Koninklijk besluit tot uitvoering, voor de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, van artikel 15septies van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, artikel 15septies, ingevoegd bij de wet van 18 december 2002;
Gelet op het onderhandelingsprotocol van het Onderhandelingscomité van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, gesloten op 26 maart 2014;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 april 2012;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 31 mei 2012;
Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris van Ambtenarenzaken, d.d. 4 juni 2012;
Gelet op advies 55.844/3 van de Raad van State, gegeven op 22 april 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Justitie en de Minister van Werk en het advies van de Ministers die hierover beraadslaagd hebben in de Raad,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat waarop de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen van toepassing is krachtens artikel 1 van voormelde wet.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit verstaan we onder:
1° de wet van 8 april 1965: de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen;
2° de wet van 17 maart 2004: de wet van 17 maart 2004 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
3° het koninklijk besluit van 2 oktober 2006: het koninklijk besluit van 2 oktober 2006 houdende uitvoering van de wet van 17 maart 2004 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
4° het onderhandelingscomité: het comité bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 maart 2004;
5° het overlegcomité: het comité bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet van 17 maart 2004.
Art. 3. Om de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet van 8 april 1965, uit te voeren, houdt de Koning rekening met het gemotiveerd advies van het overlegcomité.
Art. 4. § 1.- Voor de toepassing van hoofdstuk II, afdeling 3, van de wet 8 april 1965, gelden de onderhandelings-en overlegprocedures zoals bedoeld in de wet van 17 maart 2004 en in het koninklijk besluit van 2 oktober 2006 als de procedures welke doorlopen worden in de paritaire comités en in de ondernemingsraden of welke doorlopen worden in samenwerking met de personeels-en vakbondsafvaardigingen.
§ 2.- De aangelegenheden die niet onderworpen zijn aan de in § 1 vermelde onderhandelings- of overlegprocedures en die in het arbeidsreglement moeten worden opgenomen, worden aan de overlegprocedure onderworpen.
Bij gebrek aan een eenparig gemotiveerd advies in het overlegcomité over de bepalingen van het reglement, wordt het geschil uiterlijk vijftien dagen na de dag waarop de notulen definitief geworden zijn, door de voorzitter ter kennis gebracht van de ambtenaar aangewezen door de Koning krachtens artikel 21 van de wet van 8 april 1965. Deze ambtenaar tracht binnen een termijn van dertig dagen de uiteenlopende standpunten te verzoenen. Indien hij daarin niet slaagt, wordt het geschil binnen vijftien dagen na het proces-verbaal van niet-verzoening onderworpen aan de onderhandelingsprocedure. Nadat het protocol definitief is geworden, stelt de overheid het arbeidsreglement vast of brengt wijzigingen in het arbeidsreglement aan.
Art. 5. In de gevallen bedoeld in artikel 15, zevende lid, van de wet van 8 april 1965, wordt de verzending van een kopie aan de voorzitter van het paritair comité vervangen door de verzending van een kopie aan de voorzitter van het onderhandelingscomité.
Art. 6. De minister bevoegd voor Justitie wordt met de uitvoering van dit besluit belast.
Gegeven te Brussel, 25 april 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK