Arbeidsrechtbank: Vonnis van 6 Juli 2009 (Gent). RG 08/2838
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20090706-2
- Rolnummer :
- 08/2838
Samenvatting :
De bescherming van personeelsafgevaardigden geldt tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. Die aanstelling valt pas eerst samen met de eerste vergadering van het nieuw verkozen orgaan. De ernstige fout van de driepartijenovereenkomst (die betrekking heeft op de omzetting van de statutaire functie van het personeel naar een contractuele functie) valt niet samen met het begriop dringende reden van artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Vonnis :
A.R. 08/2838 Rep.nr.
De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit :
INZAKE : MG, bediende, ,
- EISENDE PARTIJ - ter zitting vertegenwoordigd door Mr. L. DE MEULENAERE, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Tentoonstellingslaan 54;
TEGEN : N.V. S.P.E., met zetel te 1000 BRUSSEL, Re-gentlaan 47, ondernemingsnummer 471.811.661,
- VERWERENDE PARTIJ - ter zitting vertegen-woordigd door Mr. D. DE MEULEMEESTER, ad-vocaat met kantoor te 9000 GENT, Citadellaan 10.
I. PROCEDURE.
De vordering werd ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend op 16 oktober 2008.
De partijen spraken ter inleidende zitting af dat zij enkel volgen-de conclusies zouden nemen:
- de verweerster op 16 januari 2009,
- de eiser op 13 maart 2009, en
- het laatste woord voor de verweerster op 24 april 2009.
Deze afspraak werd door de Rechtbank bevestigd. De pleitdag werd vastgesteld op 25 mei 2009.
De partijen werden gehoord, maar konden niet worden verzoend.
Het Arbeidsauditoraat heeft schriftelijk advies neergelegd op 5 juni 2008. De nv SPE heeft hierop gereplikeerd bij conclusie van 19 juni 2009.
De debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak gesteld op 6 juli 2009.
II. VORDERING.
De eisende partij vordert in haar syntheseconclusie (art. 748bis Ger.W.):
§ de verwerende partij te veroordelen tot betaling van:
in hoofdorde
- 293.480,25 euro, de buitenwettelijke forfaitaire vergoe-ding,
- 430.871,71 euro, beschermingsvergoeding,
subsidiair
- 284.375,33 euro, verbrekingsvergoeding,
- 293.480,25 euro, buitenwettelijke forfaitaire vergoe-ding,
§ de verwerende partij te veroordelen tot betaling van:
- 555,94 euro, feestdagloon,
- 2.509,01 euro, pro rata eindejaarspremie,
- 1.667,81 euro, loon voor de periode van 1.7.2008-8.7.2008,
- 3.937,00 euro, enkel vakantiegeld 2007,
- 5.003,47 euro, vertrekvakantiegeld 2008,
alle bovenstaande bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2008, de gerechtelijke rente vanaf dagvaarding tot de dag van effectieve, volledige betaling;
§ de afgifte binnen de 14 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis van alle correct ingevulde sociale en fiscale docu-menten meer bepaald de C4, de individuele rekening 2008, de loonafrekening juli 2008, het tewerkstellingsattest en de vakantie-attesten, onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document;
§ subsidiair, vooraleer ten gronde te oordelen en indien verweerster zou betwisten dat er reeds geruime tijd binnen het Comité afspra-ken werden gemaakt betreffende de site Harelbeke en/of het aan-brengen van een waterfontein, alsook van het feit dat deze beslis-singen niet werden uitgevoerd, eisende partij toe te laten deze fei-ten te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen;
§ uiterst subsidiair, voor het geval de Rechtbank van oordeel zou zijn dat de mail van 4.7.2008 van eiser als grond voor een dringende reden zou kunnen dienen, dit in samenvoeging met de feiten welke van voordien dateren, eiser akte te geven van zijn voorbehoud om met betrekking tot deze eerdere feiten nader ten gronde te conclu-deren;
§ akte te geven aan eiser dat hij op basis van artikel 807 Ger.W. zijn vordering uitbreidt met een voorlopig bedrag van één euro provisi-oneel op basis van de tegemoetkoming van verweerster in de afre-kening van de electriciteitsrekening voor het jaar 2007-2008;
§ verweerster tenslotte te veroordelen tot de gedingkosten, inbegre-pen de dagvaardingskosten van 148,69 euro en de rechtsplegings-vergoeding op heden begroot op 10.000,00 euro;
§ dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonne-ment.
