Ordonnantie tot instelling van een gewestelijke volksraadpleging (1)

Datum :
25-04-2024
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
12 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 2024004154
Auteur :
Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen, hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I - Voorwerp
Artikel 1. De huidige bijzondere ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39bis van de Grondwet.
Het gebruik van de mannelijke vorm in de huidige bijzondere ordonnantie is genderneutraal. De gebruikte termen zijn van toepassing op alle geslachten en genderidentiteiten.
Art. 2. § 1. Het Parlement kan, op verzoek van ten minste twaalfduizend vijfhonderd inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, of op initiatief van ten minste 60% van leden beslissen de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te raadplegen over de aangelegenheden als bedoeld in artikel 4.
§ 2. Wanneer de aanvraag uitgaat van inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, moet hij ook gesteund worden door de handtekeningen van inwoners van minstens negen gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en minstens 900 handtekeningen tellen uit elk van die gemeenten.
Art. 3. In de zin van de huidige bijzondere ordonnantie verstaat men onder:
1° inwoner: de persoon die:
a) ingeschreven is in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister van een gemeente gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, overeenkomstig artikel 1, § 1, 1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten;
b) de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft;
c) niet het voorwerp uitmaakt van een veroordeling of beslissing die, voor wie moet stemmen bij de gewestelijke verkiezingen, de uitsluiting of schor sing van het kiesrecht met zich meebrengt.
2° volksraadpleging: de volksraadpleging geregeld in het kader van deze bijzondere ordonnantie.
Art. 4. § 1. Overeenkomstig artikel 39bis van de Grondwet, mag de gewestelijke volksraadpleging enkel betrekking hebben op uitsluitend aan de gewestelijke organen opgedragen aangelegenheden, behalve:
1. een kwestie die strijdig is met de fundamentele rechten die gewaarborgd worden door titel II van de Grondwet en de door België bekrachtigde internationale verdragen;
2. een kwestie die een schending van de internationale en supranationale verplichtingen van België tot doel of tot gevolg heeft;
3. aangelegenheden die met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen worden geregeld;
4. aangelegenheden die betrekking hebben op de financiën of op de begroting;
5. een persoonlijke kwestie;
6. een kwestie waarover al uitdrukkelijk gediscussieerd en in de plenaire vergadering van het Parlement gestemd werd in het kader van een ontwerp of een voorstel van ordonnantie binnen de 2 jaar voor de indiening van het verzoek tot een volksraadpleging.
§ 2. Geen enkele volksraadpleging mag worden georganiseerd zolang het Grondwettelijk Hof het verzoek tot volksraadpleging in overeenstemming heeft verklaard met de bepalingen van deze bijzondere ordonnantie en met andere grondwettelijke en wettelijke bepalingen waarvan het de naleving dient te waarborgen.
§ 3. Geen enkele volksraadpleging mag worden georganiseerd tijdens de zes maanden die voorafgaan aan de datum die is vastgesteld voor de Europese, federale, gewestelijke of gemeentelijke verkiezingen.
In afwijking van het eerste lid kan een volksraadpleging op dezelfde dag als de gewestelijke verkiezingen gehouden worden. Indien de gewestelijke verkiezingen op een andere datum dan de federale of gemeentelijke verkiezingen worden gehouden, moet de volksraadpleging minstens zes maanden voor die laatste verkiezingen worden gehouden. Wanneer een parlementslid de aanvraag doet, mag een volksraadpleging niet op dezelfde dag plaatsvinden als de in het eerste lid bedoelde verkiezingen.
Eenzelfde kwestie mag niet het voorwerp uitmaken van meerdere volksraadplegingen tijdens dezelfde zittings-periode.
De volksraadplegingen moeten met een tussenperiode van meer dan zes maanden worden gehouden.
HOOFDSTUK II - Ontvankelijkheid
Art. 5. § 1. Het verzoek tot volksraadpleging is enkel ontvankelijk als het wordt ingediend middels een formulier dat door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement beschikbaar is gesteld en bij aangetekende brief of per e-mail aan de voorzitter van het Parlement wordt bezorgd.
Het verzoek bevat, naast de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen:
1. het ontwerp of de ontwerpen van vragen en eventueel subvragen die voor volksraadpleging worden voorgelegd, vergezeld van voorgestelde antwoorden die dusdanig zijn geformuleerd dat ze met "ja" of "nee" kunnen worden beantwoord;
2. een verband tussen de voorgestelde vraag en de uitsluitend aan het gewest toegekende bevoegdheden;
3. de naam, voornaam, geboortedatum en woonplaats van elk van de personen die het verzoek tot een volksraadpleging steunen, met het oog op de voorafgaande controleprocedure voor het Grondwettelijk Hof bedoeld in artikel 4, § 2;
4. de naam, voornaam, geboortedatum en woonplaats van de personen bedoeld in 3° die het initiatief nemen, van wie er minstens vijf en hoogstens vijfentwintig moeten zijn, teneinde de voorafgaande controleprocedure voor het Grondwettelijk Hof bedoeld in artikel 4, § 2 mogelijk te maken.
