Besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 (aangehaald als "Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019" en afgekort als "BVCO van 17 mei 2019"
- Sectie :
- Wetgeving
- Bron :
- Numac 2019041469
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder:
1° begrotingsakkoord: het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, in het kader van zijn rol bij de ex ante controle van de uitvoering van de begroting;
2° codex: de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019;
3° thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement: een inhoudelijk structuurelement dat de beleidskredieten bundelt die niet eenduidig kunnen worden toegewezen aan één specifiek structuurelement.
Hoofdstuk 2. Begroting
Sectie 1. Gemeenschappelijke bepalingen voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de meerjarenraming en de beleids- en begrotingsinformatie
Artikel 2 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bereidt de jaarlijkse indiening van de meerjarenraming van de Vlaamse deelstaatoverheid voor.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan daarvoor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid vragen om de nodige gegevens voor de opmaak of actualisering van de meerjarenraming aan te leveren, volgens de instructies en binnen de termijn die de minister bepaalt.
Artikel 3 De inhoudelijk bevoegde ministers bereiden de indiening van de beleids- en begrotingstoelichtingen voor.
De inhoudelijk bevoegde ministers, kunnen daarvoor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid vragen om beleids- en begrotingsinformatie op te stellen of te actualiseren volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, bepalen.
Onderafdeling 2. - Bepalingen over de jaarlijkse begroting
Artikel 4 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt, in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers, het ontwerp van decreet tot begrotingsopmaak of begrotingsaanpassing op.
Artikel 5 De Vlaamse Gemeenschap hanteert een geüniformiseerd begrotingsplan dat tenminste de componenten vermeld in artikel 12, eerste lid, van de codex bevat.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt het geüniformiseerde begrotingsplan, vermeld in het eerste lid, vast.
De Vlaamse rechtspersonen die werken met een artikelstructuur hanteren het geüniformiseerde begrotingsplan.
De Vlaamse rechtspersonen die geen Vlaamse rechtspersonen zijn als vermeld in het derde lid, gebruiken het stramien van het geüniformiseerde begrotingsplan voor de rapportering over hun begroting.
Sectie 2. Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse Gemeenschap
Onderafdeling 1. - Indiening en goedkeuring van de jaarlijkse begroting
Artikel 6 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, maakt in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing voor de Vlaamse Gemeenschap op, volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt.
Onderafdeling 2. - Herverdelingen
Artikel 7 Een herverdeling tussen de vastleggingskredieten van hetzelfde programma gebeurt bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Een herverdeling tussen de vastleggingskredieten over een programma heen, gebeurt in het geval, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, a), van de codex, bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Een herverdeling die vertrekt vanuit een provisioneel krediet over een programma heen, gebeurt in het geval, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, b), van de codex, bij besluit van de Vlaamse Regering.
Artikel 8 Vereffeningskredieten kunnen overeenkomstig artikel 22 van de codex binnen en over de programma's heen worden herverdeeld bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Artikel 9 Alle beslissingen tot herverdeling als vermeld in artikel 7 en 8 worden onmiddellijk nadat ze ondertekend zijn, bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor de begroting, voor bekendmaking op de website van die instantie.
Sectie 3. Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse rechtspersonen
Artikel 10 De inhoudelijk bevoegde minister maakt voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing op, volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, voegt het ontwerp, vermeld in het eerste lid, als bijlage bij het ontwerp van uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, voor hij beide ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.
Artikel 11 Het beheersorgaan van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, maakt het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing op, volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bezorgt het ontwerp, vermeld in het eerste lid, ter kennisgeving aan het Vlaams Parlement, als bijlage bij het ontwerp van uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.
Artikel 12 Een herverdeling van vastleggings- of vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, als vermeld in artikel 27, § 3, eerste lid, van de codex, gebeurt bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Een herverdeling van vastleggings- of vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, als vermeld in artikel 27, § 3, tweede lid, van de codex, gebeurt bij beslissing van het beheersorgaan.
Artikel 13 De aanpassing van de begroting van een Vlaamse rechtspersoon die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staat, als vermeld in artikel 27, § 3, eerste lid, van de codex, gebeurt bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
De aanpassing van de begroting van een Vlaamse rechtspersoon die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staat, als vermeld in artikel 27, § 3, tweede lid van de codex, gebeurt bij beslissing van het beheersorgaan.
Artikel 14 Alle beslissingen tot herverdeling als vermeld in artikel 12, eerste lid, of tot aanpassing van de begroting als vermeld in artikel 13, eerste lid, worden onmiddellijk nadat ze ondertekend zijn, bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor de begroting, voor bekendmaking op de website van die instantie.
Hoofdstuk 3. Boekhouding
Artikel 15 Het boekhoudplan met een basisstructuur voor de analytische component voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid omvat minstens de rubrieken van het algemeen rekeningenstelsel, opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit van 21 oktober 2018 tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek Economisch recht.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan het gebruik van bijkomende rekeningen of een verdere indeling van het algemeen rekeningenstelsel verplichten.
Artikel 16 De entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid streven naar een maximaal gebruik van courante boekhoudkundige technieken die de jaarafsluiting versnellen of de controle vergemakkelijken.
De technieken, vermeld in het eerste lid, omvatten onder meer:
1° het boeken van te ontvangen facturen;
2° het gebruik van overlopende rekeningen;
3° het gebruik van beste schattingen om boekingen te kunnen uitvoeren waarvoor geen definitieve cijfers voorhanden zijn;
4° de snelle maand-, en kwartaalafsluiting.
Artikel 17 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt een handleiding op met een toelichting bij de boekhoudregels die van toepassing zijn op de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen.
Hij deelt die handleiding en de aanpassingen eraan jaarlijks mee aan de Vlaamse Regering.
Hoofdstuk 4. Aanrekening
Artikel 18 § 1. Alleen verrichtingen die niet binnen de Vlaamse Gemeenschap plaatsvinden, of met diensten met afzonderlijk beheer kunnen aanleiding geven tot een aanrekening op een begrotingsartikel of een vastleggings- of vereffeningskrediet.
De volgende kosten en opbrengsten leiden niet tot een aanrekening:
1° voorzieningen;
2° afschrijvingen;
3° opbrengsten of kosten als gevolg van herwaarderingen;
4° interne verrekeningen;
5° voorraadbewegingen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt het aanleggen van een voorziening voor dubieuze debiteuren aangerekend op het begrotingsartikel waarop de vordering werd geregistreerd.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 4°, wordt een toewijzing aan een reservefonds aangerekend op een vastleggings- en vereffeningskrediet en een opname uit een reservefonds aangerekend op de ontvangsten.
Artikel 19 Facturen over een boekjaar die uiterlijk op 31 december van het boekjaar ontvangen zijn, worden geboekt in het af te sluiten boekjaar en worden aangerekend op het vereffeningskrediet van datzelfde boekjaar.
Facturen over een boekjaar die na 31 december van het boekjaar ontvangen worden, worden geboekt ten opzichte van de provisie `te ontvangen facturen' van het desbetreffende jaar. Als er geen provisie `te ontvangen facturen' is aangelegd, worden ze geboekt in het volgende boekjaar en aangerekend op het vereffeningskrediet van datzelfde boekjaar.
Voor verschuldigde of gevorderde interesten en huur wordt een proratering toegepast als ze betrekking hebben op verschillende boekjaren en als het te prorateren bedrag hoger is dan 7000 euro.
Artikel 20 § 1. Subsidies worden conform artikel 34, § 1, tweede lid, van de codex voor het volledige bedrag van de aangegane verbintenis vastgelegd, tenzij de subsidie jaarlijks kan worden geëvalueerd naar aanleiding van een controle van de voorwaarden of bijgesteld naar aanleiding van begrotingsmaatregelen.
§ 2. Subsidies die inkomensoverdrachten zijn, worden aangerekend op het vereffeningskrediet van het kalenderjaar waarop de gesubsidieerde activiteiten betrekking hebben. Als een subsidie over verschillende kalenderjaren is gespreid, wordt het bedrag geprorateerd op basis van het aantal maanden waarop de gesubsidieerde activiteit betrekking heeft.
Als de jaarlijkse kosten niet vaststaan, raamt de subsidieverstrekker de prestaties op een consistente wijze.
§ 3. Subsidies die kapitaaloverdrachten zijn, worden aangerekend op het vereffeningskrediet voor het deel van de subsidie dat voor de gesubsidieerde als verworven kan worden beschouwd.
Artikel 21 Onder recurrente verbintenissen met meerjarige gevolgen als vermeld in artikel 34, § 2, van de codex, wordt onder meer verstaan:
1° wedden;
2° abonnementen;
3° huurgelden;
4° nutsuitgaven;
5° verzendingskosten;
6° onderhoudskosten.
Een recurrente verbintenis wordt in het eerste jaar vastgelegd op het moment waarop de verbintenis wordt gesloten, en vervolgens telkens in het begin van het begrotingsjaar.
Artikel 22 § 1. Ieder jaar maakt de instantie die bevoegd is voor de rekeningen of de bevoegde dienst binnen de Vlaamse rechtspersoon een lijst op van de vastleggingen die acht jaar of ouder zijn en die nog niet zijn vereffend. Ze deelt die lijst mee aan de inhoudelijk bevoegde minister.
Elke minister bezorgt voor de niet vereffende vastleggingen, vermeld in het eerste lid, die betrekking hebben op zijn beleidsdomein een aanvraag tot behoud van de vastlegging aan de Inspectie van Financiën, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 52 en 53.
De vastleggingen waarvoor de Inspectie van Financiën de voorgelegde motivering gunstig adviseert, blijven behouden.
Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt, kan de inhoudelijk bevoegde minister daartegen een beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, conform artikel 54. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, of de Vlaamse Regering het beroep inwilligt, blijft de vastlegging behouden. De andere vastleggingen worden van rechtswege geannuleerd als geen beroep wordt ingediend of het beroep wordt verworpen.
§ 2. De aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, kan onmiddellijk de einddatum van de vastlegging omvatten. Als de Inspectie van Financiën die aanvraag gunstig adviseert, moet niet jaarlijks een nieuwe aanvraag gebeuren.
Hoofdstuk 5. Rapportering
Sectie 1. Gemeenschappelijke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen
Artikel 23 De rekening, vermeld in artikel 42, § 1, van de codex, met inbegrip van alle elementen waaruit ze bestaat, vermeld in artikel 42, § 1, tweede lid, van de codex, wordt opgemaakt volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, bepaalt.
Artikel 24 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan instructies vaststellen om de tussentijdse of bijkomende jaarlijkse rapportering, vermeld in artikel 45 van de codex, te coördineren.
Sectie 2. Specifieke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap
Artikel 25 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, maakt in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers de rekening voor de Vlaamse Gemeenschap op.
Sectie 3. Specifieke bepaling voor de Vlaamse rechtspersonen
Artikel 26 De inhoudelijk bevoegde minister maakt voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan de rekeningen, vermeld in artikel 42, § 1, van de codex op.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, voegt ze als bijlage bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap, voor hij beide ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.
Artikel 27 De beheersorganen van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, maken de rekeningen, vermeld in artikel 42, § 1, van de codex op.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, voegt de rekeningen, vermeld in het eerste lid, als bijlage bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap ter kennisgeving aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement.
Artikel 28 Uiterlijk op 31 maart bezorgt de inhoudelijk bevoegde minister of het beheersorgaan de rekening aan de instantie die bevoegd is voor de rekeningen. Die instantie coördineert alle rapporteringen.
Overeenkomstig artikel 43, eerste lid, van de codex bezorgt de instantie die bevoegd is voor de rekeningen de rekeningen aan het Rekenhof.
Hoofdstuk 6. Controle
Sectie 1. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Artikel 29 § 1. De aanvraag tot verlening van het begrotingsakkoord bevat:
1° het advies van de Inspectie van Financiën en, in voorkomend geval, een repliek op dat advies;
2° een transparante weergave van de budgettaire gevolgen voor het lopende begrotingsjaar en de daaropvolgende jaren, inclusief de berekening van de ESR-impact van de voorgestelde maatregelen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan een modelformulier ter beschikking stellen voor de aanvraag van het advies van de Inspectie van Financiën of van het begrotingsakkoord. Dat modelformulier wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering.
Als onvolledigheden in het dossier worden vastgesteld, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de aanvrager verzoeken om het dossier te vervolledigen.
Een verzoek als vermeld in het derde lid schorst de termijn, vermeld in paragraaf 2, als het verzoek, vermeld in het derde lid, gebeurt binnen een termijn van zes werkdagen nadat de aanvraag van het begrotingsakkoord is ontvangen en de vervollediging gebeurt na een termijn van drie werkdagen na dat verzoek. De schorsing gaat in op de dag van het verzoek als vermeld in het derde lid. De schorsing wordt meegedeeld aan de aanvrager van het begrotingsakkoord.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, beslist over het gevraagde begrotingsakkoord binnen een termijn van twaalf werkdagen nadat hij de aanvraag van het begrotingsakkoord heeft ontvangen.
Artikel 30 Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, het begrotingsakkoord weigert, kan de inhoudelijk bevoegde minister zijn voorstel ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering.
Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijn van twaalf werkdagen, vermeld in artikel 29, § 2, kan de inhoudelijk bevoegde minister zijn voorstel uitvoeren wanneer geen beslissing van de Vlaamse Regering vereist is of ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering wanneer een beslissing van de Vlaamse Regering vereist is.
Onderafdeling 2. - Toezicht op de uitvoering van de begroting
Artikel 31 § 1. Het begrotingsakkoord is vereist voor elk voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.
Het begrotingsakkoord is ook vereist voor:
1° de overschrijding van kredieten bij noodwendige of dringende uitgaven;
2° de erkenning van vorderingen als lasten van het verleden, vermeld in artikel 53, § 2, tweede lid, 1°, van het decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995;
3° beslissingen waarbij een waarborg wordt verleend voor een gecumuleerd bedrag van meer dan 5.000.000 euro per natuurlijke persoon of per rechtspersoon;
4° de verwerving van onroerende goederen voor een bedrag van meer dan 750.000 euro.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is het begrotingsakkoord niet vereist in de volgende gevallen:
1° als met toepassing van artikel 43, § 3, geen advies van de Inspectie van Financiën vereist is;
2° als de Inspectie van Financiën in haar advies vaststelt dat noch de uitgaven noch de ontvangsten worden beïnvloed;
3° voor standpuntbepalingen in het kader van de institutionele samenwerking tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten, in geval van een gunstig advies van de Inspectie van Financiën;
4° als subsidies, die geen toelage uitmaken en die alleen een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap als vermeld in artikel 71, § 1, eerste lid, 2°, een gunstig advies hebben gekregen van de Inspectie van Financiën, behalve als de toekenning van de subsidie verbonden is aan de goedkeuring van een overeenkomst met meerjarige gevolgen.
