Arbeidsrechtbank: Vonnis van 3 Januari 2001 (Hasselt). RG 99/3211
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20010103-4
- Rolnummer :
- 99/3211
Samenvatting :
De terugvordering van onverschuldigde betaalde uitkeringen verjaart na 3 jaren. De verjaring wordt wettelijk gestuit, hetzij op de algemeen burgerrechtelijke wijze, hetzij door een ter post aangetekende brief. Hoewel ingevolge de aanpassing aan het Sociaal Handvest de RVA-beslissingen bij gewone brief aan de werkloze ter kennis worden gebracht, is in de Besluitwet van 28 december 1944 nog steeds uitdrukkelijk voorzien dat de verjaringstermijnen kunnen (moeten) worden gestuit middels een aangetekende brief; een gewone brief volstaat bijgevolg niet als stuitingsdaad.
Vonnis :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT.
Eerste kamer.
VONNIS van 3 JANUARI 2001 Inzake :
K.W, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. K.LIEVESOENS, advocaat te 3980 TESSENDERLO, Lichtveld 55 bus A2.
tegen:
DE RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. V BOESMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Maartenstraat 58.
VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS :
I. PROCEDUREEL:
Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het rechtsplegingsdossier en nader omschreven op de inventaris ervan, onder meer:
- het inleidende verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 24/9/1999;
- de besluiten van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 23/2/2000;
- de besluiten van eisende partij, neergelegd op 26/4/2000 en nogmaals ontvangen ter griffie op 2/5/2000.
De partijen werden behoorlijk opgeroepen om aanwezig te zijn op de zitting van 6/12/2000, waren op deze zitting vertegenwoordigd en werden er bij monde van hun raadslieden in hun middelen en verklaringen gehoord.
Recht doende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
II. VORDERING EN SITUERING VAN HET GESCHIL, STANDPUNT VAN PARTIJEN:
II.1. Vordering en situering van het geschil:
Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 24/9/1999, stelde eisende partij beroep in tegen een R.V.A.-beslissing dd. 28/6/1999 (werkloosheidsbureau Hasselt) waarbij hem meegedeeld werd:
- dat hij uitgesloten werd van het recht op uitkeringen vanaf 23/2/1995 t/m 30/9/1996; - dat de uitkeringen teruggevorderd worden met dien verstande dat het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen te bevelen na drie jaar verjaart.
In uitvoering van deze beslissing kondigde de R.V.A. op dezelfde dag (28/6/1999) de terugvordering aan (C31-document) van onrechtmatig ontvangen uitkeringen ten belope van 118.823 BEF, m.b.t. de periode van 1/3/1996 t/m 30/9/1996.
De bestreden R.V.A.-beslissing is gesteund op de overweging dat uit een attest van het A.S.K.Z. gebleken is dat eiser van 23/2/1995 t/m 30/9/1996 zelfstandige in bijberoep was, terwijl hij hiervan pas op 20/5/1999 aangifte heeft gedaan.
Volgens de R.V.A. was zodoende niet voldaan aan de in artikel 48, ? 1.1? K.B. 25/11/1991 gestelde voorwaarden.
De vordering van eiser strekt ertoe om voor recht te horen zeggen "dat het recht van de R.V.A. om de terugbetaling te bevelen van de onverschuldigd betaalde uitkeringen van het eerste kwartaal en het tweede kwartaal 1996 verjaard is", en dat de terugvordering van de uitkeringen beperkt dient te worden tot de uitkeringen gedaan in de periode van 1/7/1996 t/m 30/9/1996.
II.2. Standpunt van partijen:
Eisende partij:
De beslissing inzake uitsluiting van eiser van het recht op uitkeringen werd door hem niet betwist.
Eiser stelt dat hij de R.V.A.-beslissing van 28/6/1999 nooit ontvangen heeft en dat hij pas kennis kreeg van de R.V.A.-beslissing ingevolge een rappelschrijven dat hij op 3/9/1999 ontving.