Het verzoek wordt tijdens een plenaire zitting in overweging genomen. De termijnen beginnen te lopen zodra het verzoek in overweging wordt genomen.
§ 2. Om als inwoner een verzoek tot volksraadpleging te kunnen indienen, moeten de voorwaarden bedoeld in artikel 3, 1°, vervuld zijn op de dag waarop het verzoek wordt ingediend.
§ 3. Het verzoek om volksraadpleging dat uitgaat van leden van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement is enkel ontvankelijk als het schriftelijk wordt ingediend via het daartoe bestemde formulier.
Het verzoek bevat, naast de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen bevatten:
1. het ontwerp of de ontwerpen van vragen en eventueel subvragen die voor volksraadpleging worden voorgelegd, vergezeld van voorgestelde antwoorden die dusdanig zijn geformuleerd dat ze met "ja" of "nee" kunnen worden beantwoord;
2. een verband tussen de voorgestelde vraag of vragen en de uitsluitend aan het gewest toegekende bevoegdheden;
3. de namen en voornamen van de leden die het verzoek tot volksraadpleging steunen met het oog op de voorafgaande controleprocedure voor het Grondwettelijk Hof bedoeld in artikel 4. § 2.
Het verzoek wordt tijdens een plenaire zitting in overweging genomen. De in artikel 7, § 1, bedoelde termijn begint te lopen zodra het verzoek in overweging wordt genomen.
Art. 6. Het verzoek tot volksraadpleging wordt onderzocht door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement om na te gaan of het aan de in de artikelen 2 tot 5 opgesomde voorwaarden voldoet.
Art. 7. § 1. Het Parlement neemt binnen de negentig dagen een gemotiveerde beslissing over het verzoek tot volksraadpleging, dat ofwel zijn goedkeuring inhoudt, eventueel onder voorbehoud van een nieuwe formulering van de voorgestelde vragen overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2, ofwel de weigering om de volksraadpleging te organiseren. Wanneer het verzoek echter uitgaat van inwoners, kan het Parlement de organisatie ervan enkel weigeren als het niet voldoet aan de in de artikels 2 tot 5 genoemde voorwaarden. De gemotiveerde beslissing wordt door de voorzitter van het Parlement betekend aan de in artikel 5, § 1, tweede lid, 4 bedoelde aanvragers: ze wordt ook gepubliceerd op de website van het Parlement.
De termijnen worden opgeschort tijdens het parlementaire reces en bij sluiting van de zitting.
§ 2. Het Parlement wordt bijgestaan door een comité van deskundigen bij het herformuleren van de voorgestelde vraag of vragen.
De wijze van benoeming en werkwijze van het comité van deskundigen wordt bepaald door het Parlement.
§ 3. Indien de in artikel 5, § 1, tweede lid, 4, bedoelde aanvragers in antwoord op de gemotiveerde beslissing van het Parlement de voorzitter van het Parlement hierom verzoeken, worden hoorzittingen gehouden. Deze hoorzittingen kunnen betrekking hebben op de opmerkingen en standpunten die voortvloeien uit het onderzoek van het verzoek, of het nu gaat om het principe zelf van de organisatie van de volksraadpleging of om het ontwerp van vraag of de ontwerpen van vragen bestemd voor de bevolking.
Wanneer het verzoek uitgaat van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, worden de aanvragers vertegenwoordigd door ten minste vijf van de personen bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, 4.
Art. 8. § 1. Wanneer het verzoek tot volksraadpleging uitgaat van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben de personen bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, 4°, het recht om, binnen een termijn van veertien dagen na de kennisgeving van de in artikel 7, § 1 bedoelde beslissing van het Parlement afstand te doen van hun hoedanigheid van ondertekenaar van het verzoek, indien zij van oordeel zijn dat de vraag of vragen waarover het Parlement beslist, zo geformuleerd zijn dat zij er niet mee kunnen instemmen. Het afstand doen wordt vermeld in de informatiebrochure voorzien in artikel 14.
De mogelijkheid om afstand te doen van de hoedanigheid van ondertekenaar van het verzoek kan uitsluitend worden uitgeoefend door de personen bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, 4.
Indien de in artikel 5, § 1, tweede lid, 4°, bedoelde personen gebruikmaken van hun recht om niet langer ondertekenaars te zijn en indien bijgevolg het verzoek om volksraadpleging niet langer voldoet aan de ontvankelijkheidscriteria bedoeld in artikel 2, wordt dit voorstel niet langer als geldig beschouwd.