§ 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan, in afwijking van paragraaf 1, voor bepaalde aangelegenheden beslissen dat het begrotingsakkoord niet meer vereist is na het gunstige advies van de Inspectie van Financiën.
Onderafdeling 3. - Toezicht op de herverdelingen of aanpassingen van de begroting
Artikel 32 Het begrotingsakkoord is vereist voor de herverdeling tussen de vastleggingskredieten van hetzelfde programma binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap in de volgende gevallen:
1° de herverdeling gebeurt over inhoudelijke structuurelementen heen, behalve als de herverdeling vertrekt vanuit een thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement;
2° de herverdeling heeft betrekking op een loonkrediet dat wordt gebruikt als een werkingskrediet of op een werkingskrediet dat wordt gebruikt als een loonkrediet;
3° de herverdeling heeft betrekking op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Het begrotingsakkoord is vereist voor de herverdeling tussen de vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap over een programma heen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, van de codex.
Artikel 33 Het begrotingsakkoord is vereist als de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 34 Het begrotingsakkoord is vereist voor herverdelingen van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan in de volgende gevallen:
1° de herverdeling gebeurt over inhoudelijke structuurelementen heen, behalve als de herverdeling vertrekt vanuit een thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement;
2° de herverdeling heeft betrekking op een loonkrediet dat wordt gebruikt als een werkingskrediet of op een werkingskrediet dat wordt gebruikt als een loonkrediet;
3° de herverdeling heeft betrekking op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 35 Het begrotingsakkoord is vereist voor herverdelingen van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan als de herverdeling betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 36 Het begrotingsakkoord is vereist voor aanpassingen van de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan als vermeld in artikel 27, § 3, eerste lid, van de codex, als de aanpassing betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Sectie 2. De Inspectie van Financiën
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Artikel 37 § 1. De beleidscoördinator, vermeld in artikel 52, § 2, van de codex, wordt verkozen door de leden van de Inspectie van Financiën die ter beschikking worden gesteld van de Vlaamse Regering. Voormelde leden dragen de beleidscoördinator voor na interne verkiezingen waaraan enkel de leden die in dienstactiviteit zijn, kunnen deelnemen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt de procedure voor de stemming en de aanstelling. Hij deelt die procedures en de aanpassingen eraan, en het resultaat van de stemming mee aan de Vlaamse Regering.
De beleidscoördinator ontvangt voor het uitoefenen van zijn bijkomende taak als beleidscoördinator als vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex een vergoeding van 7000 euro per jaar.
De vergoeding, vermeld in het derde lid, is gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 met als referentiejaar 2013, en wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
§ 2. Voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 52, § 2, derde lid, van de codex behartigt de beleidscoördinator, vermeld in dezelfde paragraaf van de codex, minstens de volgende taken:
1° de opmaak van een jaarplanning en jaarverslag, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex;
2° de generieke kwaliteitsborging, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex, van de uitgaande stukken van de leden van de Inspectie van Financiën;
3° de opmaak van een jaarlijks plan over de kwaliteitsborging, vermeld in punt 2°, dat minstens betrekking heeft op de opbouw van de adviezen en de gevallen waarin een advies moet worden gegeven zonder dat hierbij afbreuk kan worden gedaan aan artikel 22, artikel 42 tot en met artikel 50 en artikel 71;
4° het bewaken van de naleving van de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex;
5° de communicatie en vertegenwoordiging van de Inspectie van Financiën op externe fora;
6° de organisatie van de administratieve en logistieke ondersteuning in samenspraak met de bevoegde instantie;
7° het bewaken van de middelen die voor de Inspectie van Financiën in de uitgavenbegroting zijn ingeschreven in samenspraak met de bevoegde instantie;
8° de coördinatie van de adviesaanvragen die betrekking hebben op meerdere beleidsdomeinen;
9° de organisatie en opvolging van het intern stafoverleg met het oog op de performante werking van de Inspectie van Financiën en de opvolging van horizontale thema's;
10° de organisatie en opvolging van hun personeelsmanagement in samenspraak met de bevoegde instantie;
11° de organisatie en opvolging van beleidsdomein- of beleidsveldspecifiek overleg met de Inspectie van Financiën.
§ 3. De jaarplanning, vermeld in paragraaf 2, 1°, bevat voor het betrokken jaar:
1° een overzicht van de overheidsbrede en bijzondere analyses en evaluaties, vermeld in artikel 52, § 1, tweede lid, van de codex;
2° een overzicht van de analyses in het kader van de opvolging van overheidsopdrachten;
3° een raming van de personeelsinzet, de benodigde middelen en de vereiste tijd van elke opdracht.
§ 4. De beleidscoördinator rapporteert jaarlijks aan de Vlaamse Regering, over de uitvoering van de jaarplanning, over de uitvoering van het plan aangaande de generieke kwaliteitsborging en over de naleving van de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex.
Het jaarlijks rapport bevat ook duiding van de risico's die waargenomen zijn bij het uitvoeren van haar taken en de algemene aanbevelingen tot remediëring van die risico's.
De Inspectie van Financiën bewaakt de juistheid van haar vaststellingen bij het uitvoeren van de analyses en evaluaties, vermeld in paragraaf 3, 1° en 2°. Hiertoe organiseert zij overlegmomenten met de inhoudelijk bevoegde minister waarin die vaststellingen worden besproken, aangevuld met de mogelijkheid voor de inhoudelijk bevoegde minister om op korte termijn te antwoorden.
§ 5. Een inbreuk op de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex, wordt bij de vaststelling ervan gerapporteerd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen. Hierbij mag op generlei wijze afbreuk gedaan worden aan de federale bevoegdheden inzake de naleving van de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex.
Artikel 38 Na raadpleging van de beleidscoördinator, vermeld in artikel 52, § 2, van de codex, wijst de Vlaamse Regering aan elke inspecteur van Financiën een bepaalde beleidssector toe.
Op voorstel van de beleidscoördinator kan de Vlaamse Regering beslissen een inspecteur van Financiën die deel uitmaakt van de ter beschikking gestelde leden tijdelijk te ontheffen van de opvolging van de hem toegewezen beleidssector om hem te belasten met andere taken, zonder dat de taken die zijn toegewezen overeenkomstig artikel 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het gedrang mogen komen.
Artikel 39 Binnen het kader van de algemene doelstellingen van de Vlaamse Regering behandelen de adviezen van de Inspectie van Financiën uitsluitend de wettigheid, de regelmatigheid, de doelmatigheid, de kostenefficiëntie en de budgettaire inpasbaarheid op termijn.
Artikel 40 Binnen de groep van ter beschikking gestelde inspecteurs van Financiën kan de Vlaamse Regering voor maximaal anderhalve voltijdsequivalent inspecteurs van Financiën nominatim aanwijzen om de rol van Vlaamse Auditautoriteit inzake Europese Structuurfondsen op te nemen.
Onderafdeling 2. - Analyses, evaluaties en audits
Artikel 41 De Inspectie van Financiën kan op eigen initiatief of op aanvraag van de inhoudelijk bevoegde minister of de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen en nadat de inhoudelijk bevoegde minister geïnformeerd werd:
1° de analyses en evaluaties, vermeld in artikel 37, § 3, 1° en 2°, opzetten;
2° onderzoek verrichten over elke aangelegenheid die de doelmatigheid van de besteding van de begrotingskredieten kan beïnvloeden;
3° een audit uitvoeren bij elke instelling die door de Vlaamse deelstaatoverheid gesubsidieerd wordt;
4° de totstandkoming van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019 houdende een kader voor grote projecten en programma's, faciliteren voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan.
De Inspectie van Financiën voert de audit, vermeld in het eerste lid, 3°, uit in samenwerking met de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap of met ondersteuning van externe deskundigen. Ze behoudt de eindverantwoordelijkheid van de audit.
De Inspectie van Financiën deelt de auditaanpak en het auditverslag aan de andere controleactoren mee, op voorwaarde dat de inhoudelijk bevoegde minister, de minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, of de Vlaamse Regering daarover geen andere beslissing neemt.
Onderafdeling 3. - Voorbereiding en bijsturing van de begroting
Artikel 42 De Inspectie van Financiën wordt betrokken bij de opstelling en de bijsturing van de jaarlijkse begroting. Ze verleent hiertoe een advies bij de door de inhoudelijk bevoegde minister ingediende voorstellen.
Onderafdeling 4. - Toezicht op de uitvoering van de begroting
Artikel 43 § 1. Het voorafgaande advies van de Inspectie van Financiën is verplicht voor ieder voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.
§ 2. Het voorafgaande advies van de Inspectie van Financiën is eveneens verplicht voor:
1° elk ontwerp van reglementair ministerieel besluit of van omzendbrief met een budgettaire weerslag;
2° voorstellen, met inbegrip van herverdelingen en aanpassingen van de begroting, die het begrotingsakkoord vereisen;
3° ontwerpen van reorganisatie- en personeelsplannen en het eerste ondernemingsplan van een regeerperiode;
4° leningen en uitgifte van kredieten, en het aangaan van participaties, vanaf een bedrag groter dan 7000 euro, behalve als dat gebeurt ter uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst die al voor advies werd voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, of voor elke verrichting van financieel beheer in het algemeen belang die uitdrukkelijk gedelegeerd is aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
Het ondernemingsplan voor het lopende kalenderjaar, dat niet het eerste ondernemingsplan van een regeerperiode is, wordt ter kennisgeving voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 moeten de volgende voorstellen van beslissing niet voor advies worden voorgelegd:
1° beslissingen over de aanwijzing, voordracht, benoeming of bevordering van personen, alsook beslissingen over het verder in dienst houden van een ambtenaar na het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt;
2° beslissingen over de evaluatie van topambtenaren;
3° ontwerpen van of wijzigingen aan ruimtelijke beleids- en uitvoeringsplannen;
4° beslissingen op krachtlijnen die voorafgaan aan een definitieve beslissing, zoals goedkeuring van conceptnota's, visienota's, groen- of witboeken, op voorwaarde dat die beslissingen uitdrukkelijk vermelden dat ze nog geen enkel financieel of budgettair engagement inhouden;
5° beslissingen tot indiening van een beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof;
6° besluiten houdende de toekenning van een toelage.
Artikel 44 Onder voorbehoud van andere afspraken die vastgelegd zijn met de Inspectie van Financiën in een protocol met de inhoudelijk bevoegde minister, zijn artikel 45 tot en met 50 van toepassing.
Artikel 45 § 1. Overheidsopdrachten zijn vrijgesteld van voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën met uitzondering van de volgende overheidsopdrachten:
1° overheidsopdrachten die geplaatst zijn via een openbare of niet-openbare procedure voor leveringen en diensten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan 221.000 euro, exclusief btw;
2° overheidsopdrachten die geplaatst zijn via een openbare of niet-openbare procedure voor werken waarvan de geraamde waarde hoger is dan 750.000 euro, exclusief btw;
3° overheidsopdrachten die geplaatst zijn via een andere gunningswijze dan een openbare of een niet-openbare procedure, waarvan de geraamde waarde hoger is dan 144.000 euro, exclusief btw.
In afwijking van het eerste lid worden de volgende overheidsopdrachten ongeacht de geraamde waarde van de opdracht altijd voor advies van de Inspectie van Financiën voorgelegd:
1° de overheidsopdracht die gegund wordt via een openbare of niet-openbare procedure, met als enig gunningscriterium de prijs, waarbij de aanbestedende overheid voorstelt de opdracht niet aan de laagste inschrijver toe te wijzen;
2° elke overheidsopdracht die de raming met meer dan 20% overschrijdt.
§ 2. In de gevallen, vermeld in de eerste paragraaf, wordt aan de Inspectie van Financiën advies gevraagd over:
1° het voorwerp van de opdracht en de wettigheid van de gekozen plaatsingsprocedure;
2° het ontwerp van bestek;
3° het voorstel tot gunning;
4° alle andere wijzigingen in de lopende opdracht dan de wijzigingen, vermeld in artikel 38/1, 38/2, 38/3 38/4, 38/5, 38/9, en 38/10 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten.
§ 3. Bestellingen binnen een eigen raamovereenkomst, of andere eigen centrale aankooptechnieken worden niet voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, tenzij de Inspectie van Financiën bij het advies over de raamovereenkomst heeft aangegeven dat elke bestelling gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw, moet worden voorgelegd.
De bestellingen binnen een eigen raamovereenkomst of andere eigen centrale aankooptechnieken, vermeld in het eerste lid, gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw, waarvan het advies over de raamovereenkomst door de Inspectie van Financiën werd verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden steeds voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, tenzij die bij het advies over een eerdere bestelling of een herbeoordeling van de raamovereenkomst heeft aangegeven dat de toekomstige bestellingen hiervan worden vrijgesteld.
§ 4. Alle gemotiveerde beslissingen over de overheidsopdrachten, vermeld in artikel 4 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen over de overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, en ook de wijzigingen, vermeld in paragraaf 2, 4°, waarvoor geen verplicht advies nodig is, kunnen worden opgevraagd door de Inspectie van Financiën.
Artikel 46 Concessies voor werken en diensten zijn vrijgesteld van voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën, met uitzondering van concessies voor werken en diensten voor een bedrag gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, wordt aan de Inspectie van Financiën minstens advies gevraagd over:
1° het voorwerp van de concessie en de wettigheid van de procedure die tot de keuze van de concessiehouder leidt;
2° het ontwerp van bestek;
3° het voorstel tot gunning;
4° alle andere wijzigingen in de lopende concessie dan de wijzigingen, vermeld in de artikelen 38/1, 38/2, 38/3 38/4, 38/5, 38/9, en 38/10 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten.
Alle gemotiveerde beslissingen over de concessies, vermeld in artikel 4 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, evenals de wijzigingen, vermeld in het tweede lid, 4°, waarvoor geen verplicht advies nodig is, kunnen worden opgevraagd door de Inspectie van Financiën.
Artikel 47 Elke domeinconcessie wordt voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën als de geraamde concessievergoeding 750.000 euro, exclusief btw, bereikt.
Artikel 48 Dadingen als vermeld in artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek die niet in het kader van een overheidsopdracht worden gesloten, worden voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën als de geraamde waarde van de dading 144.000 euro, exclusief btw, bereikt.
Artikel 49 Een voorstel waarbij een waarborg wordt verleend, wordt voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën vanaf een cumulatieve waarborgverlening, per natuurlijke persoon of per rechtspersoon, vanaf 1.250.000 euro in hoofdsom.
Artikel 50 Met behoud van de toepassing van artikel 45 tot en met 49, worden overeenkomsten voorafgaand voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën als de geraamde waarde van de overeenkomst 144.000 euro, exclusief btw, bereikt.
Het eerste lid is niet van toepassing op een procedureakkoord als vermeld in artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 51 Als de Inspectie van Financiën van mening is dat niet of niet in voldoende mate voldaan is aan een of meer van de aspecten, vermeld in artikel 39, kan ze een ongunstig advies uitbrengen.
Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt als vermeld in het eerste lid, wordt het ongunstige advies gemotiveerd. De Inspectie van Financiën geeft duidelijk aan welk gecontroleerd aspect als vermeld in artikel 39, ze ongunstig adviseert.
Artikel 52 § 1. De Inspectie van Financiën brengt haar advies uit binnen een termijn van twaalf werkdagen nadat ze het verzoek heeft ontvangen om een advies te verlenen.
Een vraag om bijkomende inlichtingen schorst voormelde termijn. De schorsing wordt meegedeeld aan de adviesaanvrager.
§ 2. Op grond van gemotiveerde hoogdringendheid en na voorlegging van een volledig dossier kan de inhoudelijk bevoegde minister de termijn vermeld in paragraaf 1, eerste lid, inkorten. De termijn mag nooit minder dan vier werkdagen bedragen.
Een vraag van de Inspectie van Financiën om bijkomende inlichtingen heeft in dit geval geen schorsende werking.
§ 3. Als de Inspectie van Financiën geen advies heeft meegedeeld binnen de bovenvermelde termijnen, wordt het advies van de Inspectie van Financiën geacht gunstig te zijn.
Artikel 53 § 1. De inhoudelijk bevoegde minister kan de Inspectie van Financiën na een ongunstig advies verzoeken om haar advies te herzien.
Een herziening wordt gevraagd binnen een termijn van een maand na de dag waarop het ongunstige advies is verstrekt. Als die termijn om ernstige redenen niet haalbaar is, kan de Inspectie van Financiën binnen een maand na de dag waarop het oorspronkelijke advies is verstrekt met de inhoudelijk bevoegde minister een langere termijn afspreken om de herziening te vragen. De termijn waarin een herziening gevraagd wordt, mag nooit langer zijn dan drie maanden na de dag waarop het ongunstige advies is verstrekt.
§ 2. Een aanvraag tot herziening gaat gepaard met bijkomende informatie of een bijkomende argumentatie.
§ 3. De Inspectie van Financiën geeft haar advies binnen een termijn van vier werkdagen nadat ze de aanvraag tot herziening als vermeld in paragraaf 2 heeft ontvangen.
Dat advies is niet voor herziening vatbaar.
Als de Inspectie van Financiën geen advies heeft meegedeeld binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het advies van de Inspectie van Financiën geacht gunstig te zijn.
Artikel 54 § 1. Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt over een voorstel waarvoor het begrotingsakkoord niet vereist is conform artikel 31, § 2, kan de inhoudelijk bevoegde minister daartegen een gemotiveerd beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en hem verzoeken zijn voorstel goed te keuren. Dat beroep bevat het advies van de Inspectie van Financiën.
§ 2. Als het ongunstige advies is uitgesproken ten gevolge van de kostenefficiëntie of de budgettaire inpasbaarheid op termijn kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, het voorstel van de inhoudelijk bevoegde minister goedkeuren.
Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, geen uitspraak doet binnen een termijn van twaalf werkdagen nadat hij het gemotiveerd beroep, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, wordt hij geacht in te stemmen met het voorstel van de inhoudelijk bevoegde minister.
§ 3. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen oordeelt dat het ongunstige advies louter is uitgesproken ten gevolge van andere overwegingen, dan die vermeld in paragraaf 2, kan hij het dossier aan de Vlaamse Regering voorleggen.
§ 4. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, het ongunstig advies van de Inspectie van Financiën bevestigt, kan de inhoudelijk bevoegde minister zijn voorstel ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering.
Sectie 3. De regeringscommissaris
Artikel 55 Herverdelingen van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, vereisen een expliciete voorafgaande melding aan de regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, in de volgende gevallen:
1° de herverdeling gebeurt over inhoudelijke structuurelementen heen, behalve als de herverdeling vertrekt vanuit een thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement;
2° de herverdeling heeft betrekking op een loonkrediet dat wordt aangewend als een werkingskrediet of op een werkingskrediet dat wordt aangewend als loonkrediet;
3° de herverdeling heeft betrekking op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 56 Herverdelingen van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan vereisen een expliciete voorafgaande melding aan de regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, als de herverdeling betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 57 Aanpassingen van de begroting als vermeld in artikel 27, § 3, tweede lid, van de codex van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, moeten uitdrukkelijk voorafgaand gemeld worden aan de regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, als de aanpassing betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 58 De regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, faciliteert de totstandkoming van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019 houdende een kader voor grote projecten en programma's voor de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan.
Artikel 59 Aan de regeringscommissarissen, vermeld in artikel 54 van de codex, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, nadere regels over de rapporteringsverplichtingen opleggen.
Sectie 4. De bedrijfsrevisor
Artikel 60 Bij de aanstelling van de bedrijfsrevisor maken de Vlaamse rechtspersonen gebruik van het bestek dat de instantie die bevoegd is voor de rekeningen ter beschikking stelt.
De bedrijfsrevisor neemt ter certificering van de jaarlijkse rekening in zijn verslag de volgende elementen op:
1° de vermelding dat de rapportering al dan niet is opgesteld in overeenstemming met de ESR-verordening;
2° de vermelding dat de ESR-rapportering al dan niet op een consistente wijze aansluit bij de rekeningen;
3° de vermelding dat de regels en principes van de codex zijn nageleefd.
Naast andere aanbevelingen over vastgestelde tekortkomingen inzake organisatiebeheersing formuleert de bedrijfsrevisor in de managementletter de vastgestelde inefficiënties en inbreuken op andere regelgeving die financiële gevolgen voor de entiteit met zich hebben meegebracht of met zich zouden kunnen meebrengen.
Sectie 5. De samenwerking in het kader van single audit
Artikel 61 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie:
1° de beschrijving van het risicomanagement van de entiteit;
2° alle auditverslagen en aanbevelingsbrieven, met inbegrip van managementletters van de voorbije vijf jaar;
3° de duiding van de risico's en de aanbevelingen in het jaarlijks rapport, vermeld in artikel 37, § 4, tweede lid, van de Inspectie van Financiën van de laatste vijf jaar;
4° de verslagen van de regeringscommissaris van de laatste vijf jaar;
5° de opmerkingen van de instantie die bevoegd is voor de rekeningen van de laatste vijf jaar.
§ 2. Er wordt een permanent dossier per Vlaamse rechtspersoon opgesteld.
Het permanente dossier omvat geactualiseerde entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie.
§ 3. Entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie wordt alleen ter beschikking gesteld van de betrokken entiteit en van de controleactoren die betrokken zijn bij die entiteit.
Artikel 62 De permanente dossiers voor entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie, vermeld in artikel 61, § 2, worden bijgehouden in een centraal register.
De instantie die bevoegd is voor de rekeningen staat in voor de opzet, de organisatie en het autorisatiebeheer van het centraal register.
Het register wordt zo opgezet dat iedere betrokken entiteit of controleactor zonder kosten of aanschaf van bijzondere software, toegang heeft tot het permanente dossier van de betrokken entiteit.
Artikel 63 De controleactoren hebben toegang tot de centrale systemen die de overheidsopdrachten operationeel beheren.
Artikel 64 § 1. De controleactoren evalueren het risicomanagement dat de entiteit heeft geïnstalleerd. Ze volgen de risicoanalyse van de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid op en vullen de risicoanalyse aan.
§ 2. De controleactoren stemmen hun auditaanpak op elkaar af.
Behalve in uitzonderlijke omstandigheden die een dringende audit noodzakelijk maken, stemmen de betrokken controleactoren de jaarplanning van de geplande controlewerkzaamheden op elkaar af.
De controleactoren lichten de entiteiten tijdig in over de aanvang van een in de jaarplanning opgenomen controle. Bij belangrijke verschuivingen worden ook de andere controleactoren tijdig op de hoogte gebracht.
§ 3. De controleactoren maken maximaal gebruik van de resultaten van de audit- en controlewerkzaamheden die de andere controleactoren al hebben uitgevoerd.
Daarvoor stellen de controleactoren de resultaten van hun audit ter beschikking aan de andere betrokken controleactoren.
§ 4. Paragraaf 2 en 3 zijn niet van toepassing op de begrotings- en beheerscontrole, die uitgevoerd is in het kader van artikel 51 van de codex.
Hoofdstuk 7. De VABN
Artikel 65 De VABN wordt op de volgende wijze samengesteld:
1° de voorzitter wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, onder de leden van de adviescommissie;
2° één lid wordt aangewezen onder de personeelsleden van de instantie die bevoegd is voor begroting;
3° één lid wordt aangewezen onder de personeelsleden van de instantie die bevoegd is voor de rekeningen;
4° één lid op voordracht van het Instituut voor Nationale Rekeningen-INR;
5° een lid op voordracht van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen - CBN;
6° drie leden, één lid met respectievelijk boekhoudkundige of financiële expertise op het vlak van de Vlaamse Gemeenschap en twee leden met respectievelijk boekhoudkundige of financiële expertise op het vlak van de Vlaamse rechtspersonen, op voordracht van het Strategisch Overleg Financiën - SOFI;
7° één lid op voordracht van het Rekenhof;
8° één lid op voordracht van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren - IBR;
9° één lid, wordt aangewezen onder de inspecteurs van Financiën die geaccrediteerd zijn bij de Vlaamse Regering, op voordracht van de Inspectie van Financiën;
10° één lid op voordracht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten - IAB.
Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen door de organisaties of entiteiten, vermeld in het eerste lid.
De commissie kan het advies van experten vragen, die op verzoek van de voorzitter kunnen deelnemen aan de vergaderingen.
Artikel 66 Het secretariaat van de VABN wordt waargenomen door de instantie die bevoegd is voor de rekeningen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, wijst onder de personeelsleden van de instantie die bevoegd is voor de rekeningen een secretaris aan. De secretaris heeft geen stemrecht.
Artikel 67 De Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en de begrotingen, benoemt de leden van de VABN voor een hernieuwbare periode van zes jaar, op voorstel van de organisaties en entiteiten, vermeld in artikel 70, § 1, van de codex. Als een lid in de loop van het mandaat wordt vervangen, beëindigt het nieuwe lid het mandaat van de persoon die hij vervangt.
Het mandaat van de leden wordt beëindigd als ze de hoedanigheid verliezen op basis waarvan ze zijn aangesteld.
De leden blijven in de commissie zitten tot op het ogenblik dat ze vervangen worden.
Artikel 68 De VABN stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en de begrotingen.
Artikel 69 Tenzij de Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en de begrotingen, in zijn aanvraag uitdrukkelijk in een langere termijn heeft voorzien, worden de adviezen, vermeld in artikel 69 van de codex, verstrekt binnen een termijn van één maand na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
De adviezen, vermeld in artikel 69 van de codex, worden binnen een termijn van tien werkdagen na de totstandkoming van het advies bekendgemaakt op de website van de VABN.
Artikel 70 § 1. De presentiegelden voor de leden en experten, vermeld in artikel 65, eerste lid, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, en derde lid, bedraagt 100 euro per zitting per expert of lid, en mag op jaarbasis niet meer bedragen dan 1000 euro per expert of lid, verplaatsingskosten niet inbegrepen. De voormelde brutobedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 met als referentiejaar 2013, en worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
Het presentiegeld voor het lid, vermeld in artikel 65, eerste lid, 7°, komt toe aan het Rekenhof en niet aan het lid zelf.
De verplaatsingskosten worden terugbetaald overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.
§ 2. Aan het personeel van de Vlaamse overheid worden geen presentiegelden of verplaatsingskosten toegekend.
Hoofdstuk 8. Subsidies
Sectie 1. Bepalingen over de voorafgaande controle bij de toekenning van subsidies
Artikel 71 § 1. Subsidies, die geen toelage uitmaken en die alleen een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap worden:
1° toegekend bij ministerieel besluit, en in afwijking van artikel 43, § 2, eerste lid, 1°, slechts voor advies aan de Inspectie van Financiën voorgelegd vanaf het bedrag van 7000 euro;
2° toegekend bij besluit van de Vlaamse Regering vanaf een bedrag van 250.000 euro.
In afwijking van het eerste lid, 2°, worden subsidies, die geen toelage uitmaken en die alleen een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, en waarvan de begunstigde van de subsidie en het bedrag uitdrukkelijk vermeld zijn in dat decreet, toegekend bij ministerieel besluit.
§ 2. Voor subsidies als vermeld in artikel 34, § 1, derde lid, van de codex, is geen controle vereist op de individuele toekenningsbeslissingen.
§ 3. Voor subsidies, die geen toelage uitmaken en die een rechtsgrond hebben buiten het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en niet vallen onder de toepassing van paragraaf 2, wordt bepaald welke voorafgaande controle bij de toekenning van een subsidie vereist is.
Als op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit geen voorafgaande controles zijn opgenomen, kan de bevoegde minister bij aanvang van een begrotingsjaar een algemene adviesaanvraag indienen bij de Inspectie van Financiën waarin de budgettaire raming wordt opgenomen van de subsidies die hij van plan is te verlenen.
Als de Inspectie van Financiën de adviesaanvraag, vermeld in het tweede lid, gunstig adviseert, worden de individuele toekenningsbeslissingen niet voorgelegd voor advies.
Als de bevoegde minister in de loop van het jaar de budgettaire raming, vermeld in het tweede lid, overschrijdt, legt hij de individuele toekenningsbeslissingen die volgen opnieuw voor aan de Inspectie van Financiën.
§ 4. Als niet in een controle, als vermeld in paragraaf 3, eerste lid, is voorzien, is de procedure, vermeld in paragraaf 1, van toepassing op elke individuele toekenningsbeslissing.
Sectie 2. Bepalingen inzake de reservevorming bij subsidies
Artikel 72 § 1. Maximaal 20% van het op jaarbasis toegewezen subsidiebedrag kan worden aangewend voor de aanleg van reserves.
De totale gecumuleerde reserves kunnen maximaal 50% van het subsidiebedrag van de laatst gesubsidieerde werkingsperiode bedragen.
Na motivering kan in de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan worden afgeweken van de maximumpercentages, vermeld in het eerste en het tweede lid.
§ 2. Reserves die ten laste van subsidies aangelegd zijn conform paragraaf 1, mogen alleen worden aangewend voor de doelstelling waarvoor de initiële subsidie is toegekend.
Sectie 3. Bepalingen inzake de ex post controle na de toekenning van subsidies
Artikel 73 § 1. In de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan wordt de functionele en financiële verantwoording bepaald die de gesubsidieerde moet verschaffen over de aanwending van de subsidie.
De gevraagde verantwoording, vermeld in het eerste lid, wordt mede bepaald door:
1° De omvang van de verleende subsidie;
2° De duur van de onderliggende prestatie;
3° De wijze waarop in het verleden subsidies werden verantwoord.
§ 2. Als de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan niet in vereisten voor verantwoording heeft voorzien, gelden de bepalingen, vermeld in artikel 74.
Artikel 74 De verantwoording voor de aanwending van een subsidie omvat:
1° een functionele verantwoording waarbij wordt aangetoond dat, en eventueel in welke mate, de activiteit waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is;
2° een financiële verantwoording waarbij wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de realisatie van de activiteit waarvoor de subsidie is toegekend en welke opbrengsten de begunstigde in het kader van die activiteit heeft verworven, uit de activiteit zelf of uit andere bronnen.
De functionele en financiële verantwoording wordt ingediend uiterlijk zes maanden na de werkingsperiode waarop ze betrekking heeft of uiterlijk zes maanden nadat het project of de investering beëindigd is.
Artikel 75 De subsidieverstrekker kan zich altijd alle aanvullende gegevens laten verschaffen die nodig zijn om de verantwoorde subsidie definitief vast te stellen.
Sectie 4. Bepalingen inzake sancties en onverenigbaarheden
Artikel 76 Als de begunstigde nalaat de subsidie conform artikel 73 of 74 te verantwoorden, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor het niet-verantwoorde gedeelte. Overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de Algemenebepalingenwet, worden de eventueel al uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.
Artikel 77 Het is elk personeelslid, openbare gezagsdrager of andere persoon die belast is met een functie bij een entiteit die ressorteert onder de Vlaamse deelstaatoverheid of elke tussenpersoon als de subsidie onrechtstreeks wordt toegekend, verboden een subsidie toe te kennen of de aanwending ervan goed te keuren zodra hij daardoor persoonlijk of via een tussenpersoon in een toestand van belangenvermenging zou kunnen terechtkomen.
Als de bepalingen, vermeld in het eerste lid, niet worden nageleefd, is de beslissing tot toekenning van een subsidie nietig. Eventueel al uitgekeerde bedragen worden volledig teruggestort.
Hoofdstuk 9. Giften en prijzen
Artikel 78 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Hoofdstuk 10. Kas, schuld,waarborgen verzekeringsbeheer
Sectie 1. Kasbeheer
Artikel 79 Het centraal kasbeheer, vermeld in artikel 83, tweede lid, van de codex, gebeurt door de cashpooling van de rekeningen bij de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties. Hiertoe openen de entiteiten al hun financiële rekeningen uitsluitend bij de aangestelde kassier.
Artikel 80 De entiteiten die deelnemen aan de cashpooling behouden hun volledige financiële autonomie over hun ontvangsten en uitgaven.
De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties heeft alleen een inzagerecht in het saldo van de verschillende financiële rekeningen van de entiteiten die deelnemen aan de cashpooling.
Artikel 81 De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties beslist over de vrijgave van de toelagen, rekening houdend met de toestand van de totale cashpooling en in subsidiaire orde met de kastoestand van iedere individuele entiteit met uitsluiting van de beschikbare gelden, vermeld in artikel 2, 4°, van de codex.
Artikel 82 Het saldo van iedere financiële rekening wordt iedere avond overgeschreven naar de centrale rekening. De entiteiten krijgen bij de kassier inzage in hun effectieve stand in de cashpooling, voor de uitvoering van die overschrijving.
Artikel 83 Er gebeurt geen intrestafrekening tussen de kassier en de Vlaamse rechtspersonen.
Artikel 84 De entiteiten die deelnemen aan de cashpooling sturen een wekelijkse update van hun kasverwachtingen door voor de volgende vijf weken aan de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties in de sjabloon dat die instantie ter beschikking stelt.
Sectie 2. Schulden beleggingsbeheer
Artikel 85 De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties voert de taken, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 3, van de codex, uit.
Artikel 86 De generieke minimumdrempel aan beschikbare gelden, vermeld in artikel 86 van de codex, bedraagt 1 miljoen euro per Vlaamse rechtspersoon.
Artikel 87 In het licht van de specifieke behoeften van de zorgsector bedraagt het percentage aan te beleggen beschikbare gelden, vermeld in artikel 91 van de codex, voor het Agentschap voor Vlaamse Sociale Bescherming, vermeld in artikel 9 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, maximaal 50%.
Artikel 88 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, beslist of de uitzondering, vermeld in artikel 92, derde lid, van de codex, van toepassing is.
Sectie 3. Waarborgbeheer
Artikel 89 Elke waarborg die wordt verleend ter uitvoering van artikel 93 van de codex wordt ter kennisgeving bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
Artikel 90 Met behoud van de toepassing van de specifiek bepaalde bijdragen, kan de bijdrage, vermeld in artikel 99 van de codex, worden berekend met de volgende formule:
bijdrage = (0,225 % x IB + Σni = 0 (0,05 % x UBi))
waarbij:
1° IB = initieel gewaarborgd bedrag;
2° UBi = uitstaand gewaarborgd bedrag in jaar i na aflossing van jaar i;
3° n = aantal jaar dat de lening loopt.
De bijdrage, vermeld in het eerste lid, is verschuldigd door de lener binnen twintig dagen nadat de eerste schijf van het krediet is opgenomen, en kan in geen geval terugbetaald worden.
Bij herfinanciering als vermeld in artikel 98 van de codex is geen additionele bijdrage verschuldigd.
Sectie 4. Verzekeringsbeheer
Artikel 91 De volgende risico's worden gecentraliseerd geplaatst:
1° algemene burgerlijke aansprakelijkheid;
2° objectieve aansprakelijkheid na brand en ontploffing;
3° alle risico's brand van het patrimonium;
4° alle risico's elektronica;
5° alle risico's kunstvoorwerpen;
6° arbeidsongevallen.
Artikel 92 De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties voert de taken uit, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 5, van de codex.
Sectie 5. Rapportering
Artikel 93 Er wordt jaarlijks gerapporteerd over de financiële instrumenten en beschikbare gelden, vermeld in artikel 87 en 89 van de codex, via de verplichte rapportering conform het protocol van 17 juli 2013 tussen het Instituut voor de Nationale Rekeningen, de Federale Staat, Het Waals Gewest, Het Vlaams Gewest, Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie betreffende het doorsturen van gegevens voor het opstellen van rekeningen van overheden en voor de procedure voor buitensporige tekorten. De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties bezorgt het protocol aan de betrokken entiteiten.
De vooruitzichten over het gebruik van de beschikbare gelden, vermeld in artikel 105, eerste lid, van de codex, worden jaarlijks tegen 10 november bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties in de sjabloon dat die instantie ter beschikking stelt.
Sectie 6. Interne audit
Artikel 94 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, wordt gemachtigd om een interne auditor aan te stellen.
De auditor oefent zijn taken volledig onafhankelijk uit.
Artikel 95 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, wordt gemachtigd om de andere audittaken, vermeld in artikel 107 van de codex, toe te kennen aan de interne auditor.
Hoofdstuk 11. De Diensten met Afzonderlijk Beheer
Artikel 96 Het begrotingssaldo van het lopende jaar wordt gevormd door het verschil tussen de geboekte aanrekeningen van ontvangsten en uitgaven.
Het beginsaldo van het volgende jaar dat het over te dragen saldo van het lopende jaar is, bestaat uit:
1° het gecumuleerde saldo van de voorbije jaren;
2° het saldo van het lopende jaar;
3° een vermindering met de middelen die zijn aangewend voor de vorming of spijzing van het reservefonds.
Artikel 97 In de begroting van de Dienst met Afzonderlijk Beheer moeten alle ontvangsten en alle uitgaven worden opgenomen. Een aanwending uit het reservefonds en het overgedragen saldo worden beschouwd als ontvangsten terwijl een spijzing van het reservefonds en het over te dragen saldo worden beschouwd als uitgaven.
Artikel 98 § 1. Het saldo van het lopende jaar, verminderd met het totale bedrag van de aangegane verbintenissen die nog niet zijn vereffend, kan voor maximaal 10% worden aangewend voor de vorming of de spijzing van een reservefonds. De minister die belast is met het beheer van of het toezicht op de Dienst met Afzonderlijk Beheer, kan dat percentage aanpassen na het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
De voorafname gebeurt tot de middelen van het reservefonds 10 % bedragen van het gemiddelde van de uitgaven van de drie voorafgaande begrotingsjaren, tenzij dat bedrag wordt gewijzigd op voorstel van de minister die belast is met het beheer van of het toezicht op de Dienst met Afzonderlijk Beheer, met het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
§ 2. De aanwending uit het reservefonds en de aanwending van het gerealiseerde positieve begrotingssaldo van de Dienst met Afzonderlijk Beheer is mogelijk op basis van een aanwendingsplan dat opgemaakt wordt door de minister die belast is met het beheer van of het toezicht op de Dienst met Afzonderlijk Beheer. Het aanwendingsplan omvat ook een overzicht van de geplande spijzing van het reservefonds of het saldo en kan in voorkomend geval betrekking hebben op verschillende begrotingsjaren.
§ 3. Het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing respectievelijk het aanwendingsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Het ontwerp van begroting of van begrotingsaanpassing, opgemaakt met toepassing van artikel 6, wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, toegevoegd bij het ontwerp van uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor hij het ter goedkeuring aan het Vlaams Parlement bezorgt.
Hoofdstuk 12. Sanctiebepaling
Artikel 99 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Hoofdstuk 13. Opheffingsen wijzigingsbepalingen
Artikel 100 In artikel 11duodecies, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 1997 tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling, ingevoegd bij het besluit van 31 januari 2014, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 101 Artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007 betreffende de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (EV-ILVO), wordt opgeheven.
Artikel 102 Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2007 betreffende de begroting en de boekhouding van de strategische adviesraden, wordt opgeheven.
Artikel 103 In artikel 9, § 2, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2007 houdende de voorwaarden betreffende sociale leningen met Gewestwaarborg voor het bouwen, kopen, verbouwen of behouden van woningen, wordt de zinsnede "het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "Hoofdstuk 10, afdeling 4 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 104 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 betreffende de voorwaarden om de waarborg te verkrijgen van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, wordt de zinsnede "artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "artikel 99 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 90 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 105 In artikel 3, eerste en tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 houdende aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen, houdende aanduiding van de Vlaamse Auditinstantie voor het Europees fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en houdende oprichting van de Auditcel van de Auditautoriteit, gewijzigd bij het besluit van 10 september 2010, wordt de zinsnede "het besluit van Vlaamse Regering van 19 januari 2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak" telkens vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 6, afdeling 2, onderafdeling 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 106 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2009 betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de vreemd vermogensgarantie in het kader van het DBFM-project Brabo 1, wordt de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk IV van het decreet van 7 mei 2004" vervangen door de zinsnede Hoofdstuk 10, afdeling 4 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 107 In artikel 6, 4°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "het decreet van 7 mei 2004" vervangen door de zinsnede "Hoofdstuk 10, afdeling 4 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 108 In artikel 6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012 voor de toekenning van een facultatieve projectsubsidie aan het ARBOR-project, wordt de zinsnede "de bepalingen in artikelen 53 tot en met 57 van het Rekendecreet over de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, alsook de bepalingen in artikelen 63 tot en met 67 van hetzelfde decreet over de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 6, afdeling 3 en hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 109 In artikel 24/1, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking, ingevoegd bij het besluit van 29 november 2013, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 110 In artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies, wordt de zinsnede "kan de vorm aannemen van een algemene werkingssubsidie, een investeringssubsidie of een projectsubsidie als vermeld in artikel 56 van het decreet van 8 juli 2011" vervangen door de zinsnede "kan worden verleend voor de algemene werking, een investering of een project".
Artikel 111 Artikel 21 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Artikel 112 In artikel 42, 9°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende subsidiëring van bedrijventerreinen, wordt de zinsnede "artikel 53 tot en met 57 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 113 In artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2013 betreffende de omkadering van jonge onderzoekers, wordt de zinsnede "de bepalingen in artikelen 53 tot en met 57 van het Rekendecreet over de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan van 8 juli 2011, alsook de bepalingen in artikelen 63 tot en met 67 van hetzelfde decreet over de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 6, afdeling 3 en hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 114 In artikel 2, zevende lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, wordt de zinsnede "aan de bepalingen van het decreet houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004, meer bepaald met betrekking tot effectisering zoals bepaald in het voornoemd decreet" vervangen door de zinsnede "aan het feit dat leningen slechts kunnen worden geëffectiseerd mits de voorafgaande toestemming van de Vlaamse Regering.".
Artikel 115 In artikel 17, eerste lid en artikel 55, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2014 tot uitvoering van het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning, wordt de zinsnede "artikel 55, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" telkens vervangen door de zinsnede "art. 73, eerste lid, 2° en tweede lid van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 116 In artikel 33, derde lid en 34, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 betreffende de uitvoering van het decreet van 13 december 2013 houdende de ondersteuning van de professionele kunsten, wordt de zinsnede "artikel 11 en 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 74, eerste lid, 2° van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 117 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende controle en single audit die van toepassing is op de universiteiten, hogescholen en een aantal andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, wordt de zinsnede "artikel 4, § 2, van het decreet van 8 juli 2011" vervangen door de zinsnede "artikel 5 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 118 In artikel 7, § 4, 3°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 en de uitvoeringsbesluiten ervan" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en met het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 119 In artikel 7 van het handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 57 van het Rekendecreet" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 75 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019";
2° de zinsnede "artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 76 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 120 In artikel 18, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, wordt de zinsnede "artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "artikel 99 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 90 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 121 In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 5, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 72, § 1, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019";
2° de zinsnede "van het voormelde besluit" wordt vervangen door de zinsnede "van het besluit van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring".
Artikel 122 In artikel 42 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 houdende de erkenning en subsidiëring van milieu- en natuurverenigingen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "Artikel 5, § 3, tweede lid, van het voormelde besluit" vervangen door de zinsnede "Artikel 72, § 1, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019";
2° in het derde lid wordt de zinsnede "Artikel 7, § 1, van het voormelde besluit" vervangen door de zinsnede "Artikel 72, § 2, van het besluit, vermeld in het tweede lid,".
Artikel 123 In artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 5, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 72, § 1, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019";
2° de zinsnede "artikel 7 en 8 van het voormelde besluit" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 7 en 8 van het besluit van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring".
Artikel 124 In artikel 26, eerste lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 tot regeling van de steun voor innovatieclusters in Vlaanderen, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 125 Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen wordt opgeheven.
Artikel 126 Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Artikel 127 In artikel 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2016 houdende de financiering van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds, wordt de zinsnede "overeenkomstig de regels vastgesteld in hoofdstuk 2, afdeling 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 betreffende de begroting en de boekhouding van de Vlaamse rechtspersonen" opgeheven.
