Geen titel

Datum :
29-06-2022
Taal :
Duits Frans Nederlands
Grootte :
9 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 2022201063
Auteur :
Grondwettelijk Hof

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Uittreksel uit arrest nr. 164/2021 van 18 november 2021
Rolnummer 7437
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 111 van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » (opheffing van het bijzondere pensioenstelsel van de mijnwerkers), gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, D. Pieters en S. de Bethune, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 10 september 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 september 2020, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 111 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen artikel 23 van de Grondwet - geïnterpreteerd in het licht van de artikelen 2 en 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en van artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest -, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het bijzondere pensioenstelsel van de mijnwerkers, bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, opheft voor de ondergrondse mijnwerkers die, op 31 december 2011, niet de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, waardoor een verschil in behandeling wordt ingevoerd dat uitsluitend op de leeftijd is gebaseerd, naargelang de werknemers op 31 december 2011 al dan niet de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, waarbij die laatstgenoemden met name wordt belet met pensioen te gaan terwijl zij op de ingangsdatum ervan zouden doen blijken van een loopbaan van 25 jaar als ondergrondse mijnwerker ? ».
(...)
III. In rechte
(...)
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 111 van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » (hierna : de wet van 28 december 2011), in zoverre het artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 « tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » (hierna : het koninklijk besluit van 23 december 1996) opheft vanaf 31 december 2011.
Artikel 111 van de wet van 28 december 2011 bepaalt :
« In artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels wordt paragraaf 2 opgeheven op 31 december 2011. Paragraaf 2 blijft wel van toepassing op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben ».
B.2. Artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, opgeheven bij de in het geding zijnde bepaling, bevestigde « de bijzondere pensioenleeftijden voor de ondergrondse en bovengrondse mijnwerkers » (verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 17 januari 1997, p. 908).
Het bepaalde :
« In afwijking van § 1 wordt de pensioenleeftijd :
1° op 55 of 60 jaar vastgesteld naar gelang het een rustpensioen betreft om reden van een tewerkstelling respectievelijk als ondergronds of bovengronds mijnwerker;
2° bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaren;
[...]
Het rustpensioen gaat in die gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naar gelang het geval, één van de in het lid 1 vermelde leeftijden bereikt ».
Het koninklijk besluit van 23 december 1996 is bekrachtigd bij artikel 5, § 1, van de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », zodat het kracht van wet heeft.
B.3.1. Die bepaling vond haar oorsprong in artikel 2, § 2, de wet van 20 juli 1990 « tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn », luidens hetwelk :
« In afwijking van § 1 [dat de wettelijke pensioenleeftijd op 60 jaar vaststelde] gaat het rustpensioen evenwel ten vroegste in de eerste dag van de maand volgend op deze waarin :
[...]
2° de belanghebbende de leeftijd van 55 jaar bereikt wanneer het een rustpensioen om reden van een tewerkstelling als ondergrondse mijnwerker betreft;
3° de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning gedurende vijfentwintig jaren ».
B.3.2. In de commentaar bij die bepaling wordt aangegeven dat « het rustpensioen voor [...] een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker ten vroegste de maand volgend op de 55 ste verjaardag kan ingaan [of] een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker op om het even welke leeftijd kan ingaan wanneer de belanghebbende een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in die hoedanigheid gedurende tenminste 25 jaar bewijst » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1175/1, p. 14). Beide voormelde mogelijkheden waren dus alternatieven.
B.4. Artikel 113 van de wet van 28 december 2011 verplicht de Koning ertoe om, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, overgangsmaatregelen te nemen voor de werknemers die worden beoogd in artikel 2, § 2, 1° tot 3°, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 die niet de leeftijd van 55 jaar zouden hebben bereikt op 31 december 2011.
B.5. Het amendement dat aan de oorsprong ligt van de artikelen 111 en 113 van de wet van 28 december 2011 is als volgt verantwoord :
« Gezien de stijgende levensverwachting en de aanbevelingen van Europa beoogt de regering de verlenging van sommige loopbanen door de bestaande bijzondere stelsels op het algemeen stelsel van het pensioen van werknemers af te stemmen.
De bijzondere stelsels van de privésector zullen op het algemene stelsel worden afgestemd met dien verstande dat de mijnwerkers of zeevarenden, die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt op 31 december 2011, nog de bestaande berekeningsmethode voor hun volledige pensioenloopbaan zullen genieten. Voor de werknemers die, op deze datum, de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt, zal de bestaande berekeningsmethode uitsluitend het pensioen regelen dat zal betrekking hebben op de periodes gepresteerd voor 1 januari 2012.
Bovendien, zal de Koning, door een in Ministerraad overlegd besluit, overgangsmaatregelen voorzien voor de mijnwerkers die de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt op 31 december 2011 » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/008, p. 14).
B.6.1. Bij het koninklijk besluit van 26 april 2012 « tot uitvoering, inzake het pensioen van de werknemers, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen » (hierna : het koninklijk besluit van 26 april 2012) is een overgangsregeling ingevoerd. Artikel 121 van de programmawet van 22 juni 2012 bekrachtigt dat koninklijk besluit, met uitzondering van de artikelen 2 tot 4 ervan. De bekrachtigde bepalingen hebben kracht van wet.
B.6.2. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 bepaalt :
« Voor de werknemer die de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt op 31 december 2011 maar die, op deze datum, bewijst dat hij ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker tewerkgesteld is geweest, wordt de pensioenleeftijd :
1° op 55 jaar vastgesteld wanneer het een rustpensioen betreft wegens een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker;
2° bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende ten minste vijfentwintig jaren.
Het rustpensioen gaat in die gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naar gelang het geval, één van de in het eerste lid vermelde leeftijden bereikt ».
In het verslag aan de Koning wordt uiteengezet :
« Artikel 5 van het ontwerp handelt over de pensioenleeftijd. De ondergrondse en daarmee gelijkgestelde mijnwerkers die het bewijs leveren van een tewerkstelling in de ondergrond of van een daarmee gelijkgestelde activiteit die minimum 20 jaar bereikt op 31 december 2011, kunnen, ongeacht hun leeftijd op deze datum, verder hun recht op het mijnwerkerspensioen laten gelden op de leeftijd van 55 jaar. Diegenen die ten minste een tewerkstelling van 25 jaar in de ondergrond of van een daarmee gelijkgestelde activiteit kunnen bewijzen, kunnen hun mijnwerkerspensioen opnemen ongeacht hun leeftijd » (verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 30 april 2012, p. 26.029).
B.6.3. De bewoordingen van die bepaling vertonen gelijkenissen met die van artikel 2, § 2, van de wet van 20 juli 1990 en van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996. De werknemers die kunnen doen blijken van een tewerkstelling van twintig jaar als mijnwerker de dag vóór de inwerkingtreding van artikel 111 van de wet van 28 december 2011, kunnen met pensioen gaan om reden van een tewerkstelling als ondergrondse mijnwerker zodra zij de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt of zodra zij doen blijken dat zij gewoonlijk en hoofdzakelijk zijn tewerkgesteld als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning gedurende ten minste 25 jaar.
Ten gronde
B.7.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 111 van de wet van 28 december 2011 met artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, in zoverre het het bijzondere pensioenstelsel van de mijnwerkers, bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996, opheft voor de ondergrondse mijnwerkers die op 31 december 2011 niet de leeftijd van 55 jaar zouden hebben bereikt, waardoor een verschil in behandeling wordt ingevoerd, dat uitsluitend op de leeftijd is gebaseerd, tussen die mijnwerkers en diegenen die op 31 december 2011 de leeftijd van 55 jaar zouden hebben bereikt.
B.7.2. Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat het verwijzende rechtscollege aan het Hof eveneens een vraag stelt over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 23 van de Grondwet, in zoverre het een aanzienlijke achteruitgang met zich zou meebrengen van het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid voor de eiser voor het verwijzende rechtscollege.
B.8. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.9. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.
B.10. Om te beoordelen of de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling invoert of een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van de rechten van de eiser voor de verwijzende rechter met zich meebrengt, dient rekening te worden gehouden met de overgangsregeling die is ingevoerd bij het koninklijk besluit van 26 april 2012.
B.11. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 bepaalt dat de werknemers die niet de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt op 31 december 2011, maar die op die datum bewijzen dat zij gewoonlijk en hoofdzakelijk zijn tewerkgesteld gedurende ten minste twintig jaar als mijnwerker, met pensioen kunnen gaan wanneer zij de leeftijd van 55 jaar bereiken of wanneer zij doen blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende ten minste vijfentwintig jaar.
B.12. Hieruit vloeit voort dat de ondergrondse mijnwerkers die vallen onder het toepassingsgebied ratione personae van die overgangsbepaling, met pensioen kunnen gaan na vijfentwintig jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling, zoals dat het geval was met toepassing van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 23 december 1996.