§ 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen vóór de procedure bepaald in artikel 7, § 1, de voorzitter van het Parlement verzoeken een advies uit te brengen over de overeenstemming met de voorwaarden bepaald in artikel 4, indien het verzoek tot volksraadpleging 10% van het in artikel 2, § 1, gevraagde aantal inwoners bereikt.
Art. 9. Wanneer het Parlement zich gunstig heeft uitgesproken over de organisatie van de volksraadpleging, legt de voorzitter van het Parlement, na het verstrijken van de in artikel 8, § 1, bedoelde termijn, het verzoek tot volksraadpleging onmiddellijk voor aan het Grondwettelijk Hof.
De beslissing van het Parlement wordt gepubliceerd op zijn website en vermeldt dat het verzoek nog onderworpen moet worden aan de controleprocedure van het Grondwettelijk Hof.
Art. 10. § 1. Het Parlement verwerkt de persoonsgegevens die nodig zijn voor het beheer van de verzoeken tot volksraadplegingen.
De in dit verband verwerkte gegevenscategorieën zijn de volgende: naam en voornamen, geboortedatum, woonplaats, vermelding van het feit dat een persoon geen kiezer is en, indien van toepassing, tot welke datum, en ook het rijksregisternummer.
§ 2. De ondersteuning van een verzoek tot volksraadpleging gebeurt schriftelijk of door middel van een elektronische identificatiedienst zoals bedoeld in artikel 9 van de wet van 18 juli 2017 betreffende de elektronische identificatie.
Indien het schriftelijk gebeurt, moet de ondersteuning van een verzoek tot volksraadpleging ondertekend zijn door de verzoeker en leesbaar zijn volledige naam, geboortedatum en woonplaats vermelden.
De nodige organisatorische en technische maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de persoonsgegevens van ondertekenaars die een verzoek tot volksraadpleging door middel van een elektronische identificatiedienst steunen, aan andere ondertekenaars bekend worden gemaakt.
Het Parlement neemt contact op met de diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen om de nodige informatie te verkrijgen om na te gaan of een verzoek tot volksraadpleging de steun heeft van het vereiste aantal personen die gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en ouder zijn dan zestien jaar.
De schriftelijke steunbetuigingen worden uiterlijk drie maanden na de in artikel 11 bedoelde beslissing van het Grondwettelijk Hof vernietigd, tenzij hun bewaring noodzakelijk is voor de behandeling van een geschil, en in dat geval slechts gedurende de tijd die nodig is voor de regeling van het geschil.
§ 3. De verantwoordelijke voor het gegevensbeheer met betrekking tot verzoeken tot volksraadpleging is het Parlement.
HOOFDSTUK III - Organisatie
Art. 11. § 1. Indien het Grondwettelijk Hof verklaart dat het verzoek tot volksraadpleging in overeenstemming is met de bepalingen van de huidige bijzondere ordonnantie en andere grondwettelijke en wettelijke bepalingen, waarvan zij de naleving mag controleren publiceert het Parlement, na overleg met de regering, de informatie betreffende de volksraadpleging in het Belgisch Staatsblad, met vermelding van ten minste het behandelde onderwerp of behandelde onderwerpen, de gestelde vraag of de gestelde vragen en de datum waarop de volksraadpleging zal worden gehouden.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt verspreid:
- door middel van een uitnodigingsbrief die persoonlijk aan de deelnemers aan de volksraadpleging wordt gestuurd; deze uitnodigingsbrief vermeldt ook de plaats van het stembureau en de openingsuren ervan;
- door een bericht op de website van het Parlement en van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
- door een persbericht dat gepubliceerd wordt in minstens vier dagbladen verspreid over het hele Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waaronder twee Nederlandstalige dagbladen;
- door middel van een persbericht dat drie keer wordt uitgezonden door de openbare omroepen van de Franse en Vlaamse Gemeenschappen en lokale televisiezenders;
- door middel van online communicatie en publicaties op sociale netwerken om zoveel mogelijk inwoners te informeren;
- op gemeentelijke mededelingsborden in openbare gebouwen en ruimten, en in gemeentelijke informatiebladen.
Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 4, § 2, vindt de volksraadpleging plaats ten vroegste negentig dagen en ten laatste 180 dagen na de publicatie van de beslissing van het Parlement in het Belgisch Staatsblad.
Art. 12. § 1. Om de belangrijkste feiten en argumenten in verband met het onderwerp van de volksraadpleging te verspreiden, wordt samen met de uitnodigingsbrief een informatiebrochure verspreid onder alle in artikel 3, 1° bedoelde inwoners. Deze brochure bevat met name:
1. algemene informatie over de feiten;
2. de belangrijkste argumenten voor en tegen elk mogelijk antwoord;
3. stemvoorwaarden.