Artikel 128 In artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2016 tot regeling van de structurele financiering van partnerships van ondernemersorganisaties, gemengde kamers van koophandel en samenwerkingsverbanden met het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen met het oog op de verdere internationalisering van de Vlaamse economie, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 129 In artikel 36, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot regeling van steun aan ondernemingen voor onderzoek en ontwikkeling met een kennisintensief karakter in Vlaanderen, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 130 In artikel 37, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot regeling van steun aan ondernemingen voor ontwikkeling en innovatie in Vlaanderen, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 131 In artikel 31, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot regeling van steun aan ondernemingen voor onderzoeksprojecten voor de uitvoering van doctoraatsonderzoek of postdoctoraal onderzoek in samenwerking met onderzoeksorganisaties, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 132 In artikel 57, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2017 houdende de uitvoering van het Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017, wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 8 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 133 In artikel 35, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot regeling van steun aan consortia van ondernemingen voor onderzoek en ontwikkeling, ingebed in een ruimer samenwerkingsverband met onderzoeksorganisaties, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 134 In artikel 34, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018 tot regeling van steun aan projecten van collectief onderzoek en ontwikkeling en collectieve kennisverspreiding, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 135 In artikel 5 van het besluit van 7 september 2018 van de Vlaamse Regering houdende de instelling van een gemeenschapswaarborg in het kader van het projectspecifieke DBFM-project, wordt de zinsnede "artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "artikel 99 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 90 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Hoofdstuk 14. Opgeheven besluiten
Artikel 136 Worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 houdende vaststelling van de regelen betreffende de werking en het beheer van het Vlaams Egalisatie Rente Fonds;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2006 houdende de modaliteiten tot invoering van het centraal kasbeheer voor de Vlaamse verzelfstandigde agentschappen opgericht ingevolge het decreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 betreffende de begroting en de boekhouding van de Vlaamse rechtspersonen;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 betreffende de boekhoudregels en de aanrekeningsregels die van toepassing zijn op de Vlaamse ministeries en de diensten met afzonderlijk beheer en betreffende de controle op de vastleggingskredieten;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012 betreffende controle en single audit;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring;
8° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2016 tot oprichting van de Vlaamse adviescommissie boekhoudkundige normen van toepassing op de Vlaamse ministeries, diensten met afzonderlijk beheer en Vlaamse rechtspersonen;
9° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 betreffende de optimalisatie van het beheer van de financiële activa van de Vlaamse overheidsentiteiten.
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 137 De besluiten, vermeld in artikel 136, blijven gelden voor de rapportering, de controle en de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar 2019.
Artikel 138 Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring blijft tot 31 december 2021 van toepassing als er voor de inwerkingtreding van dit besluit naar verwezen wordt en de verwijzing niet vervangen wordt door een bepaling van dit besluit.
Artikel 139 De financiële rekeningen die moeten worden afgesloten, kunnen om functionele redenen geopend blijven tot en met 30 juni 2020.
De positieve saldi worden wekelijks en een laatste keer op 30 juni 2020 overgeschreven naar de overeenkomstige nieuwe rekening.
De negatieve saldi worden uiterlijk op 30 juni 2020 aangezuiverd.
Hoofdstuk 16. Citeertitel
Artikel 140 Dit besluit van de Vlaamse Regering wordt aangehaald als "Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019" en afgekort als "BVCO van 17 mei 2019".
Hoofdstuk 17. Inwerkingtreding
Artikel 141 De codex en dit besluit treden in werking op 1 januari 2020, met dien verstande dat werkzaamheden rond de begroting, vermeld in hoofdstuk 2, voor het begrotingsjaar 2020 gebeuren conform de regels van de codex en dit besluit.
Hoofdstuk 18. Uitvoering
Artikel 142 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder:
1° begrotingsakkoord: het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, in het kader van zijn rol bij de ex ante controle van de uitvoering van de begroting;
2° codex: de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019;
3° thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement: een inhoudelijk structuurelement dat de beleidskredieten bundelt die niet eenduidig kunnen worden toegewezen aan één specifiek structuurelement.
Hoofdstuk 2. Begroting
Sectie 1. Gemeenschappelijke bepalingen voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de meerjarenraming en de beleids- en begrotingsinformatie
Artikel 2 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bereidt de jaarlijkse indiening van de meerjarenraming van de Vlaamse deelstaatoverheid voor.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan daarvoor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid vragen om de nodige gegevens voor de opmaak of actualisering van de meerjarenraming aan te leveren, volgens de instructies en binnen de termijn die de minister bepaalt.
Artikel 3 De inhoudelijk bevoegde ministers bereiden de indiening van de beleids- en begrotingstoelichtingen voor.
De inhoudelijk bevoegde ministers, kunnen daarvoor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid vragen om beleids- en begrotingsinformatie op te stellen of te actualiseren volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, bepalen.
Onderafdeling 2. - Bepalingen over de jaarlijkse begroting
Artikel 4 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt, in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers, het ontwerp van decreet tot begrotingsopmaak of begrotingsaanpassing op.
Artikel 5 De Vlaamse Gemeenschap hanteert een geüniformiseerd begrotingsplan dat tenminste de componenten vermeld in artikel 12, eerste lid, van de codex bevat.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt het geüniformiseerde begrotingsplan, vermeld in het eerste lid, vast.
De Vlaamse rechtspersonen die werken met een artikelstructuur hanteren het geüniformiseerde begrotingsplan.
De Vlaamse rechtspersonen die geen Vlaamse rechtspersonen zijn als vermeld in het derde lid, gebruiken het stramien van het geüniformiseerde begrotingsplan voor de rapportering over hun begroting.
Sectie 2. Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse Gemeenschap
Onderafdeling 1. - Indiening en goedkeuring van de jaarlijkse begroting
Artikel 6 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, maakt in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing voor de Vlaamse Gemeenschap op, volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt.
Onderafdeling 2. - Herverdelingen
Artikel 7 Een herverdeling tussen de vastleggingskredieten van hetzelfde programma gebeurt bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Een herverdeling tussen de vastleggingskredieten over een programma heen, gebeurt in het geval, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, a), van de codex, bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Een herverdeling die vertrekt vanuit een provisioneel krediet over een programma heen, gebeurt in het geval, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, b), van de codex, bij besluit van de Vlaamse Regering.
Artikel 8 Vereffeningskredieten kunnen overeenkomstig artikel 22 van de codex binnen en over de programma's heen worden herverdeeld bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Artikel 9 Alle beslissingen tot herverdeling als vermeld in artikel 7 en 8 worden onmiddellijk nadat ze ondertekend zijn, bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor de begroting, voor bekendmaking op de website van die instantie.
Sectie 3. Specifieke bepalingen voor de begroting van de Vlaamse rechtspersonen
Artikel 10 De inhoudelijk bevoegde minister maakt voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing op, volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, voegt het ontwerp, vermeld in het eerste lid, als bijlage bij het ontwerp van uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, voor hij beide ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.
Artikel 11 Het beheersorgaan van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, maakt het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing op, volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bezorgt het ontwerp, vermeld in het eerste lid, ter kennisgeving aan het Vlaams Parlement, als bijlage bij het ontwerp van uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.
Artikel 12 Een herverdeling van vastleggings- of vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, als vermeld in artikel 27, § 3, eerste lid, van de codex, gebeurt bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
Een herverdeling van vastleggings- of vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, als vermeld in artikel 27, § 3, tweede lid, van de codex, gebeurt bij beslissing van het beheersorgaan.
Artikel 13 De aanpassing van de begroting van een Vlaamse rechtspersoon die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staat, als vermeld in artikel 27, § 3, eerste lid, van de codex, gebeurt bij besluit van de inhoudelijk bevoegde minister.
De aanpassing van de begroting van een Vlaamse rechtspersoon die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staat, als vermeld in artikel 27, § 3, tweede lid van de codex, gebeurt bij beslissing van het beheersorgaan.
Artikel 14 Alle beslissingen tot herverdeling als vermeld in artikel 12, eerste lid, of tot aanpassing van de begroting als vermeld in artikel 13, eerste lid, worden onmiddellijk nadat ze ondertekend zijn, bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor de begroting, voor bekendmaking op de website van die instantie.
Hoofdstuk 3. Boekhouding
Artikel 15 Het boekhoudplan met een basisstructuur voor de analytische component voor de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid omvat minstens de rubrieken van het algemeen rekeningenstelsel, opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit van 21 oktober 2018 tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek Economisch recht.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan het gebruik van bijkomende rekeningen of een verdere indeling van het algemeen rekeningenstelsel verplichten.
Artikel 16 De entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid streven naar een maximaal gebruik van courante boekhoudkundige technieken die de jaarafsluiting versnellen of de controle vergemakkelijken.
De technieken, vermeld in het eerste lid, omvatten onder meer:
1° het boeken van te ontvangen facturen;
2° het gebruik van overlopende rekeningen;
3° het gebruik van beste schattingen om boekingen te kunnen uitvoeren waarvoor geen definitieve cijfers voorhanden zijn;
4° de snelle maand-, en kwartaalafsluiting.
Artikel 17 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, stelt een handleiding op met een toelichting bij de boekhoudregels die van toepassing zijn op de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen.
Hij deelt die handleiding en de aanpassingen eraan jaarlijks mee aan de Vlaamse Regering.
Hoofdstuk 4. Aanrekening
Artikel 18 § 1. Alleen verrichtingen die niet binnen de Vlaamse Gemeenschap plaatsvinden, of met diensten met afzonderlijk beheer kunnen aanleiding geven tot een aanrekening op een begrotingsartikel of een vastleggings- of vereffeningskrediet.
De volgende kosten en opbrengsten leiden niet tot een aanrekening:
1° voorzieningen;
2° afschrijvingen;
3° opbrengsten of kosten als gevolg van herwaarderingen;
4° interne verrekeningen;
5° voorraadbewegingen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt het aanleggen van een voorziening voor dubieuze debiteuren aangerekend op het begrotingsartikel waarop de vordering werd geregistreerd.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 4°, wordt een toewijzing aan een reservefonds aangerekend op een vastleggings- en vereffeningskrediet en een opname uit een reservefonds aangerekend op de ontvangsten.
Artikel 19 Facturen over een boekjaar die uiterlijk op 31 december van het boekjaar ontvangen zijn, worden geboekt in het af te sluiten boekjaar en worden aangerekend op het vereffeningskrediet van datzelfde boekjaar.
Facturen over een boekjaar die na 31 december van het boekjaar ontvangen worden, worden geboekt ten opzichte van de provisie `te ontvangen facturen' van het desbetreffende jaar. Als er geen provisie `te ontvangen facturen' is aangelegd, worden ze geboekt in het volgende boekjaar en aangerekend op het vereffeningskrediet van datzelfde boekjaar.
Voor verschuldigde of gevorderde interesten en huur wordt een proratering toegepast als ze betrekking hebben op verschillende boekjaren en als het te prorateren bedrag hoger is dan 7000 euro.
Artikel 20 § 1. Subsidies worden conform artikel 34, § 1, tweede lid, van de codex voor het volledige bedrag van de aangegane verbintenis vastgelegd, tenzij de subsidie jaarlijks kan worden geëvalueerd naar aanleiding van een controle van de voorwaarden of bijgesteld naar aanleiding van begrotingsmaatregelen.
§ 2. Subsidies die inkomensoverdrachten zijn, worden aangerekend op het vereffeningskrediet van het kalenderjaar waarop de gesubsidieerde activiteiten betrekking hebben. Als een subsidie over verschillende kalenderjaren is gespreid, wordt het bedrag geprorateerd op basis van het aantal maanden waarop de gesubsidieerde activiteit betrekking heeft.
Als de jaarlijkse kosten niet vaststaan, raamt de subsidieverstrekker de prestaties op een consistente wijze.
§ 3. Subsidies die kapitaaloverdrachten zijn, worden aangerekend op het vereffeningskrediet voor het deel van de subsidie dat voor de gesubsidieerde als verworven kan worden beschouwd.
Artikel 21 Onder recurrente verbintenissen met meerjarige gevolgen als vermeld in artikel 34, § 2, van de codex, wordt onder meer verstaan:
1° wedden;
2° abonnementen;
3° huurgelden;
4° nutsuitgaven;
5° verzendingskosten;
6° onderhoudskosten.
Een recurrente verbintenis wordt in het eerste jaar vastgelegd op het moment waarop de verbintenis wordt gesloten, en vervolgens telkens in het begin van het begrotingsjaar.
Artikel 22 § 1. Ieder jaar maakt de instantie die bevoegd is voor de rekeningen of de bevoegde dienst binnen de Vlaamse rechtspersoon een lijst op van de vastleggingen die acht jaar of ouder zijn en die nog niet zijn vereffend. Ze deelt die lijst mee aan de inhoudelijk bevoegde minister.
Elke minister bezorgt voor de niet vereffende vastleggingen, vermeld in het eerste lid, die betrekking hebben op zijn beleidsdomein een aanvraag tot behoud van de vastlegging aan de Inspectie van Financiën, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 52 en 53.
De vastleggingen waarvoor de Inspectie van Financiën de voorgelegde motivering gunstig adviseert, blijven behouden.
Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt, kan de inhoudelijk bevoegde minister daartegen een beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, conform artikel 54. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, of de Vlaamse Regering het beroep inwilligt, blijft de vastlegging behouden. De andere vastleggingen worden van rechtswege geannuleerd als geen beroep wordt ingediend of het beroep wordt verworpen.
§ 2. De aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, kan onmiddellijk de einddatum van de vastlegging omvatten. Als de Inspectie van Financiën die aanvraag gunstig adviseert, moet niet jaarlijks een nieuwe aanvraag gebeuren.
Hoofdstuk 5. Rapportering
Sectie 1. Gemeenschappelijke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse rechtspersonen
Artikel 23 De rekening, vermeld in artikel 42, § 1, van de codex, met inbegrip van alle elementen waaruit ze bestaat, vermeld in artikel 42, § 1, tweede lid, van de codex, wordt opgemaakt volgens de instructies en binnen de termijn die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, bepaalt.
Artikel 24 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan instructies vaststellen om de tussentijdse of bijkomende jaarlijkse rapportering, vermeld in artikel 45 van de codex, te coördineren.
Sectie 2. Specifieke bepalingen voor de Vlaamse Gemeenschap
Artikel 25 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, maakt in samenwerking met de inhoudelijk bevoegde ministers de rekening voor de Vlaamse Gemeenschap op.
Sectie 3. Specifieke bepaling voor de Vlaamse rechtspersonen
Artikel 26 De inhoudelijk bevoegde minister maakt voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan de rekeningen, vermeld in artikel 42, § 1, van de codex op.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, voegt ze als bijlage bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap, voor hij beide ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.
Artikel 27 De beheersorganen van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, maken de rekeningen, vermeld in artikel 42, § 1, van de codex op.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, voegt de rekeningen, vermeld in het eerste lid, als bijlage bij de rekening van de Vlaamse Gemeenschap ter kennisgeving aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement.
