Arbeidsrechtbank: Vonnis van 16 November 2005 (Hasselt). RG 2042151
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20051116-12
- Rolnummer :
- 2042151
Samenvatting :
Een scholingsbeding is een beding waarbij de werkgever zich ertoe verbindt een aan te werven of aangeworven werknemer op zijn kosten een opleiding te verstrekken (zelf of door derden) en de werknemer zich ertoe verplicht een zekere tijd (ingaande vanaf de opleiding of vanaf de tewerkstelling na de succesvolle beëindiging van de opleiding) arbeidsprestaties te leveren voor de werkgever die de opleiding verstrekte en tevens een proportioneel deel van (het geheel of een deel van) de opleidingskosten terug te betalen bij ontslagname of ontslag wegens dringende reden door de werkgever voor afloop van de afgesproken termijn. Het loon dat door de werkgever werd doorbetaald tijdens de opleiding maakt geen deel uit van de door de werknemer in voorkomend geval terug te betalen opleidingskost.
Vonnis :
ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT.
Eerste kamer.
Rep.nr.
VONNIS van 16 november 2005.
- I., ondernemingsnummer *, met vennootschapszetel gevestigd te *, *, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. K.CAERS, advocaat in de associatie GEYSKENS-VANDEURZEN & VENNOTEN C.V.B.A., kantoorhoudend te 3580 Beringen, Scheigoorstraat 5.
Tegen:
- T.P., ergotherapeute, geboren te * op *, wonende te *, *, verwerende partij, in persoon aanwezig ter zitting bijgestaan door Mr. S.RENETTE, advocaat te 3500 Hasselt, Maastrichterseenweg 145/1.
1. PROCEDURE.
Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het rechtsplegingsdossier en nader omschreven op de inventaris, onder meer:
- het gedinginleidend exploot van dagvaarding, betekend aan verwerende partij op 27 juli 2004 door het ambt van gerechtsdeurwaarder *, met standplaats te *;
- de oproeping in toepassing van artikel 751 Ger.W. met een gerechtsbrief van 20 oktober 2004 op verzoek van eisende partij;
- de besluiten van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 17 december 2004;
- het verzoekschrift in toepassing van artikel 747 § 2 Ger.W. uitgaande van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 10 maart 2005, de opmerkingen hierop door eisende partij geformuleerd, ontvangen ter griffie op 17 maart 2005, en onze beschikking van 5 april 2005;
- de besluiten van eisende partij, ontvangen ter griffie op 6 mei 2005;
- de aanvullende en samenvattende besluiten van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 6 juni 2005;
- de synthesebesluiten van eisende partij, ontvangen ter griffie op 6 juli 2005;
- de synthesebesluiten van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 5 oktober 2005;
- de overtuigingsstukken door partijen neergelegd.
Gelet op het proces-verbaal der terechtzittingen, met vermelding van de vruchteloze voorafgaande verzoeningspoging conform art. 734 Ger.W.
Gehoord partijen bij monde van hun respectieve raadslieden in hun middelen en besluiten ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2005.
**********
2. FEITELIJKE VOORGAANDEN.
Tussen partijen werd op 27 april 1982 een vervangingscontract afgesloten, waarna verwerende partij met eiseres een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur afsloot op 20 september 1982 eveneens als opvoedster.
Vanaf 1 mei 1990 nam verweerster de functie waar van opvoedster-groepschef
In 1995 werd ze uit een groep van 4 kandidaten geselecteerd als verantwoordelijke voor de functie "vorming - training opleiding (VTO).
Ingevolge decretale bepalingen van het zogenaamde kwaliteitsdecreet werd door eiseres overgegaan tot het vacant stellen van verscheidene functies, waaronder een kwaliteitscoördinator en zorgmanagers en kwaliteitsmanagers.
Verweerster * stelde zich kandidaat voor twee functies, namelijk kwaliteitscoördinator en kwaliteitsmanager, werd voor beide functies geselecteerd en werd aangeduid als kwaliteitscoördinator (stuk 23 eiseres).
