.B.B. (thans de n.v. K.B.C. Verzekeringen).
Op 12 juni 1984 was R. V.D.V. het slachtoffer van een (niet betwist) arbeidsongeval.
Het bijzondere in het onderwerpelijk geschil is dat R. V.D.V. als chauffeur een trans-port had uitgevoerd in opdracht van de p.v.b.a. A.T. met een wagen van de p.v.b.a. T.. Na het reinigen van de tankwagen heeft het arbeidsongeval zich voorgedaan bij het naar beneden komen van zijn tankwagen.
De letsels werden geconsolideerd verklaard op 29 november 1984 met een graad van blijvende, gedeeltelijke economische arbeidsongeschiktheid van vier percent. Hierover bestaat in hoger beroep geen betwisting.
Met zijn tussenarrest van 19 december 1996 heeft dit Hof reeds voor recht gezegd:
- dat getroffene R. V.D.V., op het tijdstip waarop het arbeidsongeval van 12 juni 1984 zich voordeed, gelijktijdig tewerkgesteld was door de beide bovengenoemde werkgevers;
- dat hij toen een gemeenschappelijke prestatie leverde in dienst van die beide werkgevers;
- dat aldus terecht een aangifte van arbeidsongeval werd ingediend door de beide werkge-vers.
Aangezien en ofschoon - het arbeidsongeval zich heeft voorgedaan tijdens de si-multane uitvoering van twee verschillende arbeidsovereenkomsten, dienen die tewerkstellin-gen, ter oplossing van het litigieus arbeidsongevallengeschil, ook als twee onderscheiden con-tractuele rechtsverhoudingen te worden beschouwd en dienen de beide respectievelijke verze-keraars van de twee werkgevers, wat de tewerkstelling betreft waarvan zij het arbeidsonge-vallenrisico verzekerden, in te staan voor de wettelijke arbeidsongevallenvergoedingen, die (binnen het kader van elk van de twee arbeidsovereenkomsten afzonderlijk) het geleden loon-verlies en het verlies aan concurrentievermogen, beogen schadeloos te stellen. De twee ar-beidsongevallenverzekeringspolissen dekten een afzonderlijk risico. De verwezenlijking van de daarin verzekerde toekomstige en onzekere gebeurtenis greep plaats op 12 juni 1984.
Bijgevolg moeten niet alleen de vergoedingen en het basisloon waarop zij worden berekend, maar ook de gebeurlijk op die basislonen toe te passen loonplafonds overeenkom-stig het artikel 39 Arbeidsongevallenwet voor iedere arbeidsovereenkomst van R. V.D.V. af-zonderlijk worden vastgesteld.
Een optelling van de lonen verdiend bij verschillende werkgevers is trouwens enkel mogelijk in de hypothese van het artikel 37bis ,§ 2 Arbeidsongevallenwet, te dezen evenwel niet toepasselijk, zoals hierna zal blijken.
Wanneer de getroffene tewerkgesteld is krachtens een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid wordt, krachtens het artikel 37bis ,§ 1 Arbeidsongevallenwet, het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld uit-sluitend met inachtneming van het loon dat verschuldigd is krachtens voormelde arbeidsover-eenkomst.
Wanneer de getroffene krachtens meerdere arbeidsovereenkomsten voor deeltijdse arbeid is tewerkgesteld, wordt het basisloon voor de berekening van de vergoedingen voor tij-delijke arbeidsongeschiktheid vastgesteld met inachtneming van de lonen die hem krachtens voornoemde arbeidsovereenkomsten verschuldigd zijn (cf.
artikel 37 bis ,§ 2 Arbeidsongeval-lenwet).
Aangezien het artikel 37bis een uitzonderingsbepaling is, moet het op strikte wijze worden geïnterpreteerd (SCHAMP H., Arbeidsongevallen, Kluwer, e.a., deel I, Hfdst. 2, 5, 2300). Derhalve is die wetsbepaling niet van toepassing wanneer de werknemer, zoals te de-zen, naast de deeltijdse ook nog een voltijdse dienstbetrekking heeft. Aldus dient in die laatste hypothese, naar aanleiding van een arbeidsongeval in de deeltijdse functie (in casu gelijktijdig met een arbeidsongeval in de voltijdse functie, simultaan uitgeoefend met de deeltijdse), het aldaar verdiende loon te worden aangevuld met een hypothetisch loon voor de ontbrekende dagen en uren, krachtens de algemene regel verwoord in het artikel 36 ,§ 1 Arbeidsongeval-lenwet (cf.