Artikel 28 Uiterlijk op 31 maart bezorgt de inhoudelijk bevoegde minister of het beheersorgaan de rekening aan de instantie die bevoegd is voor de rekeningen. Die instantie coördineert alle rapporteringen.
Overeenkomstig artikel 43, eerste lid, van de codex bezorgt de instantie die bevoegd is voor de rekeningen de rekeningen aan het Rekenhof.
Hoofdstuk 6. Controle
Sectie 1. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Artikel 29 § 1. De aanvraag tot verlening van het begrotingsakkoord bevat:
1° het advies van de Inspectie van Financiën en, in voorkomend geval, een repliek op dat advies;
2° een transparante weergave van de budgettaire gevolgen voor het lopende begrotingsjaar en de daaropvolgende jaren, inclusief de berekening van de ESR-impact van de voorgestelde maatregelen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan een modelformulier ter beschikking stellen voor de aanvraag van het advies van de Inspectie van Financiën of van het begrotingsakkoord. Dat modelformulier wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering.
Als onvolledigheden in het dossier worden vastgesteld, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, de aanvrager verzoeken om het dossier te vervolledigen.
Een verzoek als vermeld in het derde lid schorst de termijn, vermeld in paragraaf 2, als het verzoek, vermeld in het derde lid, gebeurt binnen een termijn van zes werkdagen nadat de aanvraag van het begrotingsakkoord is ontvangen en de vervollediging gebeurt na een termijn van drie werkdagen na dat verzoek. De schorsing gaat in op de dag van het verzoek als vermeld in het derde lid. De schorsing wordt meegedeeld aan de aanvrager van het begrotingsakkoord.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, beslist over het gevraagde begrotingsakkoord binnen een termijn van twaalf werkdagen nadat hij de aanvraag van het begrotingsakkoord heeft ontvangen.
Artikel 30 Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, het begrotingsakkoord weigert, kan de inhoudelijk bevoegde minister zijn voorstel ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering.
Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijn van twaalf werkdagen, vermeld in artikel 29, § 2, kan de inhoudelijk bevoegde minister zijn voorstel uitvoeren wanneer geen beslissing van de Vlaamse Regering vereist is of ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering wanneer een beslissing van de Vlaamse Regering vereist is.
Onderafdeling 2. - Toezicht op de uitvoering van de begroting
Artikel 31 § 1. Het begrotingsakkoord is vereist voor elk voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.
Het begrotingsakkoord is ook vereist voor:
1° de overschrijding van kredieten bij noodwendige of dringende uitgaven;
2° de erkenning van vorderingen als lasten van het verleden, vermeld in artikel 53, § 2, tweede lid, 1°, van het decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995;
3° beslissingen waarbij een waarborg wordt verleend voor een gecumuleerd bedrag van meer dan 5.000.000 euro per natuurlijke persoon of per rechtspersoon;
4° de verwerving van onroerende goederen voor een bedrag van meer dan 750.000 euro.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is het begrotingsakkoord niet vereist in de volgende gevallen:
1° als met toepassing van artikel 43, § 3, geen advies van de Inspectie van Financiën vereist is;
2° als de Inspectie van Financiën in haar advies vaststelt dat noch de uitgaven noch de ontvangsten worden beïnvloed;
3° voor standpuntbepalingen in het kader van de institutionele samenwerking tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten, in geval van een gunstig advies van de Inspectie van Financiën;
4° als subsidies, die geen toelage uitmaken en die alleen een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap als vermeld in artikel 71, § 1, eerste lid, 2°, een gunstig advies hebben gekregen van de Inspectie van Financiën, behalve als de toekenning van de subsidie verbonden is aan de goedkeuring van een overeenkomst met meerjarige gevolgen.
§ 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, kan, in afwijking van paragraaf 1, voor bepaalde aangelegenheden beslissen dat het begrotingsakkoord niet meer vereist is na het gunstige advies van de Inspectie van Financiën.
Onderafdeling 3. - Toezicht op de herverdelingen of aanpassingen van de begroting
Artikel 32 Het begrotingsakkoord is vereist voor de herverdeling tussen de vastleggingskredieten van hetzelfde programma binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap in de volgende gevallen:
1° de herverdeling gebeurt over inhoudelijke structuurelementen heen, behalve als de herverdeling vertrekt vanuit een thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement;
2° de herverdeling heeft betrekking op een loonkrediet dat wordt gebruikt als een werkingskrediet of op een werkingskrediet dat wordt gebruikt als een loonkrediet;
3° de herverdeling heeft betrekking op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Het begrotingsakkoord is vereist voor de herverdeling tussen de vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap over een programma heen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, van de codex.
Artikel 33 Het begrotingsakkoord is vereist als de herverdeling van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 34 Het begrotingsakkoord is vereist voor herverdelingen van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan in de volgende gevallen:
1° de herverdeling gebeurt over inhoudelijke structuurelementen heen, behalve als de herverdeling vertrekt vanuit een thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement;
2° de herverdeling heeft betrekking op een loonkrediet dat wordt gebruikt als een werkingskrediet of op een werkingskrediet dat wordt gebruikt als een loonkrediet;
3° de herverdeling heeft betrekking op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 35 Het begrotingsakkoord is vereist voor herverdelingen van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan als de herverdeling betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 36 Het begrotingsakkoord is vereist voor aanpassingen van de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan als vermeld in artikel 27, § 3, eerste lid, van de codex, als de aanpassing betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Sectie 2. De Inspectie van Financiën
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Artikel 37 § 1. De beleidscoördinator, vermeld in artikel 52, § 2, van de codex, wordt verkozen door de leden van de Inspectie van Financiën die ter beschikking worden gesteld van de Vlaamse Regering. Voormelde leden dragen de beleidscoördinator voor na interne verkiezingen waaraan enkel de leden die in dienstactiviteit zijn, kunnen deelnemen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, bepaalt de procedure voor de stemming en de aanstelling. Hij deelt die procedures en de aanpassingen eraan, en het resultaat van de stemming mee aan de Vlaamse Regering.
De beleidscoördinator ontvangt voor het uitoefenen van zijn bijkomende taak als beleidscoördinator als vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex een vergoeding van 7000 euro per jaar.
De vergoeding, vermeld in het derde lid, is gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 met als referentiejaar 2013, en wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
§ 2. Voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 52, § 2, derde lid, van de codex behartigt de beleidscoördinator, vermeld in dezelfde paragraaf van de codex, minstens de volgende taken:
1° de opmaak van een jaarplanning en jaarverslag, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex;
2° de generieke kwaliteitsborging, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex, van de uitgaande stukken van de leden van de Inspectie van Financiën;
3° de opmaak van een jaarlijks plan over de kwaliteitsborging, vermeld in punt 2°, dat minstens betrekking heeft op de opbouw van de adviezen en de gevallen waarin een advies moet worden gegeven zonder dat hierbij afbreuk kan worden gedaan aan artikel 22, artikel 42 tot en met artikel 50 en artikel 71;
4° het bewaken van de naleving van de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex;
5° de communicatie en vertegenwoordiging van de Inspectie van Financiën op externe fora;
6° de organisatie van de administratieve en logistieke ondersteuning in samenspraak met de bevoegde instantie;
7° het bewaken van de middelen die voor de Inspectie van Financiën in de uitgavenbegroting zijn ingeschreven in samenspraak met de bevoegde instantie;
8° de coördinatie van de adviesaanvragen die betrekking hebben op meerdere beleidsdomeinen;
9° de organisatie en opvolging van het intern stafoverleg met het oog op de performante werking van de Inspectie van Financiën en de opvolging van horizontale thema's;
10° de organisatie en opvolging van hun personeelsmanagement in samenspraak met de bevoegde instantie;
11° de organisatie en opvolging van beleidsdomein- of beleidsveldspecifiek overleg met de Inspectie van Financiën.
§ 3. De jaarplanning, vermeld in paragraaf 2, 1°, bevat voor het betrokken jaar:
1° een overzicht van de overheidsbrede en bijzondere analyses en evaluaties, vermeld in artikel 52, § 1, tweede lid, van de codex;
2° een overzicht van de analyses in het kader van de opvolging van overheidsopdrachten;
3° een raming van de personeelsinzet, de benodigde middelen en de vereiste tijd van elke opdracht.
§ 4. De beleidscoördinator rapporteert jaarlijks aan de Vlaamse Regering, over de uitvoering van de jaarplanning, over de uitvoering van het plan aangaande de generieke kwaliteitsborging en over de naleving van de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex.
Het jaarlijks rapport bevat ook duiding van de risico's die waargenomen zijn bij het uitvoeren van haar taken en de algemene aanbevelingen tot remediëring van die risico's.
De Inspectie van Financiën bewaakt de juistheid van haar vaststellingen bij het uitvoeren van de analyses en evaluaties, vermeld in paragraaf 3, 1° en 2°. Hiertoe organiseert zij overlegmomenten met de inhoudelijk bevoegde minister waarin die vaststellingen worden besproken, aangevuld met de mogelijkheid voor de inhoudelijk bevoegde minister om op korte termijn te antwoorden.
§ 5. Een inbreuk op de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex, wordt bij de vaststelling ervan gerapporteerd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen. Hierbij mag op generlei wijze afbreuk gedaan worden aan de federale bevoegdheden inzake de naleving van de deontologische code, vermeld in artikel 52, § 2, tweede lid, van de codex.
Artikel 38 Na raadpleging van de beleidscoördinator, vermeld in artikel 52, § 2, van de codex, wijst de Vlaamse Regering aan elke inspecteur van Financiën een bepaalde beleidssector toe.
Op voorstel van de beleidscoördinator kan de Vlaamse Regering beslissen een inspecteur van Financiën die deel uitmaakt van de ter beschikking gestelde leden tijdelijk te ontheffen van de opvolging van de hem toegewezen beleidssector om hem te belasten met andere taken, zonder dat de taken die zijn toegewezen overeenkomstig artikel 51 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het gedrang mogen komen.
Artikel 39 Binnen het kader van de algemene doelstellingen van de Vlaamse Regering behandelen de adviezen van de Inspectie van Financiën uitsluitend de wettigheid, de regelmatigheid, de doelmatigheid, de kostenefficiëntie en de budgettaire inpasbaarheid op termijn.
Artikel 40 Binnen de groep van ter beschikking gestelde inspecteurs van Financiën kan de Vlaamse Regering voor maximaal anderhalve voltijdsequivalent inspecteurs van Financiën nominatim aanwijzen om de rol van Vlaamse Auditautoriteit inzake Europese Structuurfondsen op te nemen.
Onderafdeling 2. - Analyses, evaluaties en audits
Artikel 41 De Inspectie van Financiën kan op eigen initiatief of op aanvraag van de inhoudelijk bevoegde minister of de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen en nadat de inhoudelijk bevoegde minister geïnformeerd werd:
1° de analyses en evaluaties, vermeld in artikel 37, § 3, 1° en 2°, opzetten;
2° onderzoek verrichten over elke aangelegenheid die de doelmatigheid van de besteding van de begrotingskredieten kan beïnvloeden;
3° een audit uitvoeren bij elke instelling die door de Vlaamse deelstaatoverheid gesubsidieerd wordt;
4° de totstandkoming van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019 houdende een kader voor grote projecten en programma's, faciliteren voor de Vlaamse rechtspersonen die onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan.
De Inspectie van Financiën voert de audit, vermeld in het eerste lid, 3°, uit in samenwerking met de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap of met ondersteuning van externe deskundigen. Ze behoudt de eindverantwoordelijkheid van de audit.
De Inspectie van Financiën deelt de auditaanpak en het auditverslag aan de andere controleactoren mee, op voorwaarde dat de inhoudelijk bevoegde minister, de minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, of de Vlaamse Regering daarover geen andere beslissing neemt.
Onderafdeling 3. - Voorbereiding en bijsturing van de begroting
Artikel 42 De Inspectie van Financiën wordt betrokken bij de opstelling en de bijsturing van de jaarlijkse begroting. Ze verleent hiertoe een advies bij de door de inhoudelijk bevoegde minister ingediende voorstellen.
Onderafdeling 4. - Toezicht op de uitvoering van de begroting
Artikel 43 § 1. Het voorafgaande advies van de Inspectie van Financiën is verplicht voor ieder voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.
§ 2. Het voorafgaande advies van de Inspectie van Financiën is eveneens verplicht voor:
1° elk ontwerp van reglementair ministerieel besluit of van omzendbrief met een budgettaire weerslag;
2° voorstellen, met inbegrip van herverdelingen en aanpassingen van de begroting, die het begrotingsakkoord vereisen;
3° ontwerpen van reorganisatie- en personeelsplannen en het eerste ondernemingsplan van een regeerperiode;
4° leningen en uitgifte van kredieten, en het aangaan van participaties, vanaf een bedrag groter dan 7000 euro, behalve als dat gebeurt ter uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst die al voor advies werd voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, of voor elke verrichting van financieel beheer in het algemeen belang die uitdrukkelijk gedelegeerd is aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
Het ondernemingsplan voor het lopende kalenderjaar, dat niet het eerste ondernemingsplan van een regeerperiode is, wordt ter kennisgeving voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 moeten de volgende voorstellen van beslissing niet voor advies worden voorgelegd:
1° beslissingen over de aanwijzing, voordracht, benoeming of bevordering van personen, alsook beslissingen over het verder in dienst houden van een ambtenaar na het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt;
2° beslissingen over de evaluatie van topambtenaren;
3° ontwerpen van of wijzigingen aan ruimtelijke beleids- en uitvoeringsplannen;
4° beslissingen op krachtlijnen die voorafgaan aan een definitieve beslissing, zoals goedkeuring van conceptnota's, visienota's, groen- of witboeken, op voorwaarde dat die beslissingen uitdrukkelijk vermelden dat ze nog geen enkel financieel of budgettair engagement inhouden;
5° beslissingen tot indiening van een beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof;
6° besluiten houdende de toekenning van een toelage.
Artikel 44 Onder voorbehoud van andere afspraken die vastgelegd zijn met de Inspectie van Financiën in een protocol met de inhoudelijk bevoegde minister, zijn artikel 45 tot en met 50 van toepassing.
Artikel 45 § 1. Overheidsopdrachten zijn vrijgesteld van voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën met uitzondering van de volgende overheidsopdrachten:
1° overheidsopdrachten die geplaatst zijn via een openbare of niet-openbare procedure voor leveringen en diensten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan 221.000 euro, exclusief btw;
2° overheidsopdrachten die geplaatst zijn via een openbare of niet-openbare procedure voor werken waarvan de geraamde waarde hoger is dan 750.000 euro, exclusief btw;
3° overheidsopdrachten die geplaatst zijn via een andere gunningswijze dan een openbare of een niet-openbare procedure, waarvan de geraamde waarde hoger is dan 144.000 euro, exclusief btw.