Voor de betrokken personen is er dus geen achteruitgang van het beschermingsniveau, noch een verschil in behandeling verbonden aan de leeftijd, zodat de referentienormen die in de prejudiciële vraag worden beoogd, niet zijn geschonden.
Derhalve dient te worden nagegaan of de voormelde overgangsregeling van toepassing is op de eiser voor de verwijzende rechter.
B.13. In het verwijzingsarrest wordt vastgesteld dat, op 31 december 2011, de eiser voor het verwijzende rechtscollege aantoont dat hij gewoonlijk en hoofdzakelijk is tewerkgesteld gedurende minstens twintig jaar als mijnwerker.
Daarin wordt eveneens vastgesteld dat de eiser als ondergronds mijnwerker bij dezelfde onderneming werkt sinds 13 mei 1992 en dat hij zijn pensioen heeft aangevraagd op 31 mei 2017, namelijk na meer dan vijfentwintig jaar activiteit als mijnwerker.
Het verwijzende rechtscollege lijkt de verklaring van de Federale Pensioendienst volgens welke de eiser voor het verwijzende rechtscollege zou moeten wachten tot hij de leeftijd van 55 jaar bereikt alvorens met pensioen te kunnen gaan, niet in het geding te brengen. Het heeft bijgevolg vragen bij de grondwettigheid van de hervorming van de pensioenen van de mijnwerkers en formuleert de prejudiciële vraag zo dat zij uitsluitend betrekking heeft op artikel 111 van de wet van 28 december 2011.
B.14. Uit het verzoekschrift in hoger beroep en het advies neergelegd door de advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Luik blijkt dat de partijen van mening zijn dat, met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012, de door de eiser voor het verwijzende rechtscollege vanaf 1 januari 2012 verrichte arbeidsperioden niet kunnen worden meegeteld voor de vaststelling van zijn pensioenrechten, zodat hij geen vijfentwintig jaar tewerkstelling zou kunnen aantonen als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning.
B.15. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 bepaalt :
« De bepalingen van artikel 3, 3°, van artikel 35 en van hoofdstuk IX, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, blijven onverkort van toepassing voor de vaststelling van de pensioenrechten van de in artikelen 5 en 6 bedoelde werknemers, voor zover het gaat om tijdvakken van tewerkstelling gelegen vóór 1 januari 2012 ».
B.16. Artikel 3, 3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 « tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » somt alle arbeidsperioden op die worden geacht te zijn verricht als ondergronds of bovengronds mijnwerker en daarmee gelijkgesteld mijnwerker.
Het bepaalt :
« Met toepassing van artikel 15, 2° van het koninklijk besluit nr. 50, wordt verstaan onder :
[...]
3° arbeidsperioden als mijnwerker, de perioden waarin de werknemer de volgende hoedanigheden had :
a) steenkolenmijnwerkers, dit wil zeggen : de mijnwerkers die in de steenkolenmijnen tewerkgesteld zijn, de afgevaardigden-arbeiders bij het mijntoezicht en de arbeiders van particuliere ondernemers die ondergronds of bovengronds in de steenkolenmijnen werken, indien deze werkzaamheden van blijvende aard zijn en de eigenlijke uitbating aanbelangen;
b) arbeiders in de andere mijnen tewerkgesteld;
c) arbeiders in om het even welke groeven tewerkgesteld, zo de ontginning ondergronds geschiedt of aan ondergrondse of bovengrondse werkzaamheden in de ondergrondse ontginning van de groeven welke tegelijk een openlucht- en een ondergrondse ontginning omvatten.