Arbh. Gent, Afd. Brugge, 12 maart 1998, Soc. Kron., 1998, 438; Arbh. Gent, afd. Gent, 1 april 1999, A.R.
442/94, onuitg.; HUYS, J., "Deeltijdse arbeid in de arbeidsongevallen- en beroepsziektenverzekering", Or., 1986, 239; JANVIER, R., PERSYN, C. & VAN EECK-HOUTTE, W., "Overzicht van rechtspraak : Arbeidsongevallen 1984-1989", T.P.R., 1990, 1345; JANVIER, R., "Het loon in de sociale zekerheid : uitkeringen", in Het loonbegrip, Recht en sociale zekerheid 2, Die Keure, 1995, 86).
Het referentieloon, tot bepaling van de wettelijke arbeidsongevallenvergoedingen te betalen door de n.v.
K.B.C. Verzekeringen, zal dus voor het tijdvak van de tijdelijke arbeidson-geschiktheid, net als voor dat van de blijvende arbeidsongeschiktheid, worden aangevuld met een hypothetisch loon krachtens het artikel 36 ,§ 1 Arbeidsongevallenwet.
De vordering van de n.v. A.G.J., ertoe strekkend de werkgever aanvankelijk zelfs de beiden - tot vrijwaring en tot betaling van een provisioneel bedrag van 1 fr. te veroordelen, en die gegrond werd verklaard door de eerste rechter, heeft die verzekeraar gestoeld, ener-zijds, op het feit dat door haar een vergoeding zou worden betaald die ruimer is dan het door haar krachtens de polis op basis van een tewerkstelling van 8 uur per dag gedekte risico, en, anderzijds op het artikel 24 van de arbeidsongevallenpolis ( recht van verhaal tegen de verze-keringnemer tot beloop van de uitbetaalde en te betalen bedragen ingeval van valse of onvol-ledige verklaring, van verzwijging, van verzuim in het meedelen van aan het risico aange-brachte wijzigingen).
Aangezien in casu van die hypothese geen sprake is (het door de polis gedekte risi-co, voorwerp van het contract, stemt volkomen overeen met de verklaring van de p.v.b.a. A.T. en werd dus juist omschreven) en die vordering trouwens in subsidiaire orde werd ingesteld, met name voor het geval de vergoedingen ten laste van de n.v. A.G.J. op een hoger basisloon dan 587.512 fr. zouden worden toegekend - wat niet het geval is: cf. infra -, dient het bestre-den eindvonnis ook op dit vlak te worden vernietigd, vermits die tussenvordering van de n.v. A.G.J. ongegrond is. De dekking of het opnemen van het risico is in casu de loutere uitvoering van de prestatie of verbintenis van de verzekeraar, die beantwoordt aan de door de verzeke-ringsnemer opgenomen en eveneens uitgevoerde verbintenis, met name de betaling van de (verzekerings)premie.
Het basisloon betreffende de voltijdse tewerkstelling in dienst van de p.v.b.a. A.T. dient te worden bepaald op 587.512 frank (cf. het dossier van de n.v. A.G.J. : stuk 14, laatste pagina).
Het aangevuld dito loon betrekkelijk de deeltijdse tewerkstelling in dienst van de p.v.b.a. T. dient te worden vastgesteld op 568.731 frank (cf. de berekeningswijze van de n.v. K.B.C. Verzekeringen in haar conclusies op 9 maart 1998 ter griffie neergelegd, p. 2).
De onderscheiden vorderingen die de twee verzekeraars tegen elkaar hebben inge-steld, zijn ongegrond:
de hierna in het dictum van dit arrest nader bepaalde tegen hen uitge-sproken veroordelingen hebben respectievelijk betrekking op vergoedingen die zij verschuldigd zijn, elk wat hun arbeidsongevallenpolis betreft (die een verschillend risico dekte) en krachtens de wettelijke bepalingen in hun hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar;
Zij dienen de daarop betrekking hebbende last zelf op te nemen (zo geschiedt de aanvulling van het basis-loon betrekkelijk de deeltijdse tewerkstelling in dienst van de p.v.b.a. T., verzekeringsnemer van de huidige n.v. K.B.C. Verzekeringen, uitsluitend met toepassing van de Arbeidsongeval-lenwet, zodat in dat verband door die verzekeraar evenmin verhaal kan worden uitgeoefend tegen wie dan ook).
OP DIE GRONDEN,
HET ARBEIDSHOF,
Rechtsprekend op tegenspraak.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonder-heid op het artikel 24.
Gelet op de tussenarresten van 19 december 1996 en van 18 september 1997.
Gelet op het eensluidend, schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 9 november 1999 door de heer Antoine Lievens, substituut-generaal.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend als niet gegrond.
Oordelend binnen de perken van het hoofd- en van de incidentele beroepen.
Verklaart de hoofd- en incidentele beroepen in de hierna bepaalde mate gegrond.
Vernietigt gedeeltelijk het bestreden tussenvonnis van 30 juni 1989, met name in zo-verre daarin in het motiverend gedeelte wordt gesteld,:
- primo, dat het in feite om één en dezelfde tewerkstelling ging en dat de prestaties geleverd bij de p.v.b.a. T. dienen te worden beschouwd als een accessorium van de prestaties in dienst van de p.v.b.a A.T. en cijfermatig dienen te worden samengevoegd;
- secundo, dat het basisloon over de periode van 12 juni 1983 tot en met 11 juni 1984 dient te worden bepaald met in achtname van de samengevoegde lonen verdiend zowel bij de p.v.b.a. A.T. als bij de p.v.b.a T.;
- en, tertio, dat het arbeidsongeval zich voordeed in dienst van de p.v.b.a. A.T., zodat, ener-zijds, "evenwel de G.J. arbeidsongevallenverzekeraar van de eigenlijke werkgever, gehou-den (is) tegenover eiser (R. V.D.V.) om in te staan voor de schadelijke gevolgen van het arbeidsongeval" en, anderzijds, de heromschreven hoofdvordering inzake arbeidsonge-vallen ongegrond dient te worden verklaard in zoverre zij ook nog gericht is tegen de n.v. A.B.B. (thans de n.v. K.B.C. Verzekeringen).
Vernietigt eveneens het bestreden eindvonnis van 7 februari 1992, behoudens waar het recht spreekt omtrent de kosten van het geding.
En, opnieuw wijzend,
Bepaalt het basisloon betrekkelijk de voltijdse tewerkstelling (in dienst van de p.v.b.a. A.T., tegen arbeidsongevallen verzekerd bij de n.v. A.G.J.) op 587.512 frank.
Veroordeelt de n.v. A.G.J. om aan R. V.D.V. te betalen:
- voor de dag van het arbeidsongeval (12 juni 1984) een vergoeding gelijk aan het normaal dagloon, verminderd met het loon dat R. V.D.V. eventueel heeft verdiend;
- voor de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid lopende van 13 juni 1984 tot en met 28 november 1984 een dagelijkse bruto vergoeding van :
(587.512 fr. : 365) x 90 % = 1.449 fr.,
onverminderd de toepassing van de Arbeidsovereenkomstenwet;
- vanaf 29 november 1984, consolidatiedatum, een jaarlijkse bruto vergoeding (verminderd met 50 % krachtens het artikel 24, derde lid, Arbeidsongevallenwet) gelijk aan
(587.512 fr. x 4 %) x 50 % = 11.750 fr.;
- te verminderen met de sommen die de n.v. A.G.J. ondertussen reeds als arbeidsongeval-lenvergoedingen aan R. V.D.V. heeft uitbetaald;
- meer de intresten te rekenen vanaf de eisbaarheid (cf. artikel 42, derde lid, Arbeidsonge-vallenwet).
Bepaalt het (aangevuld) basisloon betrekkelijk de deeltijdse tewerkstelling (in dienst van de p.v.b.a.
T., tegen arbeidsongevallen verzekerd bij de n.v. K.B.C. Verzekeringen) op 568.731 fr..
