Arbeidsrechtbank: Vonnis van 12 April 2001 (Oudenaarde). RG 16.639

Datum :
12-04-2001
Taal :
Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20010412-2
Rolnummer :
16.639

Samenvatting :

Met betrekking tot artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden gesteld dat het vermoeden van schuld van de aansteller uitsluitend bestaat ten behoeve van derden, die door de fout van de aangestelde zijn benadeeld en dit vermoeden door de aansteller noch door de aangestelde kan worden ingeroepen in hun onderlinge verhouding (Cass., 22 april 1983, A.C., 1982-83, 1017; Arbrb. Gent 9 januari 1989, R.W. 1988-89, 1091). Evenmin kan de eisende partij zich beroepen op artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet nu dit artikel enkel betrekking heeft op de contractuele en niet op de strafrechterlijke verantwoordelijkheid van de werknemer. Dit blijkt uit de tekst van vermeld artikel 18 dat het enkel heeft over het berokkenen van schade, waarmee een burgerlijke vordering wegens schade wordt bedoeld. Bij een strafrechterlijke veroordeling blijft artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet buiten beschouwing en de arbeidsrechtbank dient het gezag van gewijsde van het strafvonnis te eerbiedigen (Arbrb. Gent, 9 januari 1989, o.c.).

Vonnis :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, terechtzitting houdend in de afdeling Oudenaarde, spreekt het hieronder volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van donderdag twaalf april tweeduizend en een IN DE ZAAK:
V., D., vrachtwagenchauffeur-arbeider, Tegen H. TRANS, naamloze vennootschap, De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 8 juli 1994 door de gerechtsdeurwaarder A. C.
Tijdens de terechtzitting van 9 maart 1995 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend.
De rechtbank heeft de partijen gehoord; hun conclusies en de stukken van het dossier werden ingezien.
Bij conclusie neergelegd ter griffie op 17 november 1994 heeft de eisende partij haar vordering aangepast.
Bij conclusie neergelegd ter griffie op 9 januari 1995 heeft de verwerende partij een tegenvordering ingesteld De vordering strekt er thans toe:
1. de verwerende partij te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:
a) een bedrag van 2.637,- frank netto voor achterstallig loon voor de wettelijke feestdag van 1 januari 1994, meer de wettelijke en gerechtelijke interest;
b) de wettelijke en de gerechtelijke interest op de laattijdig betaalde loonbedragen tot aan de datum van betaling 5 september 1994 of een bedrag van 3.855,- frank;
2. de verwerende partij de aan de eisende partij opgelegde verkeersboete ten bedrage van 14.983,- frank terug te betalen;
3. de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen;
4. de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden.
De tegenvordering strekt ertoe de oorspronkelijke eisende partij te doen veroordelen om aan de oorspronkelijke verwerende partij te betalen een bedrag van 280.881,- frank en een bedrag van 157.906,- frank voor schadevergoeding en een bedrag van 635.319,- frank uit hoofde van een onbetaald saldo van een lening van oorspronkelijk 1.115.000,- frank, meer de wettelijke interesten vanaf 24 februari 1994 en meer de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding.
De feiten.
De eisende partij was in dienst van de verwerende partij als vrachtwagenchauffeur van 9 september 1992 tot 3 januari 1994.
Bij schrijven dd. 10 december 1993 en 20 december 1993 werd de eisende partij in gebreke gesteld door de verwerende partij in verband met een laattijdige levering van een vracht bananen.
Bij schrijven dd. 21 december 1993 en 29 december 1993 reageerde de eisende partij, die de problemen toeschreef aan ziekte.
Bij schrijven dd. 29 december 1993 vorderde de vakbond van de eisende partij achterstallig loon.
Bij schrijven dd. 3 januari 1994 beëindigde de verwerende partij de arbeidsovereenkomst en stelde de betaling van een opzeggingsvergoeding in het vooruitzicht.
