Arbeidsrechtbank: Vonnis van 5 Januari 2004 (Tongeren). RG 153202

Datum :
05-01-2004
Taal :
Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20040105-3
Rolnummer :
153202

Samenvatting :

De werkgever van eiser werd op 06 februari 2002 in kennis gesteld van de correctionele veroordeling van eiser dd. 01 februari 2002. De werkgever, uiteraard geen partij in de strafprocedure, heeft na een doorgedreven onderzoek binnen de onderneming op 06 februari 2002 en 07 februari 2002 beslist om het ontslag om dringende redenen te betekenen op 08 februari 2002 zodat het ontslag zowel formaal als inhoudelijk rechtsgeldig betekend werd. De rechtbank oordeelde dat op de inhoud van de strafrechelijke veroordeling niet moet worden teruggekomen noch dat dit moet worden toegelicht. Het gaat om feiten (privé-leven werknemer) die van die aard zijn dat zij iedere verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maken. Het is evenwel niet zo dat betrokkene omwille van zijn strafrechtelijke veroordeling geen kans meer moet krijgen maar het is wel zo dat betrokkene in de gegeven omstandigheden niet meer kon functioneren bij zijn werkgever.

Vonnis :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Rolnr. 1532/2002
INZAKE:
V L
Eisende partij, verschijnend door.
TEGEN:
V. A. B NV ,
Verwerende partij, verschijnend door
Gezien de inleidende dagvaarding 14 juni 2002 betekend door S. S, plaatsvervangend Gerechtsdeurwaarder, loco L. D, Gerechtsdeurwaarder , met standplaats te Tongeren;
Gezien de conclusies van de raadsman van verwerende partij d.d. 31 juli 2002 ontvangen ter griffie;
Gezien de besluiten van eisende partij d.d.25 juli 2003 ontvangen ter griffie;
Gezien het gezamenlijk door partijen ondertekend verzoek d.d. 24 september 2003 tot dagstelling overeenkomstig de toepassing van artikel 750 Ger.W.
Gezien de kennisgeving van rechtsdag d.d. 4 november 2003 voor de openbare terechtzitting van 1 december 2003;
Gehoord partijen ter terechtzitting in de uiteenzetting van hun middelen en besluiten en gezien de door hen neergelegde inventarissen en overtuigingsstukken
Partijen hebben zich niet voorafgaandelijk aan ieder debat wensen te verzoenen;
Allen drukten zich uit in het Nederlands;
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken;
Aanlegger was in dienst van verwerende partij sedert 30.09.1981 als arbeider met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur; met de brief d.d. 08.02.2002 deelde gedaagde hem het ontslag wegens dringende redenen mee. Als feit - zo wordt aangevoerd in de dagvaarding - wordt de veroordeling door de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 01.02.2002 ingeroepen; dit heeft een negatieve invloed op de gemoederen van de overige personeelsleden en brengt de goede naam van het bedrijf in het gedrang. Verder staat in de dagvaarding het volgende : " verzoeker betwist dit ontslag. Gedaagde brengt niet het bewijs bij dat de ingeroepen feiten haar drie dagen of minder voor het ontslag bekend waren. Het vonnis dateert van 01.02.2002 en het ontslag werd pas op 08.02.2002 gegeven.
De ingeroepen feiten hebben betrekking op het privé-leven van verzoeker. Hij heeft trouwens gedurende meer dan 20 jaar tot voldoening van gedaagde prestaties geleverd Er werd nooit enige opmerking over de uitvoering van zijn werk gemaakt.
Deze veroordeling maakt de verdere professionele samenwerking dan ook niet onmiddellijk en definitief onmogelijk.
Indien gedaagde van oordeel was dat de arbeidsrelatie niet meer kon verder gezet worden had zij deze kunnen beëindigen mits opzegging; Zij kon er immers op rekenen dat verzoeker zoals voorheen nauwgezet zijn taken zou uitvoeren.
Tweede blad
Verzoeker stelt dan ook dat er van een dringende reden tot ontslag geen sprake kan zijn en vordert de betaling van een opzegvergoeding van 40 d x 8 u/d x €:u 14,418 = € 3.973,76."
De vordering is ontvankelijk.
I. De Feiten.
1.1. Standpunt verwerende partij
Verweerster en haar afgevaardigd bestuurster kregen op woensdag 06.02.2002 kennis van een veroordeling van eiser wegens zeer ernstige zedenfeiten.
Op 01.02.2002 sprak de Correctionele Rechtbank van Hasselt een vonnis uit lastens eiser waarbij deze werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met uitstel voor 10 maanden onder strikte voorwaarden en een boete van 596 euro.
Eiser werd tevens ontzet uit zijn burgerrechten voor een termijn van 5 jaar.
Eiser heeft naar aanleiding van deze kennisgeving een intern onderzoek ingesteld naar de feiten, naar het functioneren van eiser binnen de onderneming alsmede naar de invloed van de veroordeling in hoofde van eiser
Rolnr. 1532/2002
op het verder functioneren binnen de onderneming, alsook naar de invloed van de feiten op de goede naam van de onderneming van verweerster.
Het gevoerde onderzoek heeft als resultaat gegeven dat eiser niet langer binnen de onderneming van verweerster kon functioneren, zodat verweerster middels aangetekend schrijven d.d. 08.02.2002 eiser het ontslag om dringende reden heeft betekend, met opgave van de dringende reden.
Bij brief d.d. 13.02.2002, bij wijze van zijn raadsman, betwistte eiser het ontslag om dringende reden, zowel formeel als inhoudelijk.
In een antwoordschrijven via de raadsman van verweerster, d.d. 20.03.2002, werd het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.
Op 26.03.2002 wordt verweerster door het syndicaat van eiser verzocht de opzegvergoeding over een periode van 40 dagen hetzij 3.973,76 euro te voldoen.
Op 28.03.2002 laat verweerster andermaal via haar raadsman aan het syndicaat weten op haar eerder standpunt betreffende het ontslag om dringende reden te blijven.
Eiser gaat vervolgens bij exploot d.d. 14.06.2002 over tot invordering van de opzegvergoeding ad 3.973,76 euro hoofdens onrechtmatig ontslag om dringende reden.
1.2. Standpunt eisende partij.
Aanlegger treedt op 30.09.1981 als arbeider in dienst van verweerster met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
Verweerster is een bouwonderneming die onder andere appartementen, sporthallen en schoolgebouwen bouwt.
Aanlegger werkt als voeger.
Met de brief van 08.02.2002 deelt verweerster het ontslag wegens dringende reden mee (stuk 2).
Als feit wordt ingeroepen dat uit haar onderzoek naar aanleiding van de veroordeling van aanlegger door de Correctionele Rechtbank te Hasselt op 01.02.02 gebleken is dat :
x enkele personeelsleden zijn gezelschap binnen de onderneming uit de weg gaan wegens onophoudelijke schunnige opmerkingen t.a.v. hen,
x hij geen enkele blijk van berouw vertoont voor de feiten waarvoor hij veroordeeld werd; hij zou niet anders dan deze daden goedpraten wat een negatieve invloed heeft op de gemoederen van het personeel,
x de veroordeling en nog meer het goed praten brengen de goede naam van de onderneming in opspraak .
Heel wat cliënteel bestaat uit psychiatrische instellingen, scholen , ziekenhuizen en rustoorden. Wanneer zij op de
Rolnr. 1532/2002
hoogte zouden worden gebracht van zijn daden dan zal dit nadelige gevolgen hebben voor het toewijzen van toekomstige opdrachten.
Aanlegger betwist dit ontslag wegens dringende reden en stelt een vordering in tot het betalen van een opzegvergoeding.
II. Ten gronde.
Eisende partij voert vooreerst aan dat vermits het ontslag werd gegeven op 08.02.2002 en de gerechtelijke veroordeling dateerde van 01.02.2002, verweerster reeds meer dan drie werkdagen voor het ontslag hiervan op de hoogte was.
Verwerende partij voert aan dat zij pas op 06.02.2002 in kennis werd gesteld van de veroordeling in hoofde van eiser door de Correctionele Rechtbank te Hasselt bij vonnis d.d. 01.02.2002; verwerende partij is uiteraard geen partij geweest in de strafprocedure en het is evident dat eiser zelf niet op 01.02.2002 datum van zijn veroordeling, aan verwerende partij kennis heeft gegeven van zijn strafrechterlijke veroordeling, minstens ligt daarvan geen bewijs voor.