§ 2. De regering verspreidt de informatiebrochure in de loop van de maand die volgt op de validatie ervan, en in elk geval ten minste vijftien dagen vóór de datum van de volksraadpleging.
Art. 13. § 1. Wanneer het Grondwettelijk Hof heeft verklaard dat het verzoek tot volksraadpleging in overeen-stemming is met de bepalingen van de huidige bijzondere ordonnantie en andere grondwettelijke en wettelijke bepalingen, waarvan zij de naleving mag controleren, worden er steuncomités gevormd ter ondersteuning van een "ja" of "nee" op de gestelde vraag.
Er kunnen meerdere "ja"-comités en meerdere "neen"-comités worden gevormd. Elk van deze comités moet minstens zes leden tellen.
Binnen de zeven werkdagen na de publicatie van de beslissing van het Grondwettelijk Hof op zijn website, overeenkomstig de artikelen 114 en 118bis, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, publiceert het Parlement een bericht op de website van het Parlement waarin de inwoners worden geïnformeerd dat zij vanaf deze publicatie over een termijn van vijfenveertig dagen beschikken om aan de voorzitter van het Parlement hun wens kenbaar te maken om stichtend lid te worden van een "ja"-comité of een "neen"-comité.
§ 2. Als er binnen de termijn niet ten minste één "ja"-comité en ten minste één "neen"-comité kunnen worden gevormd, wordt onder dezelfde voorwaarden een nieuwe publicatie gedaan.
§ 3. Na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde termijn van vijfenveertig dagen worden de stichtende leden van elk comité binnen tien dagen door in de gebouwen van het Parlement samengeroepen om een reglement aan te nemen, in aanwezigheid van het in artikel 14 bedoelde comité van deskundigen. Dit reglement heeft tot doel de samenstelling van het comité en de voorwaarden voor zijn lidmaatschap vast te stellen. Het is ook bedoeld om de werking van het comité te regelen. Het comité moet een voorzitter benoemen. De parlementsleden mogen geen lid zijn van het interne orgaan of de interne organen van het comité.
Elk comité wordt geacht te zijn samengesteld op de dag van de in het eerste lid bedoelde vergadering.
De comités verbinden zich er schriftelijk toe de democratische beginselen te eerbiedigen die met name zijn vastgelegd in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van enige andere vorm van genocide, alsook de rechten en vrijheden die door de Grondwet worden gewaarborgd.
Art. 14. § 1. Het Parlement benoemt een comité van deskundigen om het bij te staan bij het opstellen van de informatiebrochure over het onderwerp van de volksraadpleging.
§ 2. Indien een "ja"-comité en een "neen"-comité worden gevormd, kan het comité van deskundigen beslissen een deel van het opstellen van de brochure toe te vertrouwen aan de betreffende comités. Elk comité legt dan een ontwerp van tekst voor met zijn argumenten voor en tegen elke antwoordmogelijkheid: het comité van deskundigen keurt het ontwerp goed of verzoekt de comités de inhoud ervan te herzien. De comités van deskundigen kunnen ook een advies formuleren over algemene informatie over de feiten van de zaak. De commissie zorgt voor een evenredige vertegenwoordiging van de standpunten van het ja-kamp en het neen-kamp, en voor een evenwichtige vertegenwoordiging binnen elk kamp in het geval er meer dan één "ja"-comité of "neen"comité wordt gevormd.
Mocht het niet mogelijk zijn geweest om ten minste één "ja"- en ten minste één "neen"-comité samen te stellen, zal het comité van deskundigen zelf de argumenten voor en tegen formuleren, er daarbij op toeziend dat deze evenwichtig zijn.
Art. 15. § 1. Elk "ja"-comité en elk "neen"-comité beschikt over een fonds dat specifiek bestemd is voor uitgaven in verband met de campagne.
Hiertoe benoemt elk van deze comités een van de aangesloten leden om dit fonds te beheren, bekend als de "penningmeester van het fonds", in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgelegd in het reglement van het comité.
§ 2. Het fonds wordt gespijsd door:
1. een dotatie die het Parlement verplicht is te storten in het fonds van elk comité, waarvan het bedrag wordt vastgesteld bij het begin van de zittingsperiode. Het totale bedrag van de verschillende dotaties wordt paritair verdeeld tussen het "ja"-kamp en het "neen"-kamp enerzijds, en vervolgens gelijk verdeeld over de comités binnen deze kampen anderzijds;
2. de bijdragen die aan dit fonds worden gestort door de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die dit wensen, op voorwaarde dat ze niet meer dan 500 euro bedragen.
§ 3. Als bijdragen in de zin van § 2, 2, worden beschouwd: financiële schenkingen, verleende diensten en geleverde goederen met het oog op de bevordering van een door dit comité verdedigde keuze. Enkel bijdragen van natuurlijke personen worden aanvaard.