Verwerende partij houdt voor in haar zeer uitgebreid feitenrelaas dat zij "aangespoord zou zijn" door de directie in de persoon van de heer * om zich kandidaat te stellen voor de job van kwaliteitscoördinator en dat haar door dezelfde hogervernoemde gezegd werd "ge moet dit niet zo maar doen" en "van jou wil ik een directeur maken" en dat ze zich aldus had laten overhalen gelet op de beloofde directeursfunctie en daaraan gekoppelde hogere verloning.
Verder stelt verweerster dat ze deze woorden als zekerheid mocht aannemen omdat haar vorige job reeds onmiddellijk door een andere persoon werd ingenomen (namelijk mevrouw *).
Vervolgens stelt verweerster dat ze reeds in de loop van 2000 de functie van kwaliteitscoördinator uitoefende alhoewel deze slechts officieel 1 januari 2001 als aanvangsdatum had.
Ze stelt vlug vastgesteld te hebben dat "ondanks de mondelinge beloften" haar loon niet aangepast werd zoals beloofd aan haar nieuwe functie en dat na verduidelijking hieromtrent te hebben gevraagd de heer * laconiek antwoordde "dat ze maar over een A1 diploma beschikte en het Vlaams Fonds voor Integratie van Personen met een Handicap enkel tussenkwam in de loonkosten in de mate dat het personeelslid over een universitair diploma zou beschikken".
Zij stelt dat dit bericht totaal onverwacht kwam en verder "waarom had men haar tijdens de gesprekken naar aanleiding van de gevraagde kandidatuurstelling verzwegen en waarom had men haar zelfs manifest onjuiste verwachtingen voorgespiegeld".
Eisende partij betwist en protesteert formeel tegen de volgens haar totaal foutieve voorstelling der feiten door haar gewezen werkneemster en stelt dat laatstgenoemde bepaalde beweringen die zij naar voren schuift als feiten niet bewijst en dat deze beweringen trouwens niet stroken met de werkelijkheid gezien zij nooit werd "overhaald" en haar nog minder "hogere verloning" werd toegezegd en stelt dat de functieverschuivingen horizontaal waren en niet verticaal zoals verweerster beweerde in het feitenrelaas, waaraan verbonden was dat geen hogere verloning KON gegeven worden omdat verweerster nog steeds bleef zitten in de weddecategorie opvoedster-groepschef en waarbij nogmaals formeel wordt ontkend dat weddeverhoging was beloofd naar aanleiding van de toewijzing der functie.
Ter versterking van dit argument stelt eiseres dan nog dat het zinloos ware geweest dat verweerster ook voor een tweede functie postuleerde - voor het geval - als haar toch verregaande beloften werden gedaan en engagementen genomen met betrekking tot haar verloningen functie.
Er is wel toenadering in de stelling tussen partijen dat er besprekingen hebben plaatsgevonden dat in de functie waarin ze thans zat en zou verder kunnen doorgroeien naar een directeursfunctie indien ze een licentiaatsdiploma had, waar ze tot op dat ogenblik slechts een graduaatsdiploma bezat (gezien de toekenning van overheidssubsidie afhankelijk was van een licentiaatsdiploma).
Tot hier de samenvatting omtrent de meest relevante gegevens van de feitelijke uiteenzetting van partijen waarvoor voor het overige wordt verwezen naar hun zeer uitgebreide conclusies in verband met mogelijke doorgroeimogelijkheden naar een reële directeursfunctie en daarmee - op termijn - gepaard gaande weddeverhoging en de betwiste andersluidende beweringen en door eiseres beweerde verwarringstichting omtrent het feitenrelaas.
Mevrouw *, verweerster, heeft alleszins haar licentiaatsdiploma in de universiteit te Maastricht behaald (*) in 2003 in de "Gezondheidszorgen" en deed deze studie met toestemming en financiële ondersteuning van haar werkgever en in combinatie met haar werk in haar laatste functie van kwaliteitscoördinator bij eiseres.