Het formulier C4 vermeldde als oorzaak van de werkloosheid Adiverse wanprestaties@.
Bij schrijven dd. 20 januari 1994 werd de verwerende partij opnieuw door de vakbond van de eisende partij in gebreke gesteld in verband met achterstallig loon, de opzeggingsvergoeding en sociale documenten.
Bij schrijven dd. 24 februari 1994 maakte de raadsman van de verwerende partij het formulier C4 over en vorderde van de eisende partij schadevergoeding voor twee gebrekkige leveringen en het saldo van een lening.
Bij schrijven dd. 31 maart 1994 reageerde de eisende partij afwijzend.
Standpunt van partijen De eisende partij vordert, na de betalingen door de verwerende partij tijdens de procedure, nog een bedrag van 2.637,- frank netto alsook interesten op de laattijdig betaalde bedragen voor een bedrag van 3.855, frank.
Daarnaast vordert de eisende partij, bij uitbreiding van de vordering, een bedrag van 14.983,- frank uit hoofde van een door hem betaalde verkeersboete en kosten.
De eisende partij zegt dat de verwerende partij hem deze boete dient terug te betalen met toepassing van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet nu hij de boete opliep in opdracht van de verwerende partij.
In een uitvoerige uiteenzetting betwist de eisende partij de hem ten laste gelegde wanprestaties en stelt dat de vordering tot betaling van schadevergoeding hiervoor verjaard is.
Met betrekking tot de terugbetaling van de lening betwist de eisende partij de bevoegdheid van deze rechtbank, ontkent de eisende partij zijn handtekening op dit document en stelt dat de lening werd afgesloten tussen De Vlaeminck D. (de naam van de eisende partij is V. D.) en de heer De Smet Freddy.
De eisende partij benadrukt dat hij nooit een lening heeft afgesloten, laat staan hierop enige afkorting heeft gedaan.
De verwerende partij erkent dat hij aanvankelijk bepaalde bedragen heeft achtergehouden met het oog op compensatie maar nu alles is voldaan.
Volgens de verwerende partij is het bedrag van 2.637,- frank niet verschuldigd aangezien dit bedrag betrekking heeft op een feestdag, op het ogenblik dat de eisende partij reeds meer dan 14 dagen ziek was.
Ook stelt de verwerende partij dat het formulier C4 en C.3.2 werd afgeleverd.
De verwerende partij betwist dat zij gehouden is tot terugbetaling van de door de eisende partij betaalde verkeersboete nu enkel de eisende partij verantwoordelijk is voor zijn onverantwoord rijgedrag.
Bij tegenvordering vordert de verwerende partij vooreerst een bedrag van 280.881,- frank uit hoofde van schadevergoeding aan de firma Trabelint, wegens verlies door de eisende partij van een palet elektrisch gereedschap.
Verder vordert de verwerende partij een schadevergoeding van 157.906,- frank wegens een slechte levering (overrijpe bananen) door de laattijdigheid van de eisende partij.
Ook vordert de verwerende partij een saldo van 635.319,- frank van een bedrag van 1.115.000,- frank, uit hoofde een door de eisende partij onderschreven schuldbekentenis (lening) ter terugbetaling van een door hem gestolen deel van de lading.
Volgens de verwerende partij is de tegenvordering niet verjaard aangezien deze niet rechtstreeks voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst.
Beoordeling Hoofdvordering 1. Het saldo van de hoofdsom betreft volgens partijen de feestdag van 1 januari 1994.
Dit bedrag is verschuldigd aangezien de feestdag dient betaald te worden die valt binnen de 30 dagen (niet 14 dagen zoals de verwerende partij stelt) na de aanvang van de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte (artikel 12 van het Koninklijk Besluit van 18 april 1974 ter uitvoering van de Wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen).
2. Nopens het bedrag van de gevorderde interesten is er geen betwisting.
3. De eisende partij erkent dat de sociale documenten werden afgeleverd zodat over dit onderdeel niet meer moet worden beslist.
4. De uitbreiding van de vordering, waarvan de regelmatigheid door de verwerende partij niet wordt betwist, is ongegrond.
Artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek noch artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet zijn een rechtsgeldige basis voor de terugvordering.
Met betrekking tot artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden gesteld dat het vermoeden van schuld van de aansteller uitsluitend bestaat ten behoeve van derden, die door de fout van de aangestelde zijn benadeeld en dit vermoeden door de aansteller noch door de aangestelde kan worden ingeroepen in hun onderlinge verhouding (Cass., 22 april 1983, A.C., 1982-83, 1017; Arbrb. Gent 9 januari 1989, R.W.
1988-89, 1091).
Evenmin kan de eisende partij zich beroepen op artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet nu dit artikel enkel betrekking heeft op de contractuele en niet op de strafrechterlijke verantwoordelijkheid van de werknemer.
Dit blijkt uit de tekst van vermeld artikel 18 dat het enkel heeft over het berokkenen van schade, waarmee een burgerlijke vordering wegens schade wordt bedoeld.
Bij een strafrechterlijke veroordeling blijft artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet buiten beschouwing en de arbeidsrechtbank dient het gezag van gewijsde van het strafvonnis te eerbiedigen (Arbrb. Gent, 9 januari 1989, o.c.).
De tegenvordering 1. De tegenvordering werd pas ingesteld bij conclusie dd. 9 januari 1995 terwijl de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 3 januari 1994.
Terecht werpt de eisende partij de verjaring op, in toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, met betrekking tot de gevorderde schadevergoedingen van 280.881,- frank en 157.906,- frank nu deze vorderingen duidelijk zijn gesteund op de arbeidsovereenkomst, meer bepaald op artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
2. Anders is het evenwel met betrekking tot de vordering tot betaling van een saldo van een lening.
Deze vordering vindt haar oorsprong duidelijk in een van de arbeidsovereenkomst onderscheiden overeenkomst, namelijk een leningovereenkomst.
De eisende partij voert de onbevoegdheid van deze rechtbank aan en verwijst naar de bevoegdheidsclausule in de overgelegde overeenkomst, waarin de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde is bedongen.
De tekst van de schuldbekentenis verwijst in geen enkel opzicht naar de arbeidsovereenkomst, ook niet naar de door de verwerende partij voorgehouden terugbetaling van een diefstal door de eisende partij.
De rechtbank kan dan ook alleen maar vaststellen dat uit niets blijkt dat deze voorgehouden lening haar oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst en dus van particuliere aard is zodat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is.
Voor zo ver de arbeidsrechtbank zich onbevoegd zou verklaren, heeft de verwerende partij (ondergeschikt) ingestemd met de verzending naar de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde (zie P.V. van terechtzitting).
Aangezien de verwijzing naar de arrondissementsrechtbank niet wordt gevorderd, kan deze rechtbank dit onderdeel van de tegenvordering rechtstreeks verzenden naar de vermelde rechtbank.
OP DEZE GRONDEN:
de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af;
laat de vordering toe;
- verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond;
- veroordeelt de verwerende partij om te betalen aan de eisende partij het netto bedrag van tweeduizend zeshonderdzevenendertig frank (2.637,- F), vermeerderd met de wette-lijke en de gerechte-lijke interest alsook een bedrag van drieduizend achthonderd vijfenvijftig frank (3.855,- F) voor interest op de betaalde bedragen;
- verklaart de tegenvordering niet toelaatbaar wat betreft de gevorderde schadevergoeding;
- verklaart zich ratione materiae onbevoegd tot kennisneming van de tegenvordering strekkende tot terugbetaling van een saldo van een lening ten bedrage van 635.319,- frank;
- verwijst de zaak wat dit deel van de tegenvordering betreft naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde;
- houdt de beslissing omtrent de kosten aan.