De bijdragen aan elk fonds worden geregistreerd door de penningmeester van het fonds, die het bedrag van elke bijdrage, of het equivalent ervan, de volledige naam, het privéadres en het rijksregisternummer van de bijdrager vermeldt.
De in het tweede lid bedoelde gegevens kunnen uitsluitend worden geraadpleegd door de griffie van het Parlement, de betrokken "ja"- en "neen" -comités en de hoven en rechtbanken waarop eventueel een beroep kan worden gedaan in geval van een geschil.
§ 4. De uitgaven die door elk comité tot de dag van de volksraadpleging worden gedaan, komen ten laste van het fonds van het comité. Alle uitgaven moeten worden goedgekeurd door de penningmeester van het fonds. Voor elk van de twee kampen zijn uitgaven slechts toegestaan tot een maximum van 350.000 euro. In het geval er meerdere "ja"- comités of "neen"- comités worden gevormd, zullen zij het uitgavenplafond dat aan hun respectieve kampen is toegewezen gelijk verdelen.
Voor de toepassing van deze bijzondere ordonnantie worden alle uitgaven en alle financiële verbintenissen in verband met mondelinge, schriftelijke, en audiovisuele boodschappen die bedoeld zijn om de ene of de andere optie gunstig te beïnvloeden en die worden uitgegeven tussen de dag waarop het comité wordt opgericht en de dag van de volksraadpleging, als uitgaven beschouwd. Zij moeten worden aangerekend tegen de marktprijs.
Worden tevens als uitgaven beschouwd, voor de toepassing van deze bijzondere ordonnantie, de uitgaven door derden ten gunste van één van beide keuzen, tenzij het betrokken comité of de betrokken comités,
zodra zij kennis hebben van de door de betrokken derden gevoerde campagne, deze laatsten bij aangetekend schrijven per post aanmanen de campagne te staken.
Worden niet beschouwd als uitgaven, de uitgaven bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 19 mei 1994 tot regeling van de verkiezingscampagne en tot beperking en aangifte van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, alsmede tot vaststelling van de toetsingsnorm inzake officiële mededelingen van de overheid.
§ 5. Als de volksraadpleging overeenkomstig artikel 4, § 3, tweede lid, op dezelfde dag als de gewestelijke verkiezingen wordt georganiseerd, worden de maximale uitgaven voor elk kamp beperkt tot 175.000 euro.
§ 6. Als er slechts één comité is gevormd aan het einde van de periode bepaald in artikel 13, § 1, derde lid, zijn de voorwaarden voor de dotatie onderworpen aan de volgende beperkingen:
1. het maximumbedrag van de uitgaven is beperkt tot 175.000 euro;
2. de dotatie bedoeld in § 2, 1° wordt met de helft verminderd.
§ 7. Wie ermee heeft ingestemd om buiten het fonds om of in strijd met deze bepaling meer dan 100 euro te besteden ten gunste van een bepaalde optie, wordt gesanctioneerd met een geldboete van 26 euro tot 100.000 euro. Wie een dergelijke donatie in naam en voor rekening van een comité aanneemt, of die de toezegging van een uitgave ten gunste van het comité aanvaardt, krijgt dezelfde sanctie. Boek 1 van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op deze overtredingen. Indien de rechtbank dit beveelt, kan het vonnis in zijn geheel of bij uittreksel worden gepubliceerd in de dag- en weekbladen die zij aanwijst.
Art. 16. § 1. Om aan een volksraadpleging te kunnen deelnemen, moeten de voorwaarden om inwoner te zijn, vervuld zijn.
Aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3, 1°, a, moet voldaan zijn op de dag waarop de deelnemerslijst wordt opgesteld. Aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, 1°, b en c, moet voldaan zijn op de dag van de volksraadpleging.
De deelnemers die na de datum van de opstelling van voornoemde lijst de voorwaarde, bepaald in artikel 3, 1°, c, verliezen, worden van voornoemde lijst geschrapt.
§ 2. De lijst van deelnemers wordt vijfenzeventig dagen voor de datum van de volksraadpleging bepaald.
Vanaf die datum kan elke persoon die ten onrechte op de lijst is ingeschreven, weggelaten of geschrapt, een bezwaar indienen bij het Parlement tot de twaalfde dag voor de datum van de volksraadpleging.
De klacht wordt ingediend door middel van een verzoekschrift dat per aangetekende zending naar het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt verzonden.
Het Parlement is verplicht om uiterlijk op de zevende dag voor de dag van de volksraadpleging met een gemotiveerde beslissing uitspraak te doen over elke klacht.
Art. 17. § 1. De volksraadpleging wordt georganiseerd door de regering.
De kosten verbonden aan de organisatie van een volksraadpleging worden gedragen door de gewestbegroting.