Voorafgaand aan deze hogervermelde licentiaatsstudies werd tussen partijen een definitieve overeenkomst opgesteld, nadat een eerste overeenkomst door verweerster niet werd aanvaard.
De eerste - niet aanvaarde - overeenkomst stelde als volgt: het toekennen van een vormingsverlof van 18 dagen, tussenkomst voor de helft der inschrijvingsgelden onder twee voorwaarden, 1ste de hogervermelde toekenning neemt een einde bij het niet-slagen van een academiejaar en verweerster diende vijf jaren in dienst te blijven na het behalen van het diploma.
De tweede definitieve overeenkomst bevestigd bij besluit van het Bestuurcomité dd. 5 december 2000 voorziet als volgt:
- toekennen van een vormingsverlof van 41 dagen
- terugbetalen van inschrijvingsgeld 40.000 BEF onder voorwaarde
- toekenning neemt einde bij niet slagen van een academiejaar
- verweerster verbindt zich ertoe in dienst te blijven gedurende twee jaren na behalen van diploma.
Bij besluit van de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vorming dd. 9 december 2003 wordt het behaalde nederlands licentiaatsdiploma - uitgereikt op 31 augustus 2003 - als gelijkwaardig erkend met de Vlaamse Academische graad Licentiaat.
Op 26 januari 2004 zendt verwerende partij een aangetekend schrijven met volgende inhoud:
" Hierbij bevestig ik dat ik * wil verlaten. Ik zeg hierbij de arbeidsovereenkomst die ons bindt op, mits naleving van een opzeggingstermijn van zes weken, die een aanvang neemt op 1 februari 2004 en een einde neemt op 14 maart 2004.
Gelieve een copie van dit schrijven voor akkoord te ondertekenen en terug te sturen".
Verder volgt dan briefwisseling tussen partijen waarbij eiseres een beperkte opzeggingstermijn voorstelt en vergoedingen conform overeenkomst vordert en waarna verweerster weliswaar akkoord is met verkorte opzeggingstermijn doch niet met gevorderde vergoedingen.
Gezien geen akkoord tussen partijen tot stand komt gaat eisende partij tot dagvaarding over.
Mevrouw * voert als verweermiddelen aan in hoofdorde dat de gevorderde betalingen van opleidingskosten een eenmalige en forfaitaire schadevergoeding is - volgens haar een heus strafbeding waaraan geen uitvoering mag gegeven worden - en in ondergeschikte orde dat indien de rechtbank van oordeel is dat het betrokken besluit als een scholingsbeding wordt gekwalificeerd dit geenszins beantwoordt aan de in de doctrine en rechtsleer vooropgestelde geldigheidsvereisten.
Zij stelt verder dat er geen reden meer is om te oordelen over de opzeggingstermijn gezien dit door haar gegeven akkoord een uitgemaakte zaak is.
Verder stelt verweerster dat er geen elementen zijn om haar te veroordelen tot schadevergoeding wegens rechtsmisbruik omdat geen bijzondere fout of bijzondere schade wordt aangetoond en tot slot verzet verweerster zich tegen de gevorderde voorlopige tenuitvoerlegging van het tussen te komen vonnis.
Eisende partij beroept zich op de overeenkomst dewelke een geldig scholingsbeding deed tot stand komen dat aan alle geldigheidsvoorwaarden voldoet en stelt dat de voorwaarden die verweerster toevoegt geen geldigheidsvoorwaarden zijn en dat verweerster zich ten onrechte steeds blijft beroepen op de financiële validatie.
Verder stelt eiseres dat verweerster zelf het scholingsbeding heeft geschonden door haar quasi onmiddellijk ontslag.
Tenslotte argumenteert eiseres dat ze de overeenkomst niet heeft gedenatureerd tot een louter strafbeding, zoals verweerster wil voorhouden.