Worden beschouwd als ondergrondse ontginningen, de groeven waar de ontginning langs rechte putten of langs flesvormige putten geschiedt, zo deze twintig meter of meer diep zijn, alsmede de groeven waar de ontginning geschiedt langs ondergrondse galerijen of langs ondergrondse uitgravingen, zo men zijn toevlucht moet nemen tot kunstlicht om er te kunnen werken;
d) arbeiders tewerkgesteld in de fabrieken van bijprodukten van steenkolen, welke aan steenkolenmijnen verbonden zijn, evenals de arbeiders in de cokesfabrieken te werk gesteld op het ogenblik van het opdelven van steenkolen in de mijn waaraan zij verbonden zijn en die, na deze stopzetting, verder tewerkgesteld blijven in die cokesfabrieken en de arbeiders van de steenkolenmijnen waaraan de cokesfabrieken verbonden zijn en die wegens het stopzetten van het opdelven van steenkolen in deze mijnen rechtstreeks worden overgeplaatst van deze mijnen naar genoemde cokesfabrieken;
e) arbeiders tewerkgesteld in steengroeven, welke niet beschouwd worden als ondergrondse ontginningen en wier tewerkstelling aanleiding heeft gegeven tot het storten van verzekeringsbijdragen bij toepassing van de wetten van 30 december 1924 of 1 augustus 1930;
f) arbeiders van de steengroeven die, bij toepassing van de besluitwet van 25 februari 1947, onderworpen waren aan de speciale pensioenregeling voor de mijnwerkers, voor de periode gedurende welke zij, vóór 1 maart 1947, in deze ondernemingen werkzaam waren;
g) arbeiders op het ogenblik van het stopzetten van het opdelven van steenkolen tewerkgesteld in een steenkolenmijn en die, na deze stopzetting er verder uitsluitend tewerkgesteld blijven aan werkzaamheden betreffende het buiten gebruik stellen van de installaties, alsmede aan werkzaamheden betreffende de bewerking en de afzet van de produkten van deze mijn;
h) leerlingen-mijnwerkers en leerlingen van onderwijsinstellingen tewerkgesteld aan voor hun opleiding tot mijnwerker noodzakelijke leeropdrachten in de hiervoor bedoelde ondernemingen.
Voor de toepassing van dit artikel is de steenkolenmijn de technische eenheid van ontginning waarvan de noodzakelijke en blijvende werkzaamheid het opdelven van steenkolen is.
De tewerkstelling als ondergrondse mijnwerker is deze welke gewoonlijk en hoofdzakelijk uitgeoefend wordt in de ondergrond van de hierboven bedoelde ondernemingen.
Elke werknemer, aangeworven krachtens een arbeidsovereenkomst, in dienst van één van die ondernemingen en die niet gewoonlijk en hoofdzakelijk ondergrondse arbeid verricht, wordt geacht als bovengronds mijnwerker tewerkgesteld te zijn.
[...] ».
B.17. Het verslag aan de Koning betreffende het koninklijk besluit van 26 april 2012 zet uiteen dat het doel van artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 erin bestaat :
« uitdrukkelijk [te verzekeren], voor de perioden voorafgaand aan 1 januari 2012, de rechten voortvloeiend met name uit :
- de gelijkstelling van sommige activiteiten in de mijnbouw met de tewerkstelling als ondergronds mijnwerker;
- de gelijkstelling van tijdvakken van tewerkstelling voorafgaand en volgend op de sluiting van de Kempische Steenkoolmijnen (akkoorden van 1989);
- de toekenning van een verwarmingstoelage » (verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 30 april 2012, p. 26.029).
B.18. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 bevestigt met andere woorden uitdrukkelijk, voor zover nodig, dat de gelijkstellingen bepaald in artikel 3, 3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 van toepassing blijven, zodat de betrokken arbeiders die arbeidsperioden vóór 1 januari 2012 kunnen aanvoeren teneinde aan te tonen dat zij onder het toepassingsgebied ratione personae van de overgangsregeling vallen, aangezien zij op 31 december 2011 deden blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling gedurende twintig jaar.
Die bepaling beoogt daarentegen niet voor de personen die op 31 december 2011 deden blijken van een tewerkstelling als mijnwerker gedurende twintig jaar de toegang tot het pensioen moeilijker te maken, door te eisen dat die personen daarnaast op dezelfde datum hebben doen blijken van een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker gedurende vijfentwintig jaar.
Indien ervan moest worden uitgegaan dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 belet om de in artikel 3, 3°, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 bedoelde arbeidsperioden in aanmerking te nemen, wanneer zij zijn verricht vanaf 1 januari 2012, dan zou hieruit immers voortvloeien dat geen enkele ondergrondse mijnwerker in de mijnen of de steengroeven een arbeidsperiode zou kunnen aanvoeren dat die verricht na die datum en dat de 25 jaar tewerkstelling als ondergronds mijnwerker in de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning daarvóór zouden moeten zijn verricht.
B.19. Die interpretatie stemt niet overeen met het voornemen van de Koning en is strijdig met artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 april 2012.