Bij conclusies neergelegd ter griffie op 24 april 2009 vordert de ver-weerster:
In hoofdorde
na te hebben vastgesteld dat eiser op het ogenblik van het ontslag om dringende reden niet meer genoot van de bescherming als per-soneelsafgevaardigde overeenkomstig de Wet van 19 maart 1991, op grond van het feit dat aan zijn mandaat, en bijgevolg aan de be-scherming die ermee gepaard gaat, een einde kwam op de dag van aanplakking van de uitslag van de stemming en de samenstelling van het comité op 16 mei 2008; en
na te hebben vastgesteld dat het gegeven ontslag om dringende re-den regelmatig en rechtmatig werd gegeven;
voor recht te zeggen dat de vordering ontvankelijk is, doch onge-grond, in de mate dat aan eiser enkel volgende vergoedingen toe-komen:
1. het enkel vakantiegeld 2007 met betrekking tot het saldo wette-lijke vakantie, zijnde 42,25 uur;
2. het vertrekvakantiegeld 2008, zoals gevorderd door eiser;
In ondergeschikte orde
indien de Rechtbank van oordeel zou zijn dat eiser
op het ogenblik van het ontslag om dringende reden genoot van de bescherming overeenkomstig de Wet van 19 maart 1991, te oorde-len dat eiser recht heeft op volgende vergoedingen:
1. de beschermingvergoeding, zoals gevorderd door eiser;
2. de conventionele vergoeding ingevolge de Driepartijenovereen-komst dd. 17 augustus 2000, zoals gevorderd door eiser;
3. de gevorderde pro rata eindejaarspremie;
4. het vertrekvakantiegeld 2008, zoals gevorderd door eiser.
In uiterst ondergeschikte orde
inden de Rechtbank van oordeel zou zijn dat de feiten, dewelke de grondslag vormen voor het gegeven ontslag om dringende reden, niet overeenstemmen met het begrip ‘dringende reden' zoals opge-nomen in artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet, te oordelen dat ei-ser recht heeft op volgende vergoedingen:
1. een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 21 maanden;
2. de conventionele vergoeding ingevolge de Driepartijenovereen-komst dd. 17 augustus 2000, zoals gevorderd door eiser;
3. de gevorderde pro rata eindejaarspremie;
4. het gevorderde vertrekvakantiegeld 2008;
5. het feestdagenloon voor de dagen 11 en 21 juli 2008, zoals ge-vorderd door eiser.
Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 10.000,00 euro.
Ter zitting verklaarde MG het loon van 1 tot en met 8 juli ont-vangen te hebben.
Verder verklaarden beide partijen ter zitting dat de vergoeding van de driepartijenovereenkomst enkel verschuldigd is zo de gewone ontslagvergoeding verschuldigd is.
III. FEITEN.
1. MG trad op 1 maart 1977 in dienst bij de toenmalige inter-communale SPE. Deze elektriciteitsproducent nam inmiddels de juridische vorm aan van een naamloze vennootschap.
Op 22 november 2000 sloten de nv SPE en MG een arbeidsover-eenkomst voor bedienden en van onbepaalde duur. MG werd met ingang van 1 juli 2000 aangeworven als "werkmeester ELE met een geldelijke anciënniteit gelijk aan 23 jaarverhogingen".
Deze arbeidsovereenkomst verwijst naar een "driepartijenover-eenkomst" die integraal deel uitmaakt van de arbeidsovereen-komst zelf. In die "driepartijenovereenkomst" staat onder meer:
"SPE NV verbindt zich ertoe, ingeval van ontslag van een lid van het personeel, om hem naast de opzegvergoeding een buitenwettelijke vergoeding toe te kennen, die forfaitair vastgesteld wordt op een bedrag gelijk aan dit dat bepaald werd ten gunste van de oude werknemers van de ASLK in het kader van de overname door FOR-TIS nv".
Verder wordt wel vermeld dat:
"... deze verbintenissen niet van toepassing zijn op de leden van zijn personeel die wegens een ernstige fout zouden worden ontslagen...".
2. Uit de stukken en het relaas van de feiten door de partijen, blijkt dat de samenwerking voor geen van hen een aangenaam verloop kende.
3. MG was bij de sociale verkiezingen van 2004 kandidaat voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. Hij werd verkozen als plaatsvervanger en nam die functie op vanaf 2006.
Hij was geen kandidaat meer voor de sociale verkiezingen van 2008.
4. Op donderdag 3 juli 2008 deed zich een incident voor.
Secretariaatsmedewerker CDS verzond een uitnodiging voor een vergadering van het CPBW van 28 juli naar de leden van de mailgroep "Comité PBW Noord Extern" en "Comité PBW Noord Intern". Zij vroeg de agendapunten voor de komende vergade-ring van 28 juli door te mailen.