Verder breidt eisende partij, in conclusie, haar rechtsgrond uit wegens zware fout en doet beroep op artikel 18 van de A.O.W. dd. 1978.
3. DE VORDERING.
Eisende partij vordert bij dagvaarding de veroordeling van verwerende partij tot betaling van de onderstaande bedragen:
* alle kosten voor de opleiding en de ermee
verband houdende kosten en uitgaven die zij
ten laste heeft genomen 30.345,49 EUR
* opzeggingsvergoeding ten bedrage van
2 maanden loon 6.204,78 EUR
* schadevergoeding rechtsmisbruik 2.500,00 EUR
meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf datum van opeisbaarheid.
Eisende partij vordert tevens de veroordeling van verwerende partij tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W. begroot op 205,26 EUR.
Tot slot vordert eisende partij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussen te komen vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht op kantonnement.
Eiseres breidt haar rechtsgrond uit in syntheseconclusie dd. 6 juli 2005, waarvan akte.
4. IN RECHTE - TEN GRONDE.
Overwegende dat de vordering tijdig en regelmatig werd ingesteld en onbetwist ontvankelijk kan verklaard worden.
4.1. Het scholingsbeding - geldigheidsvoorwaarden.
Overwegende dat de rechtbank, na lezing en studie van alle door de partijen aangebrachte argumentaties en na onderzoek van alle door hen aangebrachte verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot dit onderwerp tot de bevinding komt dat de overeenkomst die tussen partijen onweerlegbaar tot stand kwam een scholingsbeding is, hetgeen blijkt uit de voorliggende documenten:
1)Artikel 2 van de beslissing van het Bestuurscomité van eiseres dd. 5 december 2000 bepaalt:
" Aan mevr.*, kwaliteitscoördinator *, wordt per academiejaar voor het volgen van de opleiding 'Gezondheidswetenschappen' aan de Universiteit van Maastricht een vormingsverlof van 41 dagen en een terugbetaling van het inschrijvingsgeld, zijnde 40.000 BEF toegekend. Deze toekenning neemt een einde bij het niet slagen in een academiejaar en is slechts geldig in zoverre betrokkene zich contractueel verbindt tot het in dienst blijven gedurende minstens twee (2) jaren na het behalen van het diploma."
Bij schrijven dd. 18 december 2000 stelt verweerster:
" Ik verklaar mij dan ook akkoord met een overeenkomst waarbij ik mij verbind tot het blijven werken voor * gedurende 2 jaar nà het behalen van mijn diploma (met inbegrip van 4 en 1/2 maand opzegtermijn. Deze overeenkomst omvat een toekenning van 41 kredietdagen en een financiële tegemoetkoming van 40 000,- BEF per academiejaar. De toekenning zal een einde nemen bij het niet slagen in een academiejaar."
Overwegende dat een scholingsbeding een beding is waarbij de werkgever zich ertoe verbindt een aan te werven of aangeworven werknemer op zijn kosten een opleiding te verstrekken (zelf of door derden), en de werknemer zich ertoe verbindt gedurende een zekere tijd (ingaande vanaf de opleiding of vanaf de tewerkstelling na de succesvolle beëindiging van de opleiding) arbeidsprestaties te leveren voor de werkgever die de opleiding verstrekte en tevens een proportioneel deel van (het geheel of een deel van) de opleidingskosten terug te betalen bij ontslagname of ontslag wegens dringende reden door de werkgever vóór de afloop van de afgesproken termijn;
dat dit scholingsbeding werd opgenomen in een aparte overeenkomst maar met de bestaande arbeidsovereenkomst één geheel vormt.
Overwegende dat, niettegenstaande de verdeeldheid in de rechtsleer en rechtspraak omtrent het scholingsbeding in casu et concreto de - voorwaardelijke - geldigheid van het scholingsbeding wordt vastgesteld.
Overwegende dat onderhavig scholingsbeding voldoet aan alle terzake geldende voorwaarden
a) gezien partijen zijn overeengekomen dat de werkgever aan de werknemer een nuttige opleiding zal verstrekken die hem moet toelaten de beoogde functie uit te oefenen.