§ 2. Alle volksraadplegingen vinden plaats op zondag.
Deelnemers mogen stemmen van 8.00 uur tot 18.00 uur.
§ 3. Deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht.
Elke deelnemer heeft recht op één stem voor elke gestelde vraag.
De stemming is geheim.
Art. 18. § 1. De stemmen worden slechts geteld indien:
- ten minste 12% van de inwoners hebben deelgenomen;
- en 5% van de inwoners in de meerderheid van de Brusselse gemeenten aan de volksraadpleging hebben deelgenomen.
HOOFDSTUK IV - Opvolging van de volksraadpleging
Art. 19. § 1. Na afloop van de stemperiode wordt het resultaat van de stemming, omgezet in een voorstel van resolutie, binnen de dertig dagen ter stemming voorgelegd aan het Parlement door zijn voorzitter.
§ 2. Indien het Parlement tegen het voorstel stemt, richt de voorzitter van het Parlement een brief tot de in artikel 5, § 1, 4, bedoelde aanvragers en aan de leden van de "ja"-comités en de "neen-"comités,
waarin de redenen voor deze stemming worden uiteengezet op basis van de verslaggeving van de zitting. De beslissing en verantwoording worden ook verspreid via online media (met inbegrip van de website van het Parlement) en via publicaties op sociale netwerken om zoveel mogelijk inwoners te informeren.
De in het eerste lid bedoelde aanvragers kunnen erom verzoeken om door het Parlement te worden gehoord.
§ 3. Als het Parlement voor het voorstel stemt, wordt een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht te handelen.
De motie wordt ook verspreid via online media (met inbegrip van de website van het Parlement) en via publicaties op sociale netwerken om zoveel mogelijk inwoners te informeren.
HOOFDSTUK V - Verkiezingspropaganda
Art. 20. De artikelen 181 tot en met 206 van het Kieswetboek zijn mutatis mutandis van toepassing.
Art. 21. § 1. Onverminderd artikel 11 is het verboden om opschriften, affiches, beelden en fotografische voorstellingen, vlugschriften en plakbriefjes aan te brengen op de openbare weg en op bomen, aanplantingen, plakborden, voor- en zijgevels, muren, omheiningen, pijlers, palen, zuilen, bouwwerken, monumenten en andere langs de openbare weg of in de onmiddellijke nabijheid, behoudens op de plaatsen die door de gemeenteraad tot aankondiging of aanplakking zijn bestemd of op het terrein waarvan de aanbrenger eigenaar of gebruiksgerechtigde is of waarvoor vooraf een schriftelijke goedkeuring is verleend door de eigenaar of door de gebruiksgerechtigde.
Daartoe stelt de gemeenteraad aan de comités plaatsen ter beschikking die voorbehouden zijn voor het aanbrengen van affiches en zorgt hij voor een billijke verdeling van deze plaatsen tussen de twee comités.
§ 2. Inbreuken op de bepalingen van § 1, 1, eerste lid worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van 26 tot 1.000 euro.
Art. 22. Als een gemotoriseerde optocht georganiseerd wordt op de openbare weg, brengt de organisator de burgemeester van de verschillende gemeenten waar die optocht zal doorkomen, daarvan op de hoogte.
Tijdens de periode en op de tijdstippen bepaald door de hoge ambtenaar van het arrondissement Brussel bij Brussel Preventie en Veiligheid of de door hem aangeduide ambtenaar, is het verboden gemotoriseerde optochten te organiseren in het kader van de verkiezingen.
HOOFDSTUK VI - Controle en validatie
Art. 23. § 1. Het Parlement staat in voor de controle op de campagnekosten, overeenkomstig het reglement betreffende de beperking van en de controle op de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van het Parlement.
§ 2. Binnen zestig dagen na de volksraadpleging bezorgt de penningmeester van het fonds van elk comité aan de voorzitter van de controlecommissie, samengesteld uit de leden van het controlecollege dat werd opgericht bij ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de controle van de verkiezingsuitgaven en de regeringsmededelingen, een verslag met de bedragen die in het fonds werden gestort, de herkomst van deze bedragen en de uitgaven vanuit het fonds.
Dit verslag wordt gepubliceerd op de website van het Parlement, met uitzondering van de gegevens bedoeld in artikel 15, § 3, tweede lid van deze bijzondere ordonnantie.
Het verslag bevat de identiteit van de bijdragers bedoeld in artikel 15, § 2, 2°.
§ 3. Binnen dertig dagen na de publicatie van het verslag kan elke inwoner een klacht indienen wegens schending van de in artikel 15 vastgestelde regels.
§ 4. Na het verstrijken van deze termijn beschikt de controlecommissie over dertig dagen om de nauwkeurigheid en de volledigheid van elk verslag te onderzoeken, indien nodig na de hulp van het Rekenhof te hebben ingeroepen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 180, vijfde lid van de Grondwet.
Daartoe kan zij alle aanvullende informatie opvragen die nodig is om haar taak te vervullen.
Indien een klacht werd ingediend overeenkomstig paragraaf 3, neemt de commissie haar beslissing na de klager of diens advocaat te hebben gehoord. Indien de commissie van oordeel is dat de onregelmatigheid van dien aard is dat deze een beslissende invloed op het resultaat heeft gehad, stuurt zij de klacht door naar het Parlement,
opdat dit op zijn eerstvolgende vergadering kan beslissen of de volksraadpleging al dan niet nietig moet worden verklaard.
§ 5. Onverminderd paragraaf 4, derde lid kunnen, hetzij op initiatief van de Procureur des Konings, hetzij na klacht eenieder die een belang heeft, strafrechtelijk worden vervolgd en dienovereenkomstig worden gesanctioneerd met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 50 euro tot 500 euro, of met slechts één van deze straffen:
1. éénieder die een hogere bijdrage dan de bedragen bedoeld in artikel 14 15 zou hebben gestort;
2. éénieder die een hogere bijdrage dan de bedragen bedoeld in artikel 15 zou hebben aanvaard;
3. eenieder die, in een comité, wetens en willens, uitgaven doet of verbintenissen aangaat voor kiespropaganda ten voordele van een van beide opties die het in artikel 15 bedoelde maximumbedrag overschrijden;
4. eenieder die, van buiten een comité, wetens en willens, ten voordele van een van beide opties uitgaven doet of verbintenissen aangaat voor kiespropaganda in strijd met de bepalingen van artikel 15;
5. eenieder die de bepalingen van artikel 15 inzake toelaatbare uitgaven zou hebben overtreden.
Anonieme meldingen worden niet in overweging genomen door de Procureur des Konings.
§ 6. De termijn voor de uitoefening van het initiatiefrecht van de Procureur des Konings en voor het indienen van klachten met betrekking tot de in paragraaf 5 bedoelde inbreuken, is voorgeschreven op de honderdtwintigste dag die volgt op de dag van de volksraadpleging. De Procureur des Konings bezorgt een kopij van de klachten aan de controlecommissie. De Procureur des Konings bezorgt ook een kopij aan de personen tegen wie de klacht is gericht. Er wordt binnen de acht dagen na het indienen van de klachten gecommuniceerd.
De Procureur des Konings stelt de controlecommissie binnen dezelfde termijn in kennis van zijn beslissing om een vervolging in te stellen met betrekking tot de in paragraaf 5 bedoelde feiten.
§ 7. Elke persoon die een klacht heeft ingediend of een rechtsvordering heeft ingesteld die ongegrond blijkt te zijn en waarvoor kwaadwilligheid is vastgesteld, wordt gesanctioneerd met een geldboete van 50 tot 500 euro.
§ 8. In het kader van de in paragraaf 5 bedoelde vervolgingen kan de Procureur des Konings bij de penningmeester van het fonds alle nuttige inlichtingen inwinnen over de herkomst van de fondsen die gebruikt zijn om de in artikel 15 bedoelde uitgaven te financieren.
§ 9. Indien de rechtbank dit beveelt, kan het vonnis integraal of bij uittreksel worden gepubliceerd in de dag- en weekbladen die zij aanwijst.
§ 10. Indien het rapport waarvan sprake in paragraaf 1 niet wordt ingediend en indien dit feit te wijten is aan het comité, verliezen de oprichters daarvan geheel of gedeeltelijk het recht op financiering dat werd ingevoerd door het Parlement in toepassing van de onderhavige bijzondere ordonnantie.
De aan het comité gestorte dotatie moet worden terugbetaald onder de door het Parlement vastgestelde voorwaarden.
Art. 24. § 1. Het eindverslag van de controlecommissie, opgesteld overeenkomstig artikel 23, § 2, vermeldt:
1. per comité, het totaal van de aan het fonds gestorte bedragen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de drie categorieën bedoeld in artikel 15, § 2, eerste lid, de herkomst van deze bedragen en de uitgaven die ten laste van dit fonds zijn gedaan;
2. de eventueel vastgestelde onregelmatigheden;
3. de eventuele klachten en genomen beslissingen.
§ 2. De voorzitter van het Parlement bezorgt het eindverslag van de controlecommissie onmiddellijk aan de diensten van het Belgisch Staatsblad, die het binnen de dertig dagen na ontvangst publiceren.
§ 3. Het eventuele saldo van de aan de "ja"- en "neen"-comités gestorte bedragen wordt overgemaakt aan het Parlement, dat een specifiek fonds opricht voor volksraadplegingen.