MG beantwoordde deze mail. Hij verzond zijn antwoord naar CDS, en verder in CC naar 6 andere medewerkers van SPE. Het luidde als volgt:
"Wanneer komt er iets van in huis?
-Het triestige van de inboedel van Centrale Harelbeke?
Ik bedoel schilderwerken, geluidswerende deuren enz?
-wanneer komt er oplossing voor de drinkfonteinen voor o.a. Lumi-nus, alles is klaar, alleen moet er nog forfait gegeven worden, Door wie? Iedereen schuift verantwoordelijkheden naar beneden af, Kris waar ben je, Lieven waar ben je? En onze CEO, tja? Waar ergens is er nog directie, in BXL? In Luik? Hasselt?
Wie doet wat? Ik werk in dit bedrijf sedert 1977, ik heb veel mee-gemaakt, maar dit tart alle grenzen. Er wordt niet meer gewerkt! Er wordt vergaderd, en na de vergadering, gaat men nog eens een vergadering plannen hoe die vorige is verlopen? EN ER GEBEURT NIETS!
Maar ook compleet niks!
Ik hoor niets anders meer van "ik heb geen tijd", "Straks", "Mor-gen", enz.
Onze Daniel is gecremeerd deze dag, heeft dienst gedaan voor SPE, en?
In totaliteit vind ik het beleid niks, O,O, meer nog ik maak er mij ziek door.
Groeten,
M."
5. Deze mail vormde voor SPE de rechtstreeks aanleiding om over te gaan tot ontslag van MG.
Het ontslag werd gegeven bij brief van 8 juli 2008. De redenen voor het ontslag werden ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 9 juli 2008.
De werkgever gaf ontslag om dringende reden. De reden werd als volgt omschreven:
"op datum van 8 juli 2008 werd de tussen onze onderneming en uzelf bestaande arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd op grond van dringende reden.
In de uitvoering van uw arbeidsovereenkomst is er sprake van een ernstige tekortkoming die iedere verdere professionele samenwer-king onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
Op datum van 7 juli 2008 werden wij in kennis gesteld van uw e-mail d.d. 3 juli 2008 (zie verder).
De dringende reden is tot stand gekomen ingevolge herhaalde te-kortkomingen in uw houding en de wijze waarop u de arbeidsover-eenkomst uitvoert. Zo slaagt u erin onophoudelijk de goede werking van het magazijn / de onderneming tegen te werken en dit op on-derduimse wijze; uw houding heeft een negatieve weerslag op de werking van uw dienst (het magazijn) in het algemeen en uw colle-ga's in het bijzonder.
***
Naar aanleiding van een algemeen verzoek tot aanvraag agenda-punten voor de vergadering van het nieuwe CPBW - waarvan u geen deel meer uitmaakt - slaagde u erin om op 3 juli 2008 - voor de zo-veelste keer - een negatieve en beschuldigende mail te zenden, waarvan wij op 4 juli 2008 in kennis werden gesteld:
"Wanneer komt er iets van in huis?
-Het triestige van de inboedel van Centrale Harelbeke?
Ik bedoel schilderwerken, geluidswerende deuren enz?
-wanneer komt er oplossing voor de drinkfonteinen voor o.a. Lu-minus, alles is klaar, alleen moet er nog forfait gegeven worden, Door wie? Iedereen schuift verantwoordelijkheden naar beneden af, Kris waar ben je, Lieven waar ben je? En onze CEO, tja? Waar ergens is er nog directie, in BXL? In Luik? Hasselt?
Wie doet wat? Ik werk in dit bedrijf sedert 1977, ik heb veel meegemaakt, maar dit tart alle grenzen. Er wordt niet meer ge-werkt! Er wordt vergaderd, en na de vergadering, gaat men nog eens een vergadering plannen hoe die vorige is verlopen? EN ER GEBEURT NIETS!
Maar ook compleet niks!
Ik hoor niets anders meer van "ik heb geen tijd", "Straks", "Mor-gen", enz.
Onze Daniel is gecremeerd deze dag, heeft dienst gedaan voor SPE, en?
In totaliteit vind ik het beleid niks, O,O, meer nog ik maak er mij ziek door.
Deze communicatie is de zoveelste illustratie van uw eigen negatie-ve houding ten aanzien van de onderneming. Zoals gesteld, maakt u daarenboven geen deel meer uit van het CPBW.