Eiser houdt voor dat de terugvordering in uitvoering van de R.V.A.-beslissing verjaard is voor de uitkeringen gedaan in de periode van 1/3/1996 t/m 30/6/1996.
Verwerende partij:
De uiterste datum voor het opmaken van de C29 was 30/6/1999.
De C29 dateert van 28/6/1999 zodat de terugvordering van de ten onrechte aan eiser uitgekeerde werkloosheidsuitkeringen niet verjaard is.
De kennisgeving van de beslissing met een gewone brief strookt met de bepalingen van artikel 16 van het Handvest van de sociaal verzekerde en voldoet aan alle wettelijke vereisten.
Verweerster vraagt om de vordering als ongegrond te horen afwijzen.
III. BEOORDELING - IN RECHTE:
III.1. Ontvankelijkheid:
De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
De vordering werd naar tijd en vorm op regelmatige wijze ingesteld en is ontvankelijk.
III.2. Ten gronde:
Uit de beschikbare gegevens blijkt afdoende dat eiser vanaf 23/2/1995 t/m 30/9/1996 een zelfstandig bijberoep uitoefende zonder dat hij hiervan bij de R.V.A. de verplichte voorafgaande aangifte, vereist conform de bepalingen van artikel 48 K.B. 25/11/1991, had gedaan.
De nalatigheid van eiser brengt in het kader van de werkloosheidsreglementering aansprakelijkheid met zich mee.
Eiser kon slechts uitkeringen genieten indien voldaan was aan de voorwaarden van artikel 48 van het K.B.
van 25/11/1991; aangezien dit niet het geval was, kon hij in deze periode geen aanspraak doen gelden op een recht op uitkeringen.
De beslissing van de R.V.A., waarbij aan eiser het recht op uitkeringen werd ontzegd, is gesteund op een correcte feitelijke en juridische grondslag en dient te worden bevestigd.
De terugvorderingsbeslissing van de door eiser ten onrechte genoten uitkeringen is gesteund op artikel 169 K.B. 25/11/1991 en is als zodanig geldig genomen.
Hier dient, gelet op het voorwerp van de vordering en gelet op het in die zin door eiser opgeworpen middel, te worden nagegaan of de terugvordering door de R.V.A. van ten onrechte door eiser genoten uitkeringen, al dan niet deels verjaard is.
Op zich staat het niet ter discussie dat hier de 3-jarige verjaringstermijn van artikel 7, ? 13, 2de en 3de lid van de Besluitwet van 28/12/1944 van toepassing is, hetgeen trouwens expliciet in de bestreden R.V.A.-beslissing vermeld werd.
Artikel 7, ? 13 van de Besluitwet van 28/12/1944 voorziet dat het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen na 3 jaren verjaart (art. 7, ? 13, lid 2).
"De verjaringstermijnen (-/-) gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd (--/--)" (art. 7, ? 13, lid 3).
Te dezen impliceert deze wettelijk voorziene verjaringsregeling dat:
- de verjaring van de terugvordering van de ten onrechte aan eiser tijdens het 1ste kwartaal van 1996 effectief "uitbetaalde" uitkeringen diende gestuit te worden vóór 1/4/1999 (dit is 3 jaren te rekenen vanaf het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd);
- de verjaring van de terugvordering van de ten onrechte tijdens het 2de kwartaal van 1996 aan eiser uitbetaalde uitkeringen diende gestuit te worden vóór 1/7/1999 (dit is 3 jaren te rekenen vanaf het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd).
Verwerende partij bewijst hier niet dat de verjaring van de terugvordering van de aan eiser ten onrechte in het 1ste en 2de kwartaal van 1996 uitbetaalde uitkeringen rechtsgeldig en tijdig - dit is respectievelijk vóór 1/4/1999 en vóór 1/7/1999 - gestuit werd op de wettelijk voorziene wijze.
De wettelijke wijze van stuiting van de verjaringstermijn is expliciet voorzien in artikel 7, ? 13, lid 4 van de Besluitwet van 28/12/1944.
De stuiting kan gebeuren:
1/- op de algemeen burgerrechtelijke wijze ("onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek -/-"), waarmee allicht gerefereerd wordt aan de in artikelen 2242 t/m 2250 B.W. voorziene handelingen (een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een beslag, de erkenning van het recht door de schuldenaar);
2/- "door een ter post aangetekende brief".
De R.V.A. is niet overgegaan tot de verzending van de terugvorderingsbeslissing op de tweede wijze, middels een "ter post aangetekende brief".
Noch de basisbeslissing C29, noch de terugvorderingsbeslissing C31 werd via een aangetekend schrijven verzonden.
Het is inderdaad zo - zoals door de R.V.A. in besluiten werd opgemerkt - dat artikel 146, lid 4 K.B.
25/11/1991 voorziet dat een beslissing inzake "ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen" of van een vermindering van de uitkeringen in toepassing van artikel 130 wordt "ter kennis gebracht van de werkloze bij gewone brief", wijziging die werd aangebracht ingevolge het K.B. van 30/4/1999, terugwerkend tot 1/1/1997, en die allicht werd ingevoerd om een conformiteit met artikel 16 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde (Wet van 11/4/1995 - B.S. 6/9/1995) te bewerkstelligen, maar dit neemt niet weg dat in de Besluitwet van 28/12/1944 uitdrukkelijk voorzien is gebleven (niettegenstaande de Besluitwet op andere vlakken wel in overeenstemming met het Handvest van de Sociaal Verzekerde is gebracht middels de Wet van 13/2/1998) dat de verjaringstermijnen gestuit kunnen worden door een ter post aangetekende brief.
En de gebruikte term "kunnen" wijst hier volgens de rechtbank niet zozeer op een mogelijkheid of keuze, maar eerder op een aanduiding van de wettelijk voorziene verplicht toe te passen wijze van stuiting;
buiten de stuiting op de wijze voorzien in het B.W. of via aangetekende brief zijn er derhalve geen andere handelingen die als verjaringstuitend kunnen worden aangemerkt.
Een gewone brief kan bijgevolg niet worden aanvaard als een wettelijke wijze van stuiting van de toepasselijke verjaringstermijn van het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen.
De R.V.A. heeft voorts op geen enkele wijze ingeroepen dat zij zou zijn overgegaan tot de stuiting van de verjaringstermijn op de algemeen burgerrechtelijke wijze.
Niettegenstaande de R.V.A. in die zin geen middel heeft aangevoerd, merkt de rechtbank op dat het door de R.V.A. op 3/9/1999 aan eiser verzonden bericht, waarvan eiser erkende dat hij het ontvangen had (cf.
de besluiten van eisende partij, bladzijde 2, 3de alinea: "Per 3/9/99 ontving de heer K. een laatste rappel van het Werkloosheidsbureau te Hasselt (stuk 2) -/-"), als een "bevel tot betaling" in de zin van artikel 2244 B.W. kan worden aangemerkt, en dat dit bevel wel degelijk als een burgerlijke stuitingswijze van de verjaring kan worden beschouwd.
Het is derhalve pas op 3/9/1999 dat een rechtsgeldige verjaringstuitende handeling werd verricht door de R.V.A.
Overigens dient te worden vastgesteld dat eiser zich er toe beperkt heeft om de verjaring van de terugvordering van ten onrechte genoten uitkeringen in te roepen m.b.t. de vóór 1/7/1996 betaalde uitkeringen en dat hij geen nuttige betwisting gevoerd heeft i.v.m. de mogelijk bestaande verjaringsproblematiek van de nadien (na 1/7/1996) ten onrechte ontvangen uitkeringen, zodat dienaangaande verder geen uitspraak moet worden gedaan.
Eiser ontkent de ontvangst van de R.V.A.-beslissing(en) dd. 28/6/1999.
De R.V.A. toont hoe dan ook niet aan dat de op 28/6/1999 gedateerde C29 en C31-beslissingen, verstuurd middels een gewone brief, effectief ter kennis zijn gebracht aan eiser.