Overwegende dat de overeenkomst duidelijk aan bovenvernoemde voorwaarde voldeed en verweerster gedurende drie academiejaren studies deed die haar toelieten de functie die zij beoogde te kunnen invullen gezien zij na het behalen van haar universitair diploma voldeed aan de gestelde voorwaarde voor dergelijke functie waarbij een universitair diploma noodwendig was conform de wettelijke regeling terzake;
dat verweerster echter zichzelf in de onmogelijkheid stelde de beoogde functie in realiteit uit te voeren, gelet op het door haar onmiddellijk gegeven ontslag na het wettigen van haar Nederlands diploma;
dat verweerster echter ten onrechte blijft herhalen dat haar een financiële validatie werd toegezegd, wat zij vooreerst helemaal niet bewijst;
dat verder de persoon die haar dergelijke toezegging zou hebben gedaan - hetgeen eiseres betwist - daartoe geen opdracht of bevoegdheid had, voor zover al toezeggingen zijn gedaan (onbewezen);
dat door het eigen gegeven ontslag verweerster het onmogelijk maakte dat haar, op basis van haar pas gewettigd diploma, een loonsverhoging zou toegekend worden.
b) dat de opleiding een meerwaarde oplevert voor het bedrijf en voor de werknemer.
Overwegende dat ook duidelijk aan deze voorwaarde is voldaan voor beide partijen gezien verweerster op basis van gedeeltelijke financiële en administratieve tussenkomst van haar werkgever een universitair diploma heeft kunnen behalen en de resultaten van deze studies een definitieve meerwaarde hadden kunnen opleveren voor haar werkgever indien verweerster in functie was gebleven - quod non gelet op haar onmiddellijk ontslag;
dat er echter tijdens haar studies een [eerder beperkte] onmiddellijke return is geweest gezien verweerster haar tijdens de studies haar opgedane kennis heeft kunnen imputeren in haar dagelijks werk en de ganse organisatie, waarbij echter niet kan voorbijgegaan worden aan het feit dat ook andere collegae haar de nodige hulp verschaften voor het opmaken van haar eindwerk.
c) dat de werkgever en de werknemer zich bewust zijn van de reële kost.
Overwegende dat in de overeenkomst duidelijk werd omschreven in welke mate de werkgever zou tussenkomen in de reële kost, namelijk 40.000 BEF per academisch jaar, verweerster diende het overige te betalen waarvan zij zeer bewust was en hetgeen blijkt uit haar eigen schrijven;
dat aan verweerster een vormingsverlof van 41 dagen werd toegekend, merkelijk meer dan de in de statuten voorziene 40 uren per jaar;
dat ook haar loon werd doorbetaald.
d) de duur van het ter beschikking blijven van het bedrijf moet in verhouding zijn tot de gemaakte kosten.
Overwegende dat ook deze voorwaarde volledig is vervuld gezien de verplichting tot twee jaren verder in dienst blijven geen overdreven zware of ondraaglijke belasting is voor de werknemer die hem zouden beletten een opzegging te geven.
Overwegende dat hierbij ook niet voorbijgegaan kan worden aan het feit dat verweerster reeds - voor haar onmiddellijk ontslag - duidelijk op zoek was naar werk elders hetgeen uit stukken voldoende blijkt (zie hiervoor naar alinea 4 onder punt e).
e) dat het door de werknemer terug te betalen bedrag afneemt naar mate de in het beding bepaalde termijn verstrijkt.
Overwegende dat ook deze voorwaarde is voldaan en eiseres de degressieve berekening laat aanvatten in december 2003, datum waarop het Nederlands universitair diploma gelijkgesteld werd met een Belgisch diploma.
Overwegende dat aan alle geldigheidsvoorwaarden in se is voldaan en eiseres gerechtigd is op vergoedingen in de mate zoals hierna bepaald.
Overwegende dat de argumentatie van eiseres wordt gevolgd waar zij stelt dat aan bovenvernoemde voorwaarden geen voorwaarden mogen toegevoegd zoals verweerster ten onrechte doet wanneer zij steeds terugkomt op de voorwaarde van financiële validatie (zie hoger) die vooreerst niet werd overeengekomen, niet wettelijk is voorzien, en bovendien door verweersters' eigen actie onmogelijk werd gemaakt.
Overwegende dat immers de einddatum voor de sollicitatie bij de Vlaamse Overheid 20 oktober 2003 was en voor de functie bij * 3 november 2003, zodat reeds duidelijk is dat verweerster solliciteerde vóór haar diploma - wat haar toelating zou gegeven hebben de geambieerde functie toegekend te zien (met eventuele mogelijke loonsverhoging) - gelijkwaardig verklaard werd.
Overwegende dat dienvolgens verwerende partij zelf het geldig scholingsbeding heeft geschonden en gehouden is tot betaling van vergoedingen.
Overwegende dat als laatste opmerking en volledigheidshalve de rechtbank nog verwijst naar een eigen schrijven van verweerster dd. 21 november 2001 waarin ze in fine stelt:
" De opleiding leidt tot een Universitair diploma. Dit diploma zou ik na een dergelijke investering graag gevalideerd zien in een job die ook op dit niveau gewaardeerd wordt. Indien dit binnen de organisatie niet zou kunnen op dat moment, lijkt mij een contractuele verbintenis van vijf jaren erg in mijn nadeel te zijn, gezien het grote overwicht van eigen investeringen in het behalen van een dergelijk diploma."
Nadien werd de termijn van 5 jaar op basis van dit schrijven herleid tot 3 jaar.
Er kwam geen bevestiging van validatie - dus daarop kan verweerster zich niet beroepen (bij gebrek aan overeenkomst terzake of bewezen afspraken - zie tevens hoger).
Een eventuele financiële validatie werd bovendien door verweerster slechts verwacht vanaf het behalen - lees wettigen - van haar diploma, hetgeen met zich brengt dat de degressieve berekening slechts vanaf gemelde datum verwacht en overeengekomen werd.
4.2. Vergoedingen.
4.2.1. Reëel gemaakte kosten.
Overwegende dat eisende partij gerechtigd is op terugbetaling van de reëel gemaakte kosten voor de verdere scholing van verweerster, zijnde driemaal 40.000 BEF, thans 991,57 EUR x 3 = 2.974,71 EUR, te vermeerderen met de intresten vanaf datum van ingebrekestelling en de gerechtelijke intresten vanaf datum van dagvaarding;
dat verweerster onmiddellijk uit dienst ging zodat geen degressieve berekening nodig is, temeer daar de degressieve berekening pas zou aanvatten vanaf het wettigen van het Belgisch diploma.
4.2.2. Loonkosten.
Overwegende dat dit vorderingsonderdeel wordt afgewezen;
dat de vergoeding door verweerster te betalen wegens haar ontslag in overeenstemming moet zijn met de reële - door eiseres gemaakte - kosten die hierboven werden toegekend maar deze vergoeding niet mag slaan op het loon dat tijdens de opleiding werd doorbetaald en geen deel uitmaakt van dergelijke kosten;
dat verweerster tijdens haar studies haar werkzaamheden heeft voortgezet en zelfs dat verweerster in dit verband correct argumenteert dat ingeval van toekennen van loonkosten aan de werkgever, de mogelijkheid van de werkneemster om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen "disproportioneel" zou verzwaard worden en in tegenstrijd met artikel 6 + 37 der A.O.W.;
dat trouwens de terugbetaling van de loonkost niet werd overeengekomen door partijen in tempore opportuno;
dat slechts die kosten kunnen teruggevorderd worden waarvan de partijen zich bewust waren op datum van hun overeenkomst - in casu alleen de reële gedeeltelijke tussenkomst in het inschrijvingsgeld dat hierboven werd toegekend.