In afwijking van het eerste lid worden de volgende overheidsopdrachten ongeacht de geraamde waarde van de opdracht altijd voor advies van de Inspectie van Financiën voorgelegd:
1° de overheidsopdracht die gegund wordt via een openbare of niet-openbare procedure, met als enig gunningscriterium de prijs, waarbij de aanbestedende overheid voorstelt de opdracht niet aan de laagste inschrijver toe te wijzen;
2° elke overheidsopdracht die de raming met meer dan 20% overschrijdt.
§ 2. In de gevallen, vermeld in de eerste paragraaf, wordt aan de Inspectie van Financiën advies gevraagd over:
1° het voorwerp van de opdracht en de wettigheid van de gekozen plaatsingsprocedure;
2° het ontwerp van bestek;
3° het voorstel tot gunning;
4° alle andere wijzigingen in de lopende opdracht dan de wijzigingen, vermeld in artikel 38/1, 38/2, 38/3 38/4, 38/5, 38/9, en 38/10 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten.
§ 3. Bestellingen binnen een eigen raamovereenkomst, of andere eigen centrale aankooptechnieken worden niet voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, tenzij de Inspectie van Financiën bij het advies over de raamovereenkomst heeft aangegeven dat elke bestelling gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw, moet worden voorgelegd.
De bestellingen binnen een eigen raamovereenkomst of andere eigen centrale aankooptechnieken, vermeld in het eerste lid, gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw, waarvan het advies over de raamovereenkomst door de Inspectie van Financiën werd verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden steeds voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, tenzij die bij het advies over een eerdere bestelling of een herbeoordeling van de raamovereenkomst heeft aangegeven dat de toekomstige bestellingen hiervan worden vrijgesteld.
§ 4. Alle gemotiveerde beslissingen over de overheidsopdrachten, vermeld in artikel 4 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen over de overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, en ook de wijzigingen, vermeld in paragraaf 2, 4°, waarvoor geen verplicht advies nodig is, kunnen worden opgevraagd door de Inspectie van Financiën.
Artikel 46 Concessies voor werken en diensten zijn vrijgesteld van voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën, met uitzondering van concessies voor werken en diensten voor een bedrag gelijk aan of hoger dan 144.000 euro, exclusief btw.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, wordt aan de Inspectie van Financiën minstens advies gevraagd over:
1° het voorwerp van de concessie en de wettigheid van de procedure die tot de keuze van de concessiehouder leidt;
2° het ontwerp van bestek;
3° het voorstel tot gunning;
4° alle andere wijzigingen in de lopende concessie dan de wijzigingen, vermeld in de artikelen 38/1, 38/2, 38/3 38/4, 38/5, 38/9, en 38/10 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten.
Alle gemotiveerde beslissingen over de concessies, vermeld in artikel 4 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, evenals de wijzigingen, vermeld in het tweede lid, 4°, waarvoor geen verplicht advies nodig is, kunnen worden opgevraagd door de Inspectie van Financiën.
Artikel 47 Elke domeinconcessie wordt voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën als de geraamde concessievergoeding 750.000 euro, exclusief btw, bereikt.
Artikel 48 Dadingen als vermeld in artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek die niet in het kader van een overheidsopdracht worden gesloten, worden voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën als de geraamde waarde van de dading 144.000 euro, exclusief btw, bereikt.
Artikel 49 Een voorstel waarbij een waarborg wordt verleend, wordt voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën vanaf een cumulatieve waarborgverlening, per natuurlijke persoon of per rechtspersoon, vanaf 1.250.000 euro in hoofdsom.
Artikel 50 Met behoud van de toepassing van artikel 45 tot en met 49, worden overeenkomsten voorafgaand voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën als de geraamde waarde van de overeenkomst 144.000 euro, exclusief btw, bereikt.
Het eerste lid is niet van toepassing op een procedureakkoord als vermeld in artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 51 Als de Inspectie van Financiën van mening is dat niet of niet in voldoende mate voldaan is aan een of meer van de aspecten, vermeld in artikel 39, kan ze een ongunstig advies uitbrengen.
Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt als vermeld in het eerste lid, wordt het ongunstige advies gemotiveerd. De Inspectie van Financiën geeft duidelijk aan welk gecontroleerd aspect als vermeld in artikel 39, ze ongunstig adviseert.
Artikel 52 § 1. De Inspectie van Financiën brengt haar advies uit binnen een termijn van twaalf werkdagen nadat ze het verzoek heeft ontvangen om een advies te verlenen.
Een vraag om bijkomende inlichtingen schorst voormelde termijn. De schorsing wordt meegedeeld aan de adviesaanvrager.
§ 2. Op grond van gemotiveerde hoogdringendheid en na voorlegging van een volledig dossier kan de inhoudelijk bevoegde minister de termijn vermeld in paragraaf 1, eerste lid, inkorten. De termijn mag nooit minder dan vier werkdagen bedragen.
Een vraag van de Inspectie van Financiën om bijkomende inlichtingen heeft in dit geval geen schorsende werking.
§ 3. Als de Inspectie van Financiën geen advies heeft meegedeeld binnen de bovenvermelde termijnen, wordt het advies van de Inspectie van Financiën geacht gunstig te zijn.
Artikel 53 § 1. De inhoudelijk bevoegde minister kan de Inspectie van Financiën na een ongunstig advies verzoeken om haar advies te herzien.
Een herziening wordt gevraagd binnen een termijn van een maand na de dag waarop het ongunstige advies is verstrekt. Als die termijn om ernstige redenen niet haalbaar is, kan de Inspectie van Financiën binnen een maand na de dag waarop het oorspronkelijke advies is verstrekt met de inhoudelijk bevoegde minister een langere termijn afspreken om de herziening te vragen. De termijn waarin een herziening gevraagd wordt, mag nooit langer zijn dan drie maanden na de dag waarop het ongunstige advies is verstrekt.
§ 2. Een aanvraag tot herziening gaat gepaard met bijkomende informatie of een bijkomende argumentatie.
§ 3. De Inspectie van Financiën geeft haar advies binnen een termijn van vier werkdagen nadat ze de aanvraag tot herziening als vermeld in paragraaf 2 heeft ontvangen.
Dat advies is niet voor herziening vatbaar.
Als de Inspectie van Financiën geen advies heeft meegedeeld binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het advies van de Inspectie van Financiën geacht gunstig te zijn.
Artikel 54 § 1. Als de Inspectie van Financiën een ongunstig advies uitbrengt over een voorstel waarvoor het begrotingsakkoord niet vereist is conform artikel 31, § 2, kan de inhoudelijk bevoegde minister daartegen een gemotiveerd beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, en hem verzoeken zijn voorstel goed te keuren. Dat beroep bevat het advies van de Inspectie van Financiën.
§ 2. Als het ongunstige advies is uitgesproken ten gevolge van de kostenefficiëntie of de budgettaire inpasbaarheid op termijn kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, het voorstel van de inhoudelijk bevoegde minister goedkeuren.
Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, geen uitspraak doet binnen een termijn van twaalf werkdagen nadat hij het gemotiveerd beroep, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, wordt hij geacht in te stemmen met het voorstel van de inhoudelijk bevoegde minister.
§ 3. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen oordeelt dat het ongunstige advies louter is uitgesproken ten gevolge van andere overwegingen, dan die vermeld in paragraaf 2, kan hij het dossier aan de Vlaamse Regering voorleggen.
§ 4. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, het ongunstig advies van de Inspectie van Financiën bevestigt, kan de inhoudelijk bevoegde minister zijn voorstel ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering.
Sectie 3. De regeringscommissaris
Artikel 55 Herverdelingen van vastleggingskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, vereisen een expliciete voorafgaande melding aan de regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, in de volgende gevallen:
1° de herverdeling gebeurt over inhoudelijke structuurelementen heen, behalve als de herverdeling vertrekt vanuit een thema-overschrijdend inhoudelijk structuurelement;
2° de herverdeling heeft betrekking op een loonkrediet dat wordt aangewend als een werkingskrediet of op een werkingskrediet dat wordt aangewend als loonkrediet;
3° de herverdeling heeft betrekking op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 56 Herverdelingen van vereffeningskredieten binnen de begroting van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan vereisen een expliciete voorafgaande melding aan de regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, als de herverdeling betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 57 Aanpassingen van de begroting als vermeld in artikel 27, § 3, tweede lid, van de codex van de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan, moeten uitdrukkelijk voorafgaand gemeld worden aan de regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, als de aanpassing betrekking heeft op kredietverleningen, deelnemingen, de aflossing van overheidsschuld, het over te dragen saldo en de spijzing van het reservefonds.
Artikel 58 De regeringscommissaris, vermeld in artikel 54 van de codex, faciliteert de totstandkoming van het zelfevaluatierapport en de zelfevaluatie, vermeld in artikel 8 van het decreet van 22 maart 2019 houdende een kader voor grote projecten en programma's voor de Vlaamse rechtspersonen die niet onder het rechtstreekse gezag van de Vlaamse Regering staan.
Artikel 59 Aan de regeringscommissarissen, vermeld in artikel 54 van de codex, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, nadere regels over de rapporteringsverplichtingen opleggen.
Sectie 4. De bedrijfsrevisor
Artikel 60 Bij de aanstelling van de bedrijfsrevisor maken de Vlaamse rechtspersonen gebruik van het bestek dat de instantie die bevoegd is voor de rekeningen ter beschikking stelt.
De bedrijfsrevisor neemt ter certificering van de jaarlijkse rekening in zijn verslag de volgende elementen op:
1° de vermelding dat de rapportering al dan niet is opgesteld in overeenstemming met de ESR-verordening;
2° de vermelding dat de ESR-rapportering al dan niet op een consistente wijze aansluit bij de rekeningen;
3° de vermelding dat de regels en principes van de codex zijn nageleefd.
Naast andere aanbevelingen over vastgestelde tekortkomingen inzake organisatiebeheersing formuleert de bedrijfsrevisor in de managementletter de vastgestelde inefficiënties en inbreuken op andere regelgeving die financiële gevolgen voor de entiteit met zich hebben meegebracht of met zich zouden kunnen meebrengen.
Sectie 5. De samenwerking in het kader van single audit
Artikel 61 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie:
1° de beschrijving van het risicomanagement van de entiteit;
2° alle auditverslagen en aanbevelingsbrieven, met inbegrip van managementletters van de voorbije vijf jaar;
3° de duiding van de risico's en de aanbevelingen in het jaarlijks rapport, vermeld in artikel 37, § 4, tweede lid, van de Inspectie van Financiën van de laatste vijf jaar;
4° de verslagen van de regeringscommissaris van de laatste vijf jaar;
5° de opmerkingen van de instantie die bevoegd is voor de rekeningen van de laatste vijf jaar.
§ 2. Er wordt een permanent dossier per Vlaamse rechtspersoon opgesteld.
Het permanente dossier omvat geactualiseerde entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie.
§ 3. Entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie wordt alleen ter beschikking gesteld van de betrokken entiteit en van de controleactoren die betrokken zijn bij die entiteit.
Artikel 62 De permanente dossiers voor entiteitgevoelige en vertrouwelijke informatie, vermeld in artikel 61, § 2, worden bijgehouden in een centraal register.
De instantie die bevoegd is voor de rekeningen staat in voor de opzet, de organisatie en het autorisatiebeheer van het centraal register.
Het register wordt zo opgezet dat iedere betrokken entiteit of controleactor zonder kosten of aanschaf van bijzondere software, toegang heeft tot het permanente dossier van de betrokken entiteit.
Artikel 63 De controleactoren hebben toegang tot de centrale systemen die de overheidsopdrachten operationeel beheren.
Artikel 64 § 1. De controleactoren evalueren het risicomanagement dat de entiteit heeft geïnstalleerd. Ze volgen de risicoanalyse van de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid op en vullen de risicoanalyse aan.
§ 2. De controleactoren stemmen hun auditaanpak op elkaar af.
Behalve in uitzonderlijke omstandigheden die een dringende audit noodzakelijk maken, stemmen de betrokken controleactoren de jaarplanning van de geplande controlewerkzaamheden op elkaar af.
De controleactoren lichten de entiteiten tijdig in over de aanvang van een in de jaarplanning opgenomen controle. Bij belangrijke verschuivingen worden ook de andere controleactoren tijdig op de hoogte gebracht.
§ 3. De controleactoren maken maximaal gebruik van de resultaten van de audit- en controlewerkzaamheden die de andere controleactoren al hebben uitgevoerd.
Daarvoor stellen de controleactoren de resultaten van hun audit ter beschikking aan de andere betrokken controleactoren.
§ 4. Paragraaf 2 en 3 zijn niet van toepassing op de begrotings- en beheerscontrole, die uitgevoerd is in het kader van artikel 51 van de codex.
Hoofdstuk 7. De VABN
Artikel 65 De VABN wordt op de volgende wijze samengesteld:
1° de voorzitter wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, onder de leden van de adviescommissie;
2° één lid wordt aangewezen onder de personeelsleden van de instantie die bevoegd is voor begroting;
3° één lid wordt aangewezen onder de personeelsleden van de instantie die bevoegd is voor de rekeningen;
4° één lid op voordracht van het Instituut voor Nationale Rekeningen-INR;
5° een lid op voordracht van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen - CBN;
6° drie leden, één lid met respectievelijk boekhoudkundige of financiële expertise op het vlak van de Vlaamse Gemeenschap en twee leden met respectievelijk boekhoudkundige of financiële expertise op het vlak van de Vlaamse rechtspersonen, op voordracht van het Strategisch Overleg Financiën - SOFI;
7° één lid op voordracht van het Rekenhof;
8° één lid op voordracht van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren - IBR;
9° één lid, wordt aangewezen onder de inspecteurs van Financiën die geaccrediteerd zijn bij de Vlaamse Regering, op voordracht van de Inspectie van Financiën;
10° één lid op voordracht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten - IAB.
Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen door de organisaties of entiteiten, vermeld in het eerste lid.
De commissie kan het advies van experten vragen, die op verzoek van de voorzitter kunnen deelnemen aan de vergaderingen.
Artikel 66 Het secretariaat van de VABN wordt waargenomen door de instantie die bevoegd is voor de rekeningen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, wijst onder de personeelsleden van de instantie die bevoegd is voor de rekeningen een secretaris aan. De secretaris heeft geen stemrecht.
Artikel 67 De Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en de begrotingen, benoemt de leden van de VABN voor een hernieuwbare periode van zes jaar, op voorstel van de organisaties en entiteiten, vermeld in artikel 70, § 1, van de codex. Als een lid in de loop van het mandaat wordt vervangen, beëindigt het nieuwe lid het mandaat van de persoon die hij vervangt.