Onafgezien van hogervermelde overweging i.v.m. de rechtsgeldige wijze van stuiting van de verjaringstermijn, kan de R.V.A. te dezen dan ook niet aantonen dat eiser vóór 1/7/1999 in kennis zou zijn gesteld van enige terugvorderingsbeslissing (hetzij de basisbeslissing C29, hetzij de terugvorderingsbeslissing C31) en dit impliceert dat, bij gebrek aan bewijs van een tijdige stuiting van de verjaring, moet worden aangenomen dat de verjaring van de terugvordering van de vóór 1/7/1996 aan eiser ten onrechte uitbetaalde uitkeringen is ingetreden.
De in die zin door eiser gestelde vordering is bijgevolg gegrond.
Rest er volledigheidshalve nog op te merken dat verwerende partij in toepassing van artikel 1017, lid 2 Ger.W. in de gerechtskosten wordt verwezen maar dat het bedrag van de aan eiser toekenbare rechtsplegingsvergoeding op 3.870 BEF in plaats van op 5.040 BEF (door eiser ingediende begroting) moet worden vereffend.
OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK:
De voorschriften van de wet van 15 juni 1935, op het gebruik van de talen in gerechtszaken, werden nageleefd.
Gehoord mevrouw C. WOUTERS, Substituut-Arbeidsauditeur, in haar gelijkluidend mondeling advies ter zitting van 6/12/2000, Na beraadslaging, uitspraak doende op tegenspraak, Verklaart de vordering ONTVANKELIJK en GEGROND op de volgende wijze, Zegt voor recht dat de terugvordering door de R.V.A. van de vóór 1/7/1996 aan eiser effectief uitbetaalde uitkeringen verjaard is en dat de terugvordering beperkt dient te worden tot de uitkeringen die aan eiser werden betaald in de periode van 1/7/1996 t/m 30/9/1996.
Verwijst verwerende partij in de kosten van het geding in toepassing van artikel 1017, lid 2 Ger.W.;
- aan de zijde van eisende partij begroot op 5.040 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank herleid en vereffend op 3.870 BEF;
- laat ze aan de zijde van verwerende partij onvereffend wegens de niet-indiening van een kostenopgave.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van DRIE JANUARI TWEEDUIZEND EN EEN waar zitting hielden:
P. CEUPPENS, rechter, voorzitter van de kamer, P. de SCHAETZEN, rechter in sociale zaken, werkgever, M. MORREN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, E. de GROOT, griffier.
Eerste kamer.
VONNIS van 3 JANUARI 2001 Inzake :
K.W, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. K.LIEVESOENS, advocaat te 3980 TESSENDERLO, Lichtveld 55 bus A2.
tegen:
DE RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. V BOESMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Maartenstraat 58.
VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS :
I. PROCEDUREEL:
Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het rechtsplegingsdossier en nader omschreven op de inventaris ervan, onder meer:
- het inleidende verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 24/9/1999;
- de besluiten van verwerende partij, ontvangen ter griffie op 23/2/2000;
- de besluiten van eisende partij, neergelegd op 26/4/2000 en nogmaals ontvangen ter griffie op 2/5/2000.
De partijen werden behoorlijk opgeroepen om aanwezig te zijn op de zitting van 6/12/2000, waren op deze zitting vertegenwoordigd en werden er bij monde van hun raadslieden in hun middelen en verklaringen gehoord.
Recht doende over de stukken die zich in het dossier bevinden.
II. VORDERING EN SITUERING VAN HET GESCHIL, STANDPUNT VAN PARTIJEN:
II.1. Vordering en situering van het geschil:
Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 24/9/1999, stelde eisende partij beroep in tegen een R.V.A.-beslissing dd. 28/6/1999 (werkloosheidsbureau Hasselt) waarbij hem meegedeeld werd:
- dat hij uitgesloten werd van het recht op uitkeringen vanaf 23/2/1995 t/m 30/9/1996; - dat de uitkeringen teruggevorderd worden met dien verstande dat het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen te bevelen na drie jaar verjaart.
