Geen titel
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989
Bij vonnis van 19 februari 2014 in zake C.B. tegen het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers (FEDASIL), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 februari 2014, heeft de Arbeidsrechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld :
« 1. Schendt artikel 7, § 2, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een Nederlands legaal verblijvend kind met een illegaal verblijvende moeder in de aldaar bepaalde voorwaarden geen recht heeft op verlenging van de materiële hulp (beperkt, zoals bepaald in artikel 2, 6°, Opvangwet van 12 januari 2007), terwijl hetzelfde kind met een illegaal verblijvende moeder wel recht heeft op volwaardige maatschappelijke dienstverlening volgens artikel 1 organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ?
2. Schendt artikel 7, § 2, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een Nederlands legaal verblijvend kind met een illegaal verblijvende moeder in de aldaar bepaalde voorwaarden geen recht heeft op verlenging van de materiële hulp, terwijl een illegaal verblijvend kind met een illegaal verblijvende moeder wel recht heeft op maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind zoals bepaald in artikel 57, § 2, 2°, OCMW-wet ? ».
Die zaak is ingeschreven onder nummer 5864 van de rol van het Hof.
De griffier,
F. Meersschaut
Bij vonnis van 19 februari 2014 in zake C.B. tegen het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers (FEDASIL), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 februari 2014, heeft de Arbeidsrechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld :
« 1. Schendt artikel 7, § 2, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een Nederlands legaal verblijvend kind met een illegaal verblijvende moeder in de aldaar bepaalde voorwaarden geen recht heeft op verlenging van de materiële hulp (beperkt, zoals bepaald in artikel 2, 6°, Opvangwet van 12 januari 2007), terwijl hetzelfde kind met een illegaal verblijvende moeder wel recht heeft op volwaardige maatschappelijke dienstverlening volgens artikel 1 organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ?
2. Schendt artikel 7, § 2, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een Nederlands legaal verblijvend kind met een illegaal verblijvende moeder in de aldaar bepaalde voorwaarden geen recht heeft op verlenging van de materiële hulp, terwijl een illegaal verblijvend kind met een illegaal verblijvende moeder wel recht heeft op maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind zoals bepaald in artikel 57, § 2, 2°, OCMW-wet ? ».
Die zaak is ingeschreven onder nummer 5864 van de rol van het Hof.
De griffier,
F. Meersschaut