Overwegende dat eisende partij uit de uitbreiding van haar rechtsgrond en toepassing makende van artikel 18 A.O.W. geen rechten kan putten of deze argumentatie aanhalen om haar bovenvermelde vordering tot terugbetaling van loon kracht bij te zetten.
Overwegende dat eiseres geen supplementaire kosten heeft moeten doen voor aanwerving van een bijkomend personeelslid en toch gedeeltelijk vruchten heeft geplukt.
4.2.3. Opzeggingsvergoeding.
Overwegende dat dit vorderingsonderdeel volledig wordt toegekend conform begroting door eiseres ad 6.204,78 EUR, zijnde het equivalent van twee maanden (bruto) loon ten titel van verbrekingsvergoeding.
Overwegende dat verweersters argumentatie in casu niet relevant is en niet pertinent;
dat verweerster het geformuleerde voorstel tot minnelijke beëindiging der overeenkomst
1) opzeggingstermijn 1 maand, 2) algehele kosten 50.215,76 EUR, 3) geheimhoudingsplicht, niet heeft aanvaard, wat wil zeggen dat alle daarin omschreven elementen als niet bestaande dienen te worden beschouwd met inbegrip van de door haar aanvaarde verkorte opzeggingstermijn.
Overwegende dat verweerster zelf een te korte opzeggingstermijn van 6 weken voorstelde doch slechts 4 weken presteerde;
dat de eisende partij terecht drie maanden opzeggingsvergoeding vorderde - die niet overdreven zijn - zodat haar, na aftrek van de gepresteerde maand opzegging nog een saldo van twee maanden opzeggingsvergoeding naar rato van overeenstemmend bruto loon verschuldigd blijft.
4.3. Rechtsmisbruik.
Overwegende dat dit vorderingsonderdeel volledig wordt afgewezen;
dat eisende partij niet bewijst dat verweerster haar ontslagrecht heeft afgewend van zijn finaliteit;
dat eisende partij niet bewijst dat het de loutere bedoeling was van verweerster schade te veroorzaken en bovendien niet het bewijs levert van de effectief geleden reële schade;
dat verweerster haar ontslagrecht niet zonder enig rechtmatig belang heeft uitgeoefend;
dat evenmin door eiseres bewezen wordt dat haar eventuele benadeling onevenredig zwaar zou zijn en overdreven.
Verklaart dit vorderingsonderdeel ongegrond.
4.4. Uitvoerbaarheid.
Overwegende dat er geen voldoende overtuigende elementen zijn om de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis te bevelen.
De rechtbank heeft de voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken nageleefd.
OM DEZE REDENEN:
De Arbeidsrechtbank, na beraadslaging statuerende op tegenspraak.
Alle verderstrekkende, meeromvattende of tegenstrijdige conclusies en argumentaties verwerpende als niet relevant of ongegrond.
Verleent eiseres akte van de uitbreiding van haar rechtsgrond.
Verklaart de vordering ontvankelijk en deels gegrond in de navolgende mate.
Veroordeelt de verwerende partij in betaling van een (netto) hoofdsom van 9.179,49 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en verwijlsintresten vanaf datum van ingebrekestelling en de gerechtelijke intresten vanaf datum van dagvaarding tot op datum der algehele betaling.
Verdeelt de gerechtskosten 50/50 tussen partijen met dien verstande dat de rechtsplegingsvergoedingen wederzijds gecompenseerd dienen te worden.
Begroot de kosten in hoofde van eisende partij op 137,60 EUR dagvaardingskosten en 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding, en in hoofde van verwerende partij op
214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Dit vonnis werd uitgesproken in openbare terechtzitting van ZESTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF waar zitting hielden:
mevrouw T.GOBERT rechter, voorzitter van de kamer;
de heer E.HASEVOETS rechter in sociale zaken, werkgever;
de heer S.DAMEN rechter in sociale zaken, werknemer-bediende;
mevrouw A.BERVOETS griffier-hoofd van dienst.