In uitvoering van deze beslissing kondigde de R.V.A. op dezelfde dag (28/6/1999) de terugvordering aan (C31-document) van onrechtmatig ontvangen uitkeringen ten belope van 118.823 BEF, m.b.t. de periode van 1/3/1996 t/m 30/9/1996.
De bestreden R.V.A.-beslissing is gesteund op de overweging dat uit een attest van het A.S.K.Z. gebleken is dat eiser van 23/2/1995 t/m 30/9/1996 zelfstandige in bijberoep was, terwijl hij hiervan pas op 20/5/1999 aangifte heeft gedaan.
Volgens de R.V.A. was zodoende niet voldaan aan de in artikel 48, ? 1.1? K.B. 25/11/1991 gestelde voorwaarden.
De vordering van eiser strekt ertoe om voor recht te horen zeggen "dat het recht van de R.V.A. om de terugbetaling te bevelen van de onverschuldigd betaalde uitkeringen van het eerste kwartaal en het tweede kwartaal 1996 verjaard is", en dat de terugvordering van de uitkeringen beperkt dient te worden tot de uitkeringen gedaan in de periode van 1/7/1996 t/m 30/9/1996.
II.2. Standpunt van partijen:
Eisende partij:
De beslissing inzake uitsluiting van eiser van het recht op uitkeringen werd door hem niet betwist.
Eiser stelt dat hij de R.V.A.-beslissing van 28/6/1999 nooit ontvangen heeft en dat hij pas kennis kreeg van de R.V.A.-beslissing ingevolge een rappelschrijven dat hij op 3/9/1999 ontving.
Eiser houdt voor dat de terugvordering in uitvoering van de R.V.A.-beslissing verjaard is voor de uitkeringen gedaan in de periode van 1/3/1996 t/m 30/6/1996.
Verwerende partij:
De uiterste datum voor het opmaken van de C29 was 30/6/1999.
De C29 dateert van 28/6/1999 zodat de terugvordering van de ten onrechte aan eiser uitgekeerde werkloosheidsuitkeringen niet verjaard is.
De kennisgeving van de beslissing met een gewone brief strookt met de bepalingen van artikel 16 van het Handvest van de sociaal verzekerde en voldoet aan alle wettelijke vereisten.
Verweerster vraagt om de vordering als ongegrond te horen afwijzen.
III. BEOORDELING - IN RECHTE:
III.1. Ontvankelijkheid:
De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
De vordering werd naar tijd en vorm op regelmatige wijze ingesteld en is ontvankelijk.
III.2. Ten gronde:
Uit de beschikbare gegevens blijkt afdoende dat eiser vanaf 23/2/1995 t/m 30/9/1996 een zelfstandig bijberoep uitoefende zonder dat hij hiervan bij de R.V.A. de verplichte voorafgaande aangifte, vereist conform de bepalingen van artikel 48 K.B. 25/11/1991, had gedaan.
De nalatigheid van eiser brengt in het kader van de werkloosheidsreglementering aansprakelijkheid met zich mee.
Eiser kon slechts uitkeringen genieten indien voldaan was aan de voorwaarden van artikel 48 van het K.B.
van 25/11/1991; aangezien dit niet het geval was, kon hij in deze periode geen aanspraak doen gelden op een recht op uitkeringen.
De beslissing van de R.V.A., waarbij aan eiser het recht op uitkeringen werd ontzegd, is gesteund op een correcte feitelijke en juridische grondslag en dient te worden bevestigd.
De terugvorderingsbeslissing van de door eiser ten onrechte genoten uitkeringen is gesteund op artikel 169 K.B. 25/11/1991 en is als zodanig geldig genomen.
Hier dient, gelet op het voorwerp van de vordering en gelet op het in die zin door eiser opgeworpen middel, te worden nagegaan of de terugvordering door de R.V.A. van ten onrechte door eiser genoten uitkeringen, al dan niet deels verjaard is.
Op zich staat het niet ter discussie dat hier de 3-jarige verjaringstermijn van artikel 7, ? 13, 2de en 3de lid van de Besluitwet van 28/12/1944 van toepassing is, hetgeen trouwens expliciet in de bestreden R.V.A.-beslissing vermeld werd.
Artikel 7, ? 13 van de Besluitwet van 28/12/1944 voorziet dat het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen na 3 jaren verjaart (art. 7, ? 13, lid 2).
"De verjaringstermijnen (-/-) gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd (--/--)" (art. 7, ? 13, lid 3).
Te dezen impliceert deze wettelijk voorziene verjaringsregeling dat:
- de verjaring van de terugvordering van de ten onrechte aan eiser tijdens het 1ste kwartaal van 1996 effectief "uitbetaalde" uitkeringen diende gestuit te worden vóór 1/4/1999 (dit is 3 jaren te rekenen vanaf het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd);
- de verjaring van de terugvordering van de ten onrechte tijdens het 2de kwartaal van 1996 aan eiser uitbetaalde uitkeringen diende gestuit te worden vóór 1/7/1999 (dit is 3 jaren te rekenen vanaf het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd).
Verwerende partij bewijst hier niet dat de verjaring van de terugvordering van de aan eiser ten onrechte in het 1ste en 2de kwartaal van 1996 uitbetaalde uitkeringen rechtsgeldig en tijdig - dit is respectievelijk vóór 1/4/1999 en vóór 1/7/1999 - gestuit werd op de wettelijk voorziene wijze.
De wettelijke wijze van stuiting van de verjaringstermijn is expliciet voorzien in artikel 7, ? 13, lid 4 van de Besluitwet van 28/12/1944.
De stuiting kan gebeuren:
1/- op de algemeen burgerrechtelijke wijze ("onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek -/-"), waarmee allicht gerefereerd wordt aan de in artikelen 2242 t/m 2250 B.W. voorziene handelingen (een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een beslag, de erkenning van het recht door de schuldenaar);
2/- "door een ter post aangetekende brief".
De R.V.A. is niet overgegaan tot de verzending van de terugvorderingsbeslissing op de tweede wijze, middels een "ter post aangetekende brief".
Noch de basisbeslissing C29, noch de terugvorderingsbeslissing C31 werd via een aangetekend schrijven verzonden.
Het is inderdaad zo - zoals door de R.V.A. in besluiten werd opgemerkt - dat artikel 146, lid 4 K.B.
25/11/1991 voorziet dat een beslissing inzake "ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen" of van een vermindering van de uitkeringen in toepassing van artikel 130 wordt "ter kennis gebracht van de werkloze bij gewone brief", wijziging die werd aangebracht ingevolge het K.B. van 30/4/1999, terugwerkend tot 1/1/1997, en die allicht werd ingevoerd om een conformiteit met artikel 16 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde (Wet van 11/4/1995 - B.S. 6/9/1995) te bewerkstelligen, maar dit neemt niet weg dat in de Besluitwet van 28/12/1944 uitdrukkelijk voorzien is gebleven (niettegenstaande de Besluitwet op andere vlakken wel in overeenstemming met het Handvest van de Sociaal Verzekerde is gebracht middels de Wet van 13/2/1998) dat de verjaringstermijnen gestuit kunnen worden door een ter post aangetekende brief.
En de gebruikte term "kunnen" wijst hier volgens de rechtbank niet zozeer op een mogelijkheid of keuze, maar eerder op een aanduiding van de wettelijk voorziene verplicht toe te passen wijze van stuiting;
buiten de stuiting op de wijze voorzien in het B.W. of via aangetekende brief zijn er derhalve geen andere handelingen die als verjaringstuitend kunnen worden aangemerkt.
Een gewone brief kan bijgevolg niet worden aanvaard als een wettelijke wijze van stuiting van de toepasselijke verjaringstermijn van het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen.
De R.V.A. heeft voorts op geen enkele wijze ingeroepen dat zij zou zijn overgegaan tot de stuiting van de verjaringstermijn op de algemeen burgerrechtelijke wijze.
Niettegenstaande de R.V.A. in die zin geen middel heeft aangevoerd, merkt de rechtbank op dat het door de R.V.A. op 3/9/1999 aan eiser verzonden bericht, waarvan eiser erkende dat hij het ontvangen had (cf.
de besluiten van eisende partij, bladzijde 2, 3de alinea: "Per 3/9/99 ontving de heer K. een laatste rappel van het Werkloosheidsbureau te Hasselt (stuk 2) -/-"), als een "bevel tot betaling" in de zin van artikel 2244 B.W. kan worden aangemerkt, en dat dit bevel wel degelijk als een burgerlijke stuitingswijze van de verjaring kan worden beschouwd.
Het is derhalve pas op 3/9/1999 dat een rechtsgeldige verjaringstuitende handeling werd verricht door de R.V.A.
Overigens dient te worden vastgesteld dat eiser zich er toe beperkt heeft om de verjaring van de terugvordering van ten onrechte genoten uitkeringen in te roepen m.b.t. de vóór 1/7/1996 betaalde uitkeringen en dat hij geen nuttige betwisting gevoerd heeft i.v.m. de mogelijk bestaande verjaringsproblematiek van de nadien (na 1/7/1996) ten onrechte ontvangen uitkeringen, zodat dienaangaande verder geen uitspraak moet worden gedaan.
Eiser ontkent de ontvangst van de R.V.A.-beslissing(en) dd. 28/6/1999.
De R.V.A. toont hoe dan ook niet aan dat de op 28/6/1999 gedateerde C29 en C31-beslissingen, verstuurd middels een gewone brief, effectief ter kennis zijn gebracht aan eiser.
Onafgezien van hogervermelde overweging i.v.m. de rechtsgeldige wijze van stuiting van de verjaringstermijn, kan de R.V.A. te dezen dan ook niet aantonen dat eiser vóór 1/7/1999 in kennis zou zijn gesteld van enige terugvorderingsbeslissing (hetzij de basisbeslissing C29, hetzij de terugvorderingsbeslissing C31) en dit impliceert dat, bij gebrek aan bewijs van een tijdige stuiting van de verjaring, moet worden aangenomen dat de verjaring van de terugvordering van de vóór 1/7/1996 aan eiser ten onrechte uitbetaalde uitkeringen is ingetreden.
De in die zin door eiser gestelde vordering is bijgevolg gegrond.
Rest er volledigheidshalve nog op te merken dat verwerende partij in toepassing van artikel 1017, lid 2 Ger.W. in de gerechtskosten wordt verwezen maar dat het bedrag van de aan eiser toekenbare rechtsplegingsvergoeding op 3.870 BEF in plaats van op 5.040 BEF (door eiser ingediende begroting) moet worden vereffend.
OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK:
De voorschriften van de wet van 15 juni 1935, op het gebruik van de talen in gerechtszaken, werden nageleefd.
Gehoord mevrouw C. WOUTERS, Substituut-Arbeidsauditeur, in haar gelijkluidend mondeling advies ter zitting van 6/12/2000, Na beraadslaging, uitspraak doende op tegenspraak, Verklaart de vordering ONTVANKELIJK en GEGROND op de volgende wijze, Zegt voor recht dat de terugvordering door de R.V.A. van de vóór 1/7/1996 aan eiser effectief uitbetaalde uitkeringen verjaard is en dat de terugvordering beperkt dient te worden tot de uitkeringen die aan eiser werden betaald in de periode van 1/7/1996 t/m 30/9/1996.
Verwijst verwerende partij in de kosten van het geding in toepassing van artikel 1017, lid 2 Ger.W.;
- aan de zijde van eisende partij begroot op 5.040 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank herleid en vereffend op 3.870 BEF;
- laat ze aan de zijde van verwerende partij onvereffend wegens de niet-indiening van een kostenopgave.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van DRIE JANUARI TWEEDUIZEND EN EEN waar zitting hielden:
P. CEUPPENS, rechter, voorzitter van de kamer, P. de SCHAETZEN, rechter in sociale zaken, werkgever, M. MORREN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, E. de GROOT, griffier.