Hiernavolgend geven wij een bloemlezing van een hele reeks feiten dewelke uw negatieve houding ten aanzien van de onderneming, uw dienst, uw hiërarchisch oversten, en uw collega's illustreren. Wij be-houden ons het recht voor de betreffende feiten aan te vullen en er-van het bewijs te leveren met alle middelen rechtens.
1.
Op 1 oktober 2007 nam u vakantie. Uw vraag voor deze vakantie werd geweigerd door uw dienstchef. Niettegenstaande deze weige-ring, nam u onverstoord vakantie. U werd dienaangaande aange-schreven op 19 oktober 2007. Op deze brief kwam nooit enige reac-tie.
2.
Op 25 juni 2007 dienden wij u aangetekend mede te delen dat het, in geval van arbeidsongeschiktheid, niet de bedoeling was dat u in het wilde weg diverse diensten en collega's contacteerde om hun zulks te melden. Uw houding in deze was bijzonder merkwaardig en het ging zo ver dat wij u dienden aan de schrijven (brief d.d. 25 juni 2007). Op deze brief kwam nooit enige reactie.
3.
Op 25 juni 2007 deelde u telefonisch mede dat u die dag vakantie zou nemen. Negentien minuten later belde u opnieuw met de mel-ding dat u ziek was. U had zich blijkbaar vergist. Opnieuw dienden wij u er schriftelijk op te wijzen dat uw houding niet professioneel was (brief d.d. 25 juni 2007). Opnieuw geen reactie.
4.
Op 11 mei 2007 stopte u eenzijdig met een opleiding Reachtruck. Niettegenstaande het hier een eenvoudige opleiding betreft waarin al uw collega's slaagden, weigerde u deze te voltooien en was u eenvoudigweg niet gemotiveerd. Weerom een illustratie van uw ne-gatieve houding ten aanzien van de onderneming.
5.
Op 9 februari 2006 werd u opgebeld door een collega die een vraag stelde. U vond er niet beter op dan de telefoon dicht te gooien. Het was niet de eerste maal dat zulks gebeurde. De dienst Human Re-sources ondernam een poging u dienaangaande aan te spreken, doch u weigerde ieder gesprek. Weerom was Human Resources ge-noodzaakt u één en ander schriftelijk te bevestigen (brief d.d. 14 fe-bruari 2006) Weerom kwam hierop geen enkele reactie.
6.
Op 20 april 2008 stuurde u de hierna volgende mail naar aanleiding van feiten van 24 april 2008:
"Wij hebben gisteren twee schoepen van de boogloods naar de ae-riocondensor moeten verplaatsen. Resultaat, dokter erbij gehaald, gans de nacht niet geslapen, kon mij zelfs niet meer draaien in bed. Zogezegd omdat de firma geen tijd had. Geen mensen ter beschik-king hadden? Ik weeg +/-60 kg, ik doe wat ik doe, maar meer tja? Ik stel: Mijn lijf moet nog jaren meegaan, het jouwe ook, maar op deze wijze? Ik wil alles doen met het resultaat vandien! Graag reac-tie? In elk geval ik doe niet meer aan zo een acties, ik ben maar een mens, ik NOEM HET ARBEIDSONGEVAL!
Uw hiërarchisch overste deelde later mede dat u tijdens de betref-fende werkzaamheden een passieve houding had aangenomen, zo-dat uw reactie geheel overtrokken was en niet in overeenstemming met de realiteit.
7.
In maart 2008 bleek nog maar eens dat u bij het afhandelen van ge-leverde goederen niet de correcte en welgekende werkinstructies naleeft. Op 25 maart 2007 maakte u de nodige documenten op tot inname van een artikel, dat evenwel niet werd geleverd. Hetzelfde had zich al voorgedaan op 4 maart 2008.
8.
Op 3 april 2008 deed zich opnieuw een gelijkaardige situatie voor waarop u niet afdoende reageerde. Door uw eigen slordig-heid/nalatigheid bleken bepaalde artikelen spoorloos.
9.
op 8 april 2008 bleek opnieuw dat u zich niet van eenvoudige taken kwijt en dat u nog maar eens uw taken doorschuift naar uw collega magazijniers en continu bijstand vraagt aan uw collega's. U liet na een MBX te plaatsen. Toen u hierover werd aangesproken door een collega, reageerde u op een louter formele wijze; iedere verant-woordelijkheid van u afschuivend.
10.
Op 15 april 2008 liep het opnieuw fout met een eenvoudige reserva-tie van een magazijnartikel. U diende twee schoepen te leveren. Hiervoor was assistentie voorzien. Het bleek evenwel dat u het arti-kel verkeerd reserveerde (foute transactie). U werd hier mondeling over aangesproken.
11.
Tijdens uw vakantie in mei 2008 belde u op 22 mei 2008 uw collega op met de vraag hoe lang uw vakantie nog duurde. Meteen rees het vermoeden dat u wel eens ziek zou kunnen zijn bij uw terugkeer uit vakantie op 28 mei 2008. Het vermoeden werd bevestigd.
12.
Op 13 juni 2008 weigerde u botweg de inname van de magazijnbon van artikelen waarvan u stelde deze niet gezien te hebben, maar die wel werden geleverd. U motiveerde uw beslissing met de frase: "Twee maten en twee gewichten?".
13.
Recentelijk noteren we ook taken die niet uitgevoerd werden zoals het aanvullen en opvolgen van de lijsten voor de wasserij (uw mail d.d. 3 en 6 juni 2008); het vervangen van de affiches voor de vei-ligheidscampagnes (d.d. 3 juni 2008); het niet voltooien van het werk (u vertrok op 6 juni 2008 om 15u45 - u was naar eigen zeg-gen doodop).
14.
Op 17 september 2007 had u een gesprek met de dienst human re-sources. U werd onder meer gewezen op uw negatie-ve/merkwaardige wijze van communiceren, onder meer op 10 juli 2007 en 16 september 2007. U wijzigde uw houding niet.
15.
Diverse collega's van het magazijn en daarbuiten klagen aan dat el-ke samenwerking met u onmogelijk is. Een aantal onder hen onder-namen reeds - naar eigen zeggen - stappen ten aanzien van de ver-trouwenspersoon zonder evenwel klacht neer te leggen.
***
Bovenstaande feiten afzonderlijk en als geheel worden beschouwd als een ernstige tekortkoming die iedere verdere professionele sa-menwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. De opeen-volging van feiten getuigen van een en dezelfde negatieve houding en maken in die zin herhaling uit dewelke de feiten en ieder feit af-zonderlijk de noodzakelijke ernst meegeven. Daarenboven werd u hier herhaaldelijk, zowel mondeling als schriftelijk, op gewezen.
Onderhavig aangetekend schrijven geldt als kennisgeving in de zin van artikel 35, lid 4 Arbeidsovereenkomstenwet en werd u toege-zonden binnen de door de wet voorgeschreven vervaltermijn van drie werkdagen na het gegeven ontslag om dringende reden."
6. Bij brief van 1 augustus 2008 heeft MG zich verzet tegen dat ontslag. Hij betwiste de aangevoerde reden en vroeg te worden gereïntegreerd in het bedrijf.
Daarop volgde geen antwoord.
IV. BEOORDELING.
A. Ontslagbescherming als personeelsafgevaardigde.
7. MG was vanaf 2006 personeelsafgevaardigde in het CPBW.
Personeelsafgevaardigden worden beschermd tegen ontslag door de wet van 19 maart 1991. De werkgever die een personeelsaf-gevaardigde ontslag om dringende reden wil geven, dient vooraf een procedure te doorlopen en de zaak vooraf aanhangig maken bij de arbeidsrechtbank.
MG was geen kandidaat bij de nieuwe verkiezingen. Het CPBW zou in een nieuwe samenstelling vergaderen, zonder hem. De discussie gaat er dus over of hij nog ontslagbescherming genoot op de datum van het ontslag.
Artikel 2 § 2 van de wet schrijft voor:
De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalin-gen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkie-zingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.
De bescherming van de vorige afgevaardigden verstrijkt dus op de datum dat de nieuw verkozenen worden aangesteld.
8. De sociale verkiezingen vonden plaats op 15 mei 2008. Op 16 mei 2008 werden de resultaten bekend gemaakt.
De vakorganisatie ABVV tekende beroep aan tegen deze resulta-ten. Dit beroep beoogde de vernietiging van de samenstelling van de werkgeversafvaardiging.
Deze vordering werd ingeleid op 29 mei 2008. Op verzoek van beide partijen werd de zaak verdaagd naar 11 augustus 2008. Ze werd toen ook behandeld en gepleit.
De vordering van de vakorganisatie werd gegrond verklaard.
9. Maar ondertussen was SPE reeds overgegaan tot het ontslag van MG. Dat gebeurde meer bepaald op 8 juli 2008.
Het nieuw samengestelde comité was nochtans nog niet bijeen-gekomen, zelfs niet in zijn door het ABVV betwiste samenstel-ling.
Integendeel ontving MG een uitnodiging voor de bijeenkomst van het comité die gepland werd 28 juli. Dit is op het eerste zicht toch wel frappant. Bij nader toezien vertoont dit gegeven nochtans minder belang. Het lijkt immers aannemelijk dat MG deze uitnodiging per vergissing ontving, gewoon doordat zijn naam nog in de interne mailgroep van de secretaresse zat...
10. Belangrijker is dat het ontslag werd gegeven op een ogen-blik:
- dat het nieuwe CPBW nog niet was samengekomen,
en
- dat de verkiezingsresultaten nog niet vast stonden, gelet op de gerechtelijke procedure waar de nv SPE in betrokken was en zich in verdedigde.
11. Anders dan de nv SPE wil doen geloven, valt de aanstelling niet samen met de datum van aanplakking in de zin van artikel 68 van de wet 4 december 2007 (betreffende de sociale verkie-zingen van het jaar 2008).
- Vooreerst omdat het toe te passen artikel 2 § 2 van de wet van 19 maart 1991 een uitdrukkelijk onderscheid maakt tus-sen de "aanplakking" en de "aanstelling": terwijl de ontslag-bescherming voor de nieuwe afgevaardigden afhangt van de datum van "aanplakking", verstrijkt zij voor de gewezen af-gevaardigden op de datum van de "aanstelling".
De uitdrukkelijk tekst van artikel 2 § 2 maakt dit onder-scheid. Beide begrippen vallen dus duidelijk niet samen.
- Verder omdat de vermelde wet van 4 december 2007, naar tekst en strekking, geen afbreuk doet aan de beschermings-regeling, die enkel geregeld wordt door de wet van 19 maart 1991.
- En tenslotte ook omdat de "aanplakking" kan worden gecon-testeerd (art. 6 wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de pro-cedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008).
Dat is in casu trouwens ook gebeurd. Er kunnen dan perso-nen worden toegevoegd of weggelaten van de lijst met ver-kozenen.
12. De aanstelling valt evenmin samen met de verkiezing zelf. Artikel 2 § 2 van de wet van 19 maart 1991 maakt immers ook een onderscheid tussen de "verkiezingen" en de "datum van aanstelling".
Het is derhalve niet zo dat de werknemers de kandidaten aan-stellen door ze te verkiezen. Het onderscheid impliceert dat na de verkiezing de aanstelling nog moet volgen.
Deze aanstelling kan overigens worden afgedwongen (art. 82 wet 4 december 2007).
Het argument in verband met het syndicaal verlof (CAO nr. 6) is niet pertinent. Die CAO doet geen afbreuk aan de beschermings-regeling vervat in de wet van 19 maart 1991. Het verweer aan de hand van deze CAO is naast de kwestie.
13. De aanstelling valt niet samen met de verkiezing en evenmin met de aanplakking van de resultaten. Wat kan de "aanstelling" dan wel betekenen?
De enig logische en voor de hand liggende uitleg is dat het gaat om de datum van de eerst komende vergadering tijdens welke de nieuwe personeelsafgevaardigden bevestigd worden in hun nieuwe functie (cfr. Arbh. Brussel, 18 mei 2004, JTT 2005, 4).
Deze uitleg ligt voor de hand, en vindt ook bevestiging in de overheersende rechtsleer (zie bv. D. Votquenne en C. Wantiez, Beschermde werknemers - 10 jaar toepassing van de wet 19.3.1991, Brussel, Larcier, 2001; L. Eliaerts, Beschermde werknemers, Brussel, Larcier 2002, 114; H.-F. Lenaerts, Les tra-vailleurs protégés, Orientations, 2004, p. 4). Weliswaar stelt één enkele auteur dat de aanstelling samenvalt met de aanplakking, maar dit standpunt is ingegeven door overwegingen de lege fe-renda (J. Vanthournout, "Enkele knelpunten in de ontslagbe-scherming van kandidaat personeelsafgevaardigden" T.S.R., 2003, 246). Het is bovendien onverenigbaar met de uitdrukkelijk tekst van artikel 2 § 2.
Het staat dan ook vast dat de nv SPE ontslag gaf terwijl MG nog beschermd was door de wet van 19 maart 1991.
De Rechtbank treedt ter zake het gemotiveerd advies van het Arbeidsauditoraat bij.
Het gaat helemaal niet om het toevoegen van een voorwaarde aan de wet, maar enkel om een toepassing van de wet.
14. Overigens frappeert het dat SPE ontslag gaf vooraleer de ge-rechtelijke procedure was afgelopen.
Het tussen te komen vonnis kon de samenstelling nog wijzigen, zodat geargumenteerd had kunnen worden dat van een aanstel-ling pas sprake was op de eerste bijeenkomst na de procedure. SPE nam echter het risico toch tot ontslag over te gaan (dat is ten andere ook het standpunt van J.Vanthournout, geciteerd).
Evenzeer merkwaardig is dat MG ook op 11 juli 2008 nog de agenda voor de vergadering van 28 juli ontving (stuk 9) ...
15. De nv SPE heeft de wet van 19 maart 1991 in elk geval ge-schonden.
De bijzondere ontslagvergoeding is dan ook verschuldigd.
16. Het wordt niet betwist dat MG in dat geval recht heeft op een ontslagvergoeding overeenstemmend met 4 jaar loon (art. 16 wet 19 maart 1991).
Deze vergoeding moet bovendien worden aangevuld met het loon verschuldigd tot het einde van het mandaat. MG heeft im-mers zijn reïntegratie aangevraagd, maar deze vraag werd niet beantwoord (art. 17 §1 wet 19 maart 1991).
17. De nv SPE voert geen betwisting over de berekening van de ontslagvergoeding. De berekening van het gevorderd bedrag van 430.871,71 euro komt correct voor, en kan worden toegekend.
B. Het ontslag om een ‘ernstig fout'.
18. Beide partijen zijn het er uitdrukkelijk over eens dat geen opzeggingsvergoeding kan worden toegekend in de hypothese dat de beschermingsvergoeding verschuldigd is. Deze vergoe-ding komt immers in de plaats van de opzeggingsvergoeding.
MG vordert de opzeggingsvergoeding trouwens niet in het geval de beschermingsvergoeding van de wet van 19 maart 1991 wordt toegekend.
19. Hij vordert echter wel de conventionele vergoeding ten be-drage van 293.480,25 euro. Hij baseert zich op de driepartijen-overeenkomst. Deze vermeldt onder meer:
"SPE NV verbindt zich ertoe, ingeval van ontslag van een lid van het personeel, om hem naast de opzegvergoeding een buitenwettelij-ke vergoeding toe te kennen, die forfaitair vastgesteld wordt op een bedrag gelijk aan dit dat bepaald werd ten gunste van de oude werknemers van de ASLK in het kader van de overname door FOR-TIS nv".
In casu wordt een beschermingsvergoeding toegekend, geen op-zeggingsvergoeding.
Maar doordat die beschermingsvergoeding in de plaats komt van de opzeggingsvergoeding, kan (in toepassing van de artikelen 1156 en 1157 B.W.) gesteld worden dat de conventionele ver-goeding evenzeer verschuldigd is naast de beschermingsver-goeding.
Daar is ten andere geen betwisting over.
20. Belangrijker is dat de driepartijenovereenkomst vermeldt dat
"... deze verbintenissen niet van toepassing zijn op de leden van zijn personeel die wegens een ernstige fout zouden worden ontsla-gen...".
De Rechtbank dient derhalve na te gaan of er sprake is van een "ernstige fout".
21. Vooraf zij opgemerkt dat het niet vaststaat dat die "ernstige fout" een synoniem is voor het begrip "dringende reden" van ar-tikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet:
Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werk-nemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
Een fout kan immers ernstig zijn zonder dat de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt ge-maakt. Het staat niet vast dat het engagement van de nv SPE zo ver gaat dat de conventionele vergoeding altijd verschuldigd is, tenzij in het uiterste geval van een "dringende reden" (art. 1162 B.W.).
22. De partijen voerden een tegensprekelijk debat over de ver-weten tekortkomingen.
Dat zij dit doen vanuit het perspectief van de dringende reden, heeft maar weinig belang. Of de feiten een dringende reden vormen, is niet aan de orde.
De Rechtbank dient enkel na te gaan of de besproken tekortko-mingen een ernstige fout uitmaken. De partijen hadden het zo-wel over de feiten (de verweten fouten) als over de rechtsgrond van de vordering (de driepartijenovereenkomst). Dat zij daar-naast tevens discussie voeren over de dringende reden, belet de rechter derhalve niet na te gaan of de feiten een schending uit-maken van de ingeroepen rechtsregel, te weten het conventio-neel beding (zie bv. Cass., 15 mei 2003 en Cass., 24 maart 2006, juridat.be; cfr. M. Castermans, "Actuele ontwikkelingen in gerechtelijk privaatrecht", in De praktijkjurist XIV, Story, 2008, p. 136).
23. MG gaat in zijn conclusies in op het algemeen beeld en op het incident dat de directe aanleiding voor het ontslag was.
Het kan procesrechtelijk niet worden gerechtvaardigd een voor-behoud te verlenen om de onderscheiden feiten later nog eens in detail te bespreken. De Rechtbank kan niet ingaan op vragen die ‘vertragende doeleinden' tot gevolg zouden hebben, aangezien zulks niet verenigbaar is met art. 747 en 780bis Ger.W.
24. De nv SPE verwijt MG talrijke afwezigheden en alcoholmis-bruik.
Deze verwijten kunnen niet worden aanvaard.
De afwezigheden werden immers (behoudens misschien één uit-zondering) toegestaan. Er werden geen onregelmatigheden in dit verband vastgesteld. Ook het alcoholmisbruik staat niet vast.
MG was personeelsafgevaardigde. Het kan hem onmogelijk wor-den verweten dat hij in dat kader opmerkingen formuleerde over zaken die kennelijk zeer traag vooruit gingen enzovoort. Een personeelsafgevaardigde mag strijdbaar, offensief en assertief zijn. Daar kan absoluut geen fout uit worden afgeleid.
25. Toch blijkt dat er een algemene ontevredenheid bestond over de wijze waarop MG werkte. Deze ontevredenheid heeft niets te maken met zijn concrete opdrachten als personeelsafge-vaardigde, maar in het algemeen met zijn provocatieve, en soms kwetsende stijl en houding.
MG werd dan ook meermaals en bij herhaling aangemaand om zijn communicatiestijl te wijzigen.
Inderdaad komen verschillende van zijn mails hard, en bij wijlen ergerlijk tot grof over. Tevens blijkt dat er op de werkvloer spanningen bestonden, en dat sommige collega's zich beledigd voelden door de wijze waarop MG meende ze te mogen aan-schrijven.
Dit alles verstoorde de normale professionele samenwerking.
Maar in weerwil van de verschillende aanmaningen van SPE ging MG onverdroten door op de hem kenmerkende wijze.
Kunnen zijn afwezigheden hem niet worden verweten, dan is de mail van 3 juli 2008 toch wel te aanzien als een ernstige fout. Het kan niet door de beugel om in weerwil van diverse aanma-ningen en na een zoveelste afwezigheid weeral eens een ver-zuurde mail te verzenden.
Op zich genomen zou deze mail geen ernstige fout zijn, maar in de geschetste context is dat dus duidelijk wel het geval.
Het zij nogmaals benadrukt dat de kritiek van MG - ook die ver-vat in zijn mail van 3 juli 2008 over de drinkfonteinen - moge-lijks terecht was. Daar gaat het echter niet over.
Het punt is dat de situatie totaal verziekt was. MG gaf dat in die mail van 3 juli overigens ook zelf aan.
Toch deed MG er nog een schepje bovenop, en dit in weerwil van de diverse aanmaningen, afwezigheden en spanningen met col-lega's. Het kon geredelijk niet meer worden aanvaard dat MG er weeral eens keihard tegen aan ging (overigens zonder construc-tieve voorstellen te lanceren). De maat was vol.
De fout is ernstig; de conventionele vergoeding is niet verschul-digd.
C. Overige vorderingen.
(...)
V. BESLISSING.
De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het vol-gend vonnis uit op tegenspraak, en rekening houdend met het schriftelijk advies uitgebracht door substituut-arbeidsauditeur Katrien VAN HOECKE.
(...)
De Rechtbank verklaart de overige vorderingen ontvankelijk, en oordeelt als volgt.
De Rechtbank verklaart de vordering tot het bekomen van de ontslagvergoeding op basis van de wet van 19 maart 1991 gegrond. De Rechtbank veroordeelt de nv SPE tot het betalen aan MG van een bedrag van 430.871,71 euro, meer de interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 8 juli 2008 tot de datum van betaling.
(...)
De vorderingen tot het bekomen van een opzeggingsvergoe-ding van 284.375,33 euro en van een buitenwettelijke, for-faitaire vergoeding van 293.480,25 euro worden afgewezen als ongegrond. Er wordt geen voorbehoud verleend om hier na-der over te concluderen.
De nv SPE en MG worden elk veroordeeld tot het ten laste ne-men van de gerechtskosten aan eigen zijde gevallen. (...)
(...)
Aldus gewezen door:
Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrechtbank die de tweede kamer voorzit ;
Dhr. J.DESMET, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ;
Dhr. J.DE HON, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende;
bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, Griffier ;
en uitgesproken op ZES JULI TWEEDUIZEND EN NEGEN in bui-tengewone openbare terechtzitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank Gent.
R.COOLENS J.DE HON J.DESMET B.LIETAERT