Art. 25. § 1. Elke inwoner kan binnen de tien dagen na de datum van het proces-verbaal van het gewestelijke hoofdstembureau een klacht indienen over het verloop ervan. De klacht wordt per aangetekende brief met ontvangstbevestiging aan de voorzitter van het Parlement gericht of neergelegd bij de griffie van het Parlement met ontvangstbewijs.
§ 2. Het Parlement doet binnen de dertig dagen uitspraak over deze klacht bij gemotiveerde beslissing, na de klager of zijn advocaat te hebben gehoord. Deze hoorzitting kan plaatsvinden voor een daartoe binnen het Parlement ingestelde commissie.
§ 3. Het proces-verbaal van de volksraadpleging en de klachten worden met het oog hierop met de bewijsstukken door het Parlement bezorgd aan de ingestelde commissie.
§ 4. De indiener van de klacht wordt opgeroepen bij de commissie. Het bewijsstuk van de oproeping wordt toegevoegd aan het klachtendossier. De indiener wordt verzocht zijn middelen voor te leggen die het mogelijk moeten maken om een onregelmatigheid bij het verloop vast te stellen die het resultaat kan beïnvloeden. De indiener van de klacht mag worden bijgestaan door een advocaat.
§ 5. De commissie kan beslissen om stukken te laten opstellen of om te verzoeken om getuigen of deskundigen te horen. Ze kan opdracht geven om de stembrieven opnieuw te laten tellen volgens de bepalingen van artikel 80 van de ordonnantie van 20 juli 2023 houdende het Nieuw Brussels Gemeentelijk Kieswetboek.
§ 6. De commissie beraadslaagt met gesloten deuren. Haar voorstel van beslissing wordt gemotiveerd en overgenomen in de besluiten die de rapporteur voorstelt aan de plenaire vergadering. Een onderzoeksnota, die in het bijzonder handelt over de gevolgen van een andere verdeling van de stemming op het resultaat van de volksraadpleging, wordt toegevoegd aan het voorstel van beslissing.
§ 7. Het Parlement spreekt zich uit over de besluiten van de commissie. Een afzonderlijke stemming over elke klacht vindt van rechtswege plaats. Als er geen meerderheid wordt bereikt in de plenaire vergadering, worden de besluiten van de commissie teruggezonden naar de commissie. De commissie kan pas een nieuw voorstel van beslissing formuleren nadat de indieners van de klacht de gelegenheid hebben gekregen om zich opnieuw en binnen een redelijke termijn uit te spreken. De commissie formuleert haar voorstel onverwijld en bezorgt het aan het Parlement, dat staande de vergadering een besluit neemt. Het besluit van het Parlement wordt per aangetekende brief naar de indiener van de klacht gestuurd.
§ 8. Binnen een termijn van tien werkdagen vanaf de dag van de betekening van de beslissing van het Parlement waarin de klacht wordt verworpen, kan de indiener van de klacht een gemotiveerd verzoek indienen bij het Parlement om over te gaan tot een tweede lezing van zijn klacht. Dit verzoek wordt per aangetekende brief met ontvangstbevestiging bezorgd aan de griffier van het Parlement of neergelegd bij de griffie van het Parlement met ontvangstbewijs.
§ 9. Indien het Parlement een onregelmatigheid vaststelt die het resultaat doorslaggevend heeft beïnvloed, annuleert het de volksraadpleging.
HOOFDSTUK VII - Diverse bepalingen
Art. 26. Onverminderd deze bijzondere ordonnantie worden de nadere regels voor de organisatie, de telling en de opstelling van de resultaten van de volksraadpleging vastgesteld bij een met gewone meerderheid van stemmen aangenomen ordonnantie.
HOOFDSTUK VIII - Slotbepalingen
Art. 27. Deze bijzondere ordonnantie wordt door het Parlement geëvalueerd vier jaar na de inwerkingtreding ervan.
Art. 28. Deze bijzondere ordonnantie treedt in werking op 16 september 2024.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 25 april 2024.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling en Stadsvernieuwing, Toerisme, de promotie van het Imago van Brussel en Biculturele zaken van gewestelijk belang,
R. VERVOORT
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid,
E. VAN DEN BRANDT
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Klimaattransitie, Leefmilieu, Energie en Participatieve Democratie,
A. MARON
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt, de Promotie van Meertaligheid en van het Imago van Brussel,
S. GATZ
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering en de Plaatselijke Besturen,
B. CLERFAYT
_______
Nota
(1) Documenten van het Parlement:
Gewone zitting 2022-2023
A-704/1 Voorstel van bijzondere ordonnantie
Gewone zitting 2023-2024
A-704/2 Advies van de Raad van State
A-704/3 Verslag
A-704/4 Amendement na verslag
Integraal verslag:
Bespreking en aanneming: vergadering van vrijdag 19 april 2024