Bij artikel 5, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 26 april 2012 worden twee voorwaarden vastgesteld met betrekking tot de loopbaan van de arbeiders die de overgangsregeling kunnen genieten. Die voorwaarden kunnen niet worden gelijkgesteld, aangezien het aantal jaren van tewerkstelling en de hoedanigheid van de werknemer die worden vereist, verschillen.
Uit artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 en uit het verslag aan de Koning bij dat besluit (Belgisch Staatsblad, 30 april 2012, p. 26.029) vloeit voort dat het begrip « mijnwerker » de ondergrondse of bovengrondse mijnwerkers en de daarmee gelijkgestelde mijnwerkers beoogt. Teneinde de overgangsregeling te genieten, dient de arbeider die op 31 december 2011 niet de leeftijd van 55 jaar had bereikt, met name te bewijzen dat hij op dezelfde datum twintig jaar tewerkstelling in die hoedanigheid heeft verricht.
Het begrip « mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning » wordt gedefinieerd in artikel 3, 3°, derde lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967. Het beoogt de arbeiders die gewoonlijk en hoofdzakelijk ondergrondse werken uitvoeren voor de in die bepaling bedoelde ondernemingen. Het betreft dus een beperkte categorie van mijnwerkers. Teneinde de overgangsregeling krachtens artikel 5, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 26 april 2012 te kunnen genieten, dient de arbeider die op 31 december 2011 niet de leeftijd van 55 jaar had bereikt op het ogenblik dat hij met pensioen gaat te doen blijken van een tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaar.
Artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 is immers zo opgesteld dat de datum van 31 december 2011, namelijk daags vóór de inwerkingtreding van artikel 111 van de wet 28 december 2011, uitsluitend in aanmerking moet worden genomen wanneer dient te worden beoordeeld of de werknemer onder het toepassingsgebied ratione personae van de overgangsregeling valt. Het is immers op die datum dat de werknemer die niet de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, diende aan te tonen dat hij gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker is tewerkgesteld gedurende minstens twintig jaar.
Indien zulks het geval was, kan de werknemer met pensioen gaan zodra hij de bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 vastgestelde « pensioenleeftijd » heeft bereikt. Die leeftijd wordt bereikt wanneer de werknemer de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, indien het een rustpensioen wegens een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker betreft (1°), of wanneer hij doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaar (2°).
De datum van 31 december 2011 wordt daarentegen niet in aanmerking genomen wanneer moet worden bepaald of de werknemer de in 1° en 2° van die bepaling beoogde « pensioenleeftijd » had bereikt.
Indien de bepaling erin voorzag dat de werknemer de leeftijd van 55 jaar moest hebben bereikt op 31 december 2011, dan zou zij geen andere draagwijdte hebben dan die van artikel 111, tweede zin, van de wet van 28 december 2011.
Evenzo, indien de Koning voornemens was te eisen dat, om de overgangsregeling te genieten, de werknemers op 31 december 2011 moesten doen blijken van een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker in de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaar, dan zou Hij niet hebben geëist dat zij daarnaast op 31 december 2011 een tewerkstelling als mijnwerker gedurende twintig jaar aantonen, gelet op het feit dat de werknemers die aan de eerste vereiste voldoen, automatisch beantwoorden aan de tweede.
B.20. Bijgevolg dient er besloten te worden dat de werknemers die op 31 december 2011 een tewerkstelling als mijnwerker gedurende twintig jaar bewijzen met pensioen kunnen gaan, ofwel vanaf de leeftijd van 55 jaar, ofwel vanaf het ogenblik dat zij doen blijken van een tewerkstelling als ondergronds mijnwerker gedurende 25 jaaar, ongeacht de datum waarop aan de ene of de andere van die voorwaarden is voldaan.
B.21. De artikelen 5 en 7 van het koninklijk besluit van 26 april 2012 kunnen niet op redelijke wijze de interpretatie krijgen die de partijen in het geding voor het verwijzende rechtscollege eraan geven, zodat de overgangsregeling waarin de eerste van die bepalingen voorziet, van toepassing is op de eiser voor het verwijzende rechtscollege, die, zoals dat het geval was vóór de inwerkingtreding van artikel 111 van de wet van 28 december 2011, met pensioen kan gaan na 25 jaar tewerkstelling als ondergronds mijnwerker in steengroeven met ondergrondse winning.
Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling en de aanzienlijke achteruitgang waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, onbestaande zijn.
B.22. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 111 van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » schendt niet artikel 23, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 november 2021.
De griffier,
P.-Y. Dutilleux
De voorzitter,
F. Daoût