Hof van Beroep: Arrest van 15 Juni 2009 (Gent). RG 2000/AR/1535
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20090615-1
- Rolnummer :
- 2000/AR/1535
Samenvatting :
De prestaties van de vereffenaar (voor de faillietverklaring) zijn geen boedelschuld van het opvolgend faillissement en derhalve een schuld in de massa.
Arrest :
Hof van beroep
te Gent
7de bis Kamer
Terechtzitting van 15 juni 2009
2000/AR/1535
- In de zaak van:
H. & PARTNERS C.V., met maatschappelijke zetel te................................., ingeschreven in het handelsregister te Gent, met ondernemingsnummer 0444.501.708, appellante,hebbende als raadsman mr. DANEELS Edward, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Maalderijstraat 4,
tegen:
Mr. D. S. G., advocaat te .........................., handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de B.V.B.A. E17 EXPRESS, in vereffening, geopend verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, dd. 09/02/1993, geïntimeerde q.q.,hebbende als raadsman mr. CARLE Luc, advocaat te 9160 LOKEREN, Roomstraat 40,
velt het hof het volgend arrest:
Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.
1.Bij verzoekschrift, neergelegd op 18 juli 2000, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 maart 2000 op tegenspraak gewezen door de 6de kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (AR. 3319/92). Een exploot van betekening ligt niet voor.
Feiten en voorgaande procedure
2.Voor de feitelijke gegevens, de procedurele voorgaanden en de standpunten van partijen kan worden verwezen naar het eerste tussenarrest van 18 november 2002.
Bij een tweede tussenarrest van 6 oktober 2003 stelde het Hof bedrijfsrevisor Willy VRYGHEM als deskundige aan om (cijfermatig) advies te verlenen omtrent de aanspraken van appellante op kosten en ereloon m.b.t. haar mandaat als vereffenaar van de BVBA E 17 EXPRESS, dat liep tussen 4 juli 1991 en 20 mei 1992.
De installatievergadering van de expertise vond plaats op 22 september 2005.
3.Naast de complexe cijfermatige betwistingen, inzonderheid m.b.t. het door appellante als vereffenaar gerealiseerd actief dat de berekeningsbasis vormt voor het ereloon, bestaat er tussen partijen de principiële discussie of de schuldvordering van appellante in het faillissement van de BVBA E 17 EXPRESS een schuld is van de massa, dan wel in de massa. M.a.w. is het ereloon van een vereffenaar al dan niet als boedelschuld van het faillissement te aanzien?
Met dit oordeel staat of valt volgens appellante de recuperatiekans voor haar beweerde schuldvordering.
In de huidige stand van de procedure vragen partijen uitsluitend hieromtrent bij tussenarrest te oordelen en de zaak voor al het overige naar de bijzondere rol te verzenden.
Voor de uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen over deze problematiek, wordt verwezen naar hun betrokken aanvullende conclusies.
Beoordeling
4.Appellante trad op als vereffenaar van de BVBA E 17 EXPRESS vanaf 4 juli 1991 tot 20 mei 1992, waarna ze door een andere vereffenaar (de NV G en F STORE) werd opgevolgd.
Een schuldvordering uit hoofde van kosten en erelonen van de vereffenaar is een boedelschuld van de vereffeningsboedel.
De BVBA E 17 EXPRESS werd bij vonnis van 9 februari 1993 failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, waarbij geïntimeerde q.q. als curator werd aangesteld. Hierbij ontstond de faillissementsboedel. In casu was er derhalve een opeenvolging van samenloop.
Is een schuld ontstaan vóór de samenloop, betreft het een schuld in de boedel. Ontstaat de schuld nà de samenloop, is het een schuld van de boedel (Cass., 30 mei 1968, Pas. 1968, I, 1126).
Om een boedelschuld te zijn van de faillissementsboedel moet: (1) de schuld door de curator zijn aangegaan, zoals door de voortzetting van de handelsactiviteiten van de gefailleerde, door de uitvoering van overeenkomsten die door de gefailleerde waren gesloten of door het gebruik van activa voor het beheer van het faillissement ; (2) de schuld zijn aangegaan door de curator met oog op het beheer van de gefailleerde massa (Cass., 9 maart 2000, R.W. 2000-2001, 480 ; Cass., 2 mei 1997, R.W. 1997-1998, 503 ; Cass., 16 juni 1988, T.B.H. 1988, 765).
De kosten- en ereloonstaat van de vereffenaar is ontstaan vóór de samenloop door faillissement en het betreft géén schuld die werd aangegaan door de curator in verband met het beheer van het faillissement.
De samenloop die ontstond in de vereffeningsboedel gaat niet over naar de faillissementsboedel. Door het faillissement is één boedel ontstaan (de faillissementsboedel), waarin alle schulden worden opgenomen, behalve de boedelschulden van het faillissement. Hierdoor verliest de schuldvordering van de vereffenaar voor zijn kosten en erelonen het bevoorrecht statuut als boedelschuld.
5.Appellante verwijst naar de uitzondering op dit principe voor het gerechtelijk akkoord (art. 44, 2° WGA).
Het Hof volgt niet de stelling dat er continuïteit inzake de boedelschulden zou bestaan tussen de opeenvolgende situaties van samenloop van vrijwillige vereffening naar faillissement.
Ten onrechte baseert appellante zich hiervoor op arrest nr. 61/2007 van 18 april 2007 van het Arbitragehof (stuk 41 appellante).
Dit arrest behandelt de ongelijkheid tussen de door de WGA geregelde situatie van de schulden aangegaan enerzijds tijdens de akkoordprocedure en de toestand van opschorting (art. 44, 2° WGA) en anderzijds na ontbinding van de rechtspersoon in opschorting bij het mislukken van het gerechtelijk akkoord en als alternatief voor het faillissement (art. 45 WGA).
De situaties van art. 44, 2° WGA en van art. 45 WGA kaderen beide binnen een procedure van gerechtelijk akkoord en gebeuren onder toezicht van de rechtbank, die er telkens over waakt dat de voorwaarden tot faillissement niet zijn vervuld.
In casu betreft het echter een volkomen vrijwillige vereffening, zodat analogie met de situatie van art. 45 WGA mank loopt. Er is een objectief onderscheid tussen beide instellingen qua totstandkoming, toepassingsvoorwaarden en wettelijke regeling, zodat er geen strijdigheid is met het gelijkheidsbeginsel.
Besluit: de prestaties van de vereffenaar zijn in casu verricht ten voordele van de vereffeningsboedel en worden géén boedelschuld van het opvolgend faillissement.
OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak.
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Gelet op de tussenarresten van 18 november 2002 en van 6 oktober 2003.
Stelt voor recht dat de schuldvordering van appellante, uit hoofde van kosten en ereloon als vereffenaar, GEEN boedelschuld is van het faillissement van de BVBA E 17 EXPRESS en derhalve een schuld is IN de massa.
Verzendt de zaak voor al het overige naar de bijzondere rol teneinde partijen toe te laten deze verder in staat te stellen.
Houdt de gedingkosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op 15 juni tweeduizend en negen.Aanwezig:dhr. Frank Deschoolmeester, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;dhr. Yves Henderickx, griffier.