Verklaart de door de R. V.D.V. tegen de n.v. A.B.B., thans de n.v. K.B.C. Verzekerin-gen, ingestelde tussenvordering in de hierna bepaalde mate gegrond.
Veroordeelt de n.v. K.B.C. Verzekeringen om aan R. V.D.V. te betalen:
- voor de dag van het arbeidsongeval (12 juni 1984) een vergoeding gelijk aan het normaal dagloon, verminderd met het loon dat R. V.D.V. eventueel heeft verdiend;
- voor de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid lopende van 13 juni 1984 tot en met 28 november 1984 een dagelijkse bruto vergoeding van:
(568.731 fr. : 365) x 90 % = 1.402 fr.,
onverminderd de toepassing van de Arbeidsovereenkomstenwet;
- vanaf 29 november 1984, consolidatiedatum, een jaarlijkse brutovergoeding (verminderd met 50 % krachtens het artikel 24, derde lid, Arbeidsongevallenwet) gelijk aan:
(568.731 fr. x 4 %) x 50 % = 11.375 fr.;
- meer de intresten vanaf de eisbaarheid (cf. artikel 42, derde lid, Arbeidsongevallenwet).
Zegt dat het bedrag van de bovenvermelde vergoedingen dienen te worden betaald op de wijze en met de periodiciteit bepaald in het artikel 42 Arbeidsongevallenwet.
Verklaart de tussenvordering van 9 maart 1998 van de n.v. K.B.C. Verzekeringen ontvankelijk.
Verklaart alle vorderingen door arbeidsongevallenverzekeraars n.v. A.G.J. en n.v. K.B.C. Verzekeringen wederkerig tegen elkaar ingesteld ongegrond en wijst ze af;
Wijst ook alle tegen de (behoorlijk verzekerde) werkgevers (zijnde thans de b.v.b.a. A.T. in vereffening en de b.v.b.a. T. in vereffening) ingestelde en op de Arbeidsongevallenwet gestelde vorderingen, af als ongegrond.
Legt, overeenkomstig het artikel 68 Arbeidsongevallenwet, de kosten aangaande de procesvoering in hoger beroep ten laste van de twee arbeidsongevallenverzekeraars, de n.v. A.G.J. en de n.v. K.B.C. Verzekeringen, maar zegt dat die kosten derwijze worden omgesla-gen dat elke verzekeraar de helft ervan dient te dragen.
Begroot het bedrag van die te veref-fenen kosten op heden als volgt (met inbegrip van die aan de zijde van de b.v.b.a. T. in veref-fening en van de b.v.b.a. A.T. in vereffening in eerste aanleg gevallen, maar door de eerste rechter nog niet (volledig) begroot, bij gebrek aan opgave):
- aan de zijde van de n.v. K.B.C. Verzekeringen (zoals gevorderd):
uitgavenvergoeding: 2.050 frank
vaste rechtsplegingsvergoeding: 9.840 frank
aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding: 2.050 frank
- aan de zijde van R. V.D.V.:
- vaste rechtsplegingsvergoeding: 9.840 frank
aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding: 2.050 frank
aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding: 2.050 frank
- aan de zijde van de b.v.b.a. T. in vereffening en van de b.v.b.a. A.T. in vereffening samen (zoals gevorderd):
- aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding (eerste aanleg): 1.800 frank
- vaste rechtsplegingsvergoeding (hoger beroep): 9.840 frank
- aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding (hoger beroep): 2.050 frank
- aan de zijde van de n.v. A.G.J. (zoals gevorderd) :
- vaste rechtsplegingsvergoeding: 9.600 frank
aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding: 2.050 frank
aanvullende vaste rechtsplegingsvergoeding: 2.050 frank
Aldus uitgesproken op donderdag zeventien februari tweeduizend in openbare te-rechtzitting door de eerste kamer van het Arbeidshof te Gent, zetelend te Gent en waarin zit-ting hadden : Vande Vyver Gregor, kamervoorzitter in het Arbeidshof, Deconinck Joris, raads-heer in sociale zaken, benoemd als werkgever; Reygaert Luc, raadsheer in sociale zaken, be-noemd als werknemer-arbeider