Er is bovendien het schrijven d.d. 07.02.2002 van de raadsman van eiser zelf waarin aan verwerende partij voor het eerst een formele uiteenzetting van de feiten wordt gegeven.(stuk nr.1 van eisende partij)
Terecht stelt verwerende partij dat na een doorgedreven onderzoek binnen de onderneming op 06.02 en 07.02.2002 werd beslist dat een voortzetting van de arbeidsrelatie omwille van ernstige feiten onmogelijk was zodat het ontslag om dringende redenen werd betekend.
Vierde blad
De Rechtbank is daarom van oordeel dat de werkgever de in acht te nemen termijnen zeker heeft gerespecteerd en dit zoals mag worden verwacht, na een onderzoek in de onderneming aangaande de al dan niet wenselijkheid van het ontslag van eisende partij. Het ontslag om dringende redenen werd op 08.02.2002 zowel formeel als inhoudelijk rechtsgeldig en regelmatig betekend.
De strafrechtelijk veroordeling heeft betrekking op feiten uit het privéleven van aanlegger.
De Rechtbank is van oordeel dat op de inhoud van de strafrechtelijke veroordeling niet moet worden teruggekomen noch dat dit moet worden toegelicht. Het gaat hier evenwel om feiten die van dien aard zijn dat zij iedere verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maken.
Het bewijs van het bestaan van een dringende reden tot ontslag wordt door de feitenrechter op onaantastbare wijze in feite beoordeeld (Cass., 8 februari 1988, J.T.T., 1988, 157 ; de feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze in feite of de tekortkoming de professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, mits hij het begrip "dringende reden" niet miskent. Cass., 6 november 1989, J.T.T.1989, 482.
De ontslagbrief d.d. 08.02.2002 laat wat dat betreft aan duidelijkheid niet te wensen over.
Er zijn de duidelijke restricties gemaakt door bepaalde personeelsleden tegen gezelschap van eisende partij - waarvan blijkbaar schriftelijke verklaringen bestaan - en het resultaat van gesprekken met verscheidene medewerkers waaruit moet blijken dat eiser helemaal geen schaamte of berouw ten toon spreidt met betrekking tot de feiten waarvoor veroordeling werd opgelopen, hetgeen een negatieve invloed heeft op de gemoederen bij het personeel. De veroordeling als dusdanig is van dien aard dat de onderneming gevaar loopt te worden geschaad in haar goede naam.
De beslissing van de onderneming om aldus, na onderzoek, een einde te maken aan de overeenkomst in de vorm van een ontslag wegens dringende redenen, gebaseerd op enerzijds de ernst van de feiten zelf en anderzijds de repercussie bij het personeel van de onderneming en de faam van de onderneming zelf, kan niet worden aangevochten.
Het door verwerende partij in ondergeschikte orde aangeboden bewijsaanbod is niet meer gewenst noch noodzakelijk om tot een beoordeling te komen
rest dan nog het feit dat partijen gedurende een periode van meer dan 20 jaar verbonden waren door een arbeidsovereenkomst, hetgeen blijkbaar op het punt van de uitvoering van de overeenkomst, zonder problemen is verlopen.
Het is niet zo dat eisende partij precies omwille van zijn strafrechterlijke veroordeling geen kans meer moet krijgen; het is wel zo dat eisende partij in de gegeven omstandigheden niet meer kon functioneren bij zijn werkgever, die aldus rekening houdende met alle omstandigheden de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd wegens dringende redenen en zonder inachtneming van een opzegtermijn.
De vordering is ongegrond.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Na beraadslaging, uitspraak doende op tegenspraak;
Alle verdere en tegengestelde conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond
Veroordeelt aanlegger tot de kosten deze tot op heden begroot in hoofde van eisende partij op 108,26 euro dagvaardingskosten en in hoofde van verwerende partij begroot op 196,33 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting te Tongeren op
5 januari 2004.
Aanwezig: