Rechtbank van eerste aanleg: Vonnis van 25 Maart 1981 (Luik)

Datum :
25-03-1981
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19810325-2
Rolnummer :

Samenvatting :

De Wet van 7 juli 1978 die de Wet van 10 april 1971 wijzigt is niet toepasselijk op de schadevergoeding waarvan de oorzaak dagtekent van voor het van kracht worden ervan. Zij beoogt niet de opheffing van de keuze tussen het stelsel van de arbeidsongevallen en het gemeen recht, maar veeleer de regel van de burgerlijke aansprakelijkheid ondergeschikt te maken aan deze van het forfaitair wettelijk herstel. Een oppaster van een kinderdagverblijf, ten voorlopigen titel aangeduid door het schepencollege sedert negentien maanden, wordt geacht deel uit te maken van het tijdelijk gemeentepersoneel en geniet derhalve van de bepalingen van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de vergoeding van de arbeidsongevallen in de overheidssektor. Het basisloon dat in acht te nemen is naar gemeen recht in geval van overlijden van het slachtoffer is hetgene waarvan de rechthebbende waarlijk genoot. Moeten dus van de bezoldiging afgetrokken worden de afhoudingen van sociale en fiskale bijdragen alsook een deel van 35 % van het persoonlijk onderhoud van het slachtoffer, rekening houdend met het bestaan van twee kinderen ten laste. Het verlies van de waarde van een huisvrouw, 38 jaar oud, die een echtgenoot van 51 jaar en twee kinderen van zeven en vier jaar achterlaat is op 54.000 F per jaar te becijferen. De rentevoet waarmee moet worden gerekend is deze van 4,5 % 's jaars. De echtgenoot van het slachtoffer kan geen aanspraak maken op een waardeverlies na pensioen, vermits de overlijdenstafels aantonen dat hij de pensioenleeftijd van zijn echtgenote niet zou overleefd hebben. De morele schade van de man van het slachtoffer kan op 250.000 F geraamd worden; deze van de kinderen op elk 250.000 F en van de moeder van het slachtoffer op 100.000 F.

Vonnis :

De geconsolideerde versie van deze tekst is niet beschikbaar.