Het mandaat van de leden wordt beëindigd als ze de hoedanigheid verliezen op basis waarvan ze zijn aangesteld.
De leden blijven in de commissie zitten tot op het ogenblik dat ze vervangen worden.
Artikel 68 De VABN stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en de begrotingen.
Artikel 69 Tenzij de Vlaamse minister, bevoegd voor financiën en de begrotingen, in zijn aanvraag uitdrukkelijk in een langere termijn heeft voorzien, worden de adviezen, vermeld in artikel 69 van de codex, verstrekt binnen een termijn van één maand na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
De adviezen, vermeld in artikel 69 van de codex, worden binnen een termijn van tien werkdagen na de totstandkoming van het advies bekendgemaakt op de website van de VABN.
Artikel 70 § 1. De presentiegelden voor de leden en experten, vermeld in artikel 65, eerste lid, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, en derde lid, bedraagt 100 euro per zitting per expert of lid, en mag op jaarbasis niet meer bedragen dan 1000 euro per expert of lid, verplaatsingskosten niet inbegrepen. De voormelde brutobedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 met als referentiejaar 2013, en worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
Het presentiegeld voor het lid, vermeld in artikel 65, eerste lid, 7°, komt toe aan het Rekenhof en niet aan het lid zelf.
De verplaatsingskosten worden terugbetaald overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.
§ 2. Aan het personeel van de Vlaamse overheid worden geen presentiegelden of verplaatsingskosten toegekend.
Hoofdstuk 8. Subsidies
Sectie 1. Bepalingen over de voorafgaande controle bij de toekenning van subsidies
Artikel 71 § 1. Subsidies, die geen toelage uitmaken en die alleen een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap worden:
1° toegekend bij ministerieel besluit, en in afwijking van artikel 43, § 2, eerste lid, 1°, slechts voor advies aan de Inspectie van Financiën voorgelegd vanaf het bedrag van 7000 euro;
2° toegekend bij besluit van de Vlaamse Regering vanaf een bedrag van 250.000 euro.
In afwijking van het eerste lid, 2°, worden subsidies, die geen toelage uitmaken en die alleen een rechtsgrond hebben in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, en waarvan de begunstigde van de subsidie en het bedrag uitdrukkelijk vermeld zijn in dat decreet, toegekend bij ministerieel besluit.
§ 2. Voor subsidies als vermeld in artikel 34, § 1, derde lid, van de codex, is geen controle vereist op de individuele toekenningsbeslissingen.
§ 3. Voor subsidies, die geen toelage uitmaken en die een rechtsgrond hebben buiten het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en niet vallen onder de toepassing van paragraaf 2, wordt bepaald welke voorafgaande controle bij de toekenning van een subsidie vereist is.
Als op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit geen voorafgaande controles zijn opgenomen, kan de bevoegde minister bij aanvang van een begrotingsjaar een algemene adviesaanvraag indienen bij de Inspectie van Financiën waarin de budgettaire raming wordt opgenomen van de subsidies die hij van plan is te verlenen.
Als de Inspectie van Financiën de adviesaanvraag, vermeld in het tweede lid, gunstig adviseert, worden de individuele toekenningsbeslissingen niet voorgelegd voor advies.
Als de bevoegde minister in de loop van het jaar de budgettaire raming, vermeld in het tweede lid, overschrijdt, legt hij de individuele toekenningsbeslissingen die volgen opnieuw voor aan de Inspectie van Financiën.
§ 4. Als niet in een controle, als vermeld in paragraaf 3, eerste lid, is voorzien, is de procedure, vermeld in paragraaf 1, van toepassing op elke individuele toekenningsbeslissing.
Sectie 2. Bepalingen inzake de reservevorming bij subsidies
Artikel 72 § 1. Maximaal 20% van het op jaarbasis toegewezen subsidiebedrag kan worden aangewend voor de aanleg van reserves.
De totale gecumuleerde reserves kunnen maximaal 50% van het subsidiebedrag van de laatst gesubsidieerde werkingsperiode bedragen.
Na motivering kan in de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan worden afgeweken van de maximumpercentages, vermeld in het eerste en het tweede lid.
§ 2. Reserves die ten laste van subsidies aangelegd zijn conform paragraaf 1, mogen alleen worden aangewend voor de doelstelling waarvoor de initiële subsidie is toegekend.
Sectie 3. Bepalingen inzake de ex post controle na de toekenning van subsidies
Artikel 73 § 1. In de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan wordt de functionele en financiële verantwoording bepaald die de gesubsidieerde moet verschaffen over de aanwending van de subsidie.
De gevraagde verantwoording, vermeld in het eerste lid, wordt mede bepaald door:
1° De omvang van de verleende subsidie;
2° De duur van de onderliggende prestatie;
3° De wijze waarop in het verleden subsidies werden verantwoord.
§ 2. Als de subsidiebeslissing of de rechtsgrond ervan niet in vereisten voor verantwoording heeft voorzien, gelden de bepalingen, vermeld in artikel 74.
Artikel 74 De verantwoording voor de aanwending van een subsidie omvat:
1° een functionele verantwoording waarbij wordt aangetoond dat, en eventueel in welke mate, de activiteit waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is;
2° een financiële verantwoording waarbij wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de realisatie van de activiteit waarvoor de subsidie is toegekend en welke opbrengsten de begunstigde in het kader van die activiteit heeft verworven, uit de activiteit zelf of uit andere bronnen.
De functionele en financiële verantwoording wordt ingediend uiterlijk zes maanden na de werkingsperiode waarop ze betrekking heeft of uiterlijk zes maanden nadat het project of de investering beëindigd is.
Artikel 75 De subsidieverstrekker kan zich altijd alle aanvullende gegevens laten verschaffen die nodig zijn om de verantwoorde subsidie definitief vast te stellen.
Sectie 4. Bepalingen inzake sancties en onverenigbaarheden
Artikel 76 Als de begunstigde nalaat de subsidie conform artikel 73 of 74 te verantwoorden, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor het niet-verantwoorde gedeelte. Overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de Algemenebepalingenwet, worden de eventueel al uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.
Artikel 77 Het is elk personeelslid, openbare gezagsdrager of andere persoon die belast is met een functie bij een entiteit die ressorteert onder de Vlaamse deelstaatoverheid of elke tussenpersoon als de subsidie onrechtstreeks wordt toegekend, verboden een subsidie toe te kennen of de aanwending ervan goed te keuren zodra hij daardoor persoonlijk of via een tussenpersoon in een toestand van belangenvermenging zou kunnen terechtkomen.
Als de bepalingen, vermeld in het eerste lid, niet worden nageleefd, is de beslissing tot toekenning van een subsidie nietig. Eventueel al uitgekeerde bedragen worden volledig teruggestort.
Hoofdstuk 9. Giften en prijzen
Artikel 78 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Hoofdstuk 10. Kas, schuld,waarborgen verzekeringsbeheer
Sectie 1. Kasbeheer
Artikel 79 Het centraal kasbeheer, vermeld in artikel 83, tweede lid, van de codex, gebeurt door de cashpooling van de rekeningen bij de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties. Hiertoe openen de entiteiten al hun financiële rekeningen uitsluitend bij de aangestelde kassier.
Artikel 80 De entiteiten die deelnemen aan de cashpooling behouden hun volledige financiële autonomie over hun ontvangsten en uitgaven.
De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties heeft alleen een inzagerecht in het saldo van de verschillende financiële rekeningen van de entiteiten die deelnemen aan de cashpooling.
Artikel 81 De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties beslist over de vrijgave van de toelagen, rekening houdend met de toestand van de totale cashpooling en in subsidiaire orde met de kastoestand van iedere individuele entiteit met uitsluiting van de beschikbare gelden, vermeld in artikel 2, 4°, van de codex.
Artikel 82 Het saldo van iedere financiële rekening wordt iedere avond overgeschreven naar de centrale rekening. De entiteiten krijgen bij de kassier inzage in hun effectieve stand in de cashpooling, voor de uitvoering van die overschrijving.
Artikel 83 Er gebeurt geen intrestafrekening tussen de kassier en de Vlaamse rechtspersonen.
Artikel 84 De entiteiten die deelnemen aan de cashpooling sturen een wekelijkse update van hun kasverwachtingen door voor de volgende vijf weken aan de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties in de sjabloon dat die instantie ter beschikking stelt.
Sectie 2. Schulden beleggingsbeheer
Artikel 85 De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties voert de taken, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 3, van de codex, uit.
Artikel 86 De generieke minimumdrempel aan beschikbare gelden, vermeld in artikel 86 van de codex, bedraagt 1 miljoen euro per Vlaamse rechtspersoon.
Artikel 87 In het licht van de specifieke behoeften van de zorgsector bedraagt het percentage aan te beleggen beschikbare gelden, vermeld in artikel 91 van de codex, voor het Agentschap voor Vlaamse Sociale Bescherming, vermeld in artikel 9 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, maximaal 50%.
Artikel 88 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, beslist of de uitzondering, vermeld in artikel 92, derde lid, van de codex, van toepassing is.
Sectie 3. Waarborgbeheer
Artikel 89 Elke waarborg die wordt verleend ter uitvoering van artikel 93 van de codex wordt ter kennisgeving bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
Artikel 90 Met behoud van de toepassing van de specifiek bepaalde bijdragen, kan de bijdrage, vermeld in artikel 99 van de codex, worden berekend met de volgende formule:
bijdrage = (0,225 % x IB + Σni = 0 (0,05 % x UBi))
waarbij:
1° IB = initieel gewaarborgd bedrag;
2° UBi = uitstaand gewaarborgd bedrag in jaar i na aflossing van jaar i;
3° n = aantal jaar dat de lening loopt.
De bijdrage, vermeld in het eerste lid, is verschuldigd door de lener binnen twintig dagen nadat de eerste schijf van het krediet is opgenomen, en kan in geen geval terugbetaald worden.
Bij herfinanciering als vermeld in artikel 98 van de codex is geen additionele bijdrage verschuldigd.
Sectie 4. Verzekeringsbeheer
Artikel 91 De volgende risico's worden gecentraliseerd geplaatst:
1° algemene burgerlijke aansprakelijkheid;
2° objectieve aansprakelijkheid na brand en ontploffing;
3° alle risico's brand van het patrimonium;
4° alle risico's elektronica;
5° alle risico's kunstvoorwerpen;
6° arbeidsongevallen.
Artikel 92 De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties voert de taken uit, vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 5, van de codex.
Sectie 5. Rapportering
Artikel 93 Er wordt jaarlijks gerapporteerd over de financiële instrumenten en beschikbare gelden, vermeld in artikel 87 en 89 van de codex, via de verplichte rapportering conform het protocol van 17 juli 2013 tussen het Instituut voor de Nationale Rekeningen, de Federale Staat, Het Waals Gewest, Het Vlaams Gewest, Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie betreffende het doorsturen van gegevens voor het opstellen van rekeningen van overheden en voor de procedure voor buitensporige tekorten. De instantie die bevoegd is voor de financiële operaties bezorgt het protocol aan de betrokken entiteiten.
De vooruitzichten over het gebruik van de beschikbare gelden, vermeld in artikel 105, eerste lid, van de codex, worden jaarlijks tegen 10 november bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor de financiële operaties in de sjabloon dat die instantie ter beschikking stelt.
Sectie 6. Interne audit
Artikel 94 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, wordt gemachtigd om een interne auditor aan te stellen.
De auditor oefent zijn taken volledig onafhankelijk uit.
Artikel 95 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, wordt gemachtigd om de andere audittaken, vermeld in artikel 107 van de codex, toe te kennen aan de interne auditor.
Hoofdstuk 11. De Diensten met Afzonderlijk Beheer
Artikel 96 Het begrotingssaldo van het lopende jaar wordt gevormd door het verschil tussen de geboekte aanrekeningen van ontvangsten en uitgaven.
Het beginsaldo van het volgende jaar dat het over te dragen saldo van het lopende jaar is, bestaat uit:
1° het gecumuleerde saldo van de voorbije jaren;
2° het saldo van het lopende jaar;
3° een vermindering met de middelen die zijn aangewend voor de vorming of spijzing van het reservefonds.
Artikel 97 In de begroting van de Dienst met Afzonderlijk Beheer moeten alle ontvangsten en alle uitgaven worden opgenomen. Een aanwending uit het reservefonds en het overgedragen saldo worden beschouwd als ontvangsten terwijl een spijzing van het reservefonds en het over te dragen saldo worden beschouwd als uitgaven.
Artikel 98 § 1. Het saldo van het lopende jaar, verminderd met het totale bedrag van de aangegane verbintenissen die nog niet zijn vereffend, kan voor maximaal 10% worden aangewend voor de vorming of de spijzing van een reservefonds. De minister die belast is met het beheer van of het toezicht op de Dienst met Afzonderlijk Beheer, kan dat percentage aanpassen na het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
De voorafname gebeurt tot de middelen van het reservefonds 10 % bedragen van het gemiddelde van de uitgaven van de drie voorafgaande begrotingsjaren, tenzij dat bedrag wordt gewijzigd op voorstel van de minister die belast is met het beheer van of het toezicht op de Dienst met Afzonderlijk Beheer, met het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
§ 2. De aanwending uit het reservefonds en de aanwending van het gerealiseerde positieve begrotingssaldo van de Dienst met Afzonderlijk Beheer is mogelijk op basis van een aanwendingsplan dat opgemaakt wordt door de minister die belast is met het beheer van of het toezicht op de Dienst met Afzonderlijk Beheer. Het aanwendingsplan omvat ook een overzicht van de geplande spijzing van het reservefonds of het saldo en kan in voorkomend geval betrekking hebben op verschillende begrotingsjaren.
§ 3. Het ontwerp van begroting of begrotingsaanpassing respectievelijk het aanwendingsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Het ontwerp van begroting of van begrotingsaanpassing, opgemaakt met toepassing van artikel 6, wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, toegevoegd bij het ontwerp van uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor hij het ter goedkeuring aan het Vlaams Parlement bezorgt.
Hoofdstuk 12. Sanctiebepaling
Artikel 99 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Hoofdstuk 13. Opheffingsen wijzigingsbepalingen
Artikel 100 In artikel 11duodecies, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 1997 tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling, ingevoegd bij het besluit van 31 januari 2014, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 101 Artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007 betreffende de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (EV-ILVO), wordt opgeheven.
Artikel 102 Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2007 betreffende de begroting en de boekhouding van de strategische adviesraden, wordt opgeheven.
Artikel 103 In artikel 9, § 2, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2007 houdende de voorwaarden betreffende sociale leningen met Gewestwaarborg voor het bouwen, kopen, verbouwen of behouden van woningen, wordt de zinsnede "het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "Hoofdstuk 10, afdeling 4 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 104 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007 betreffende de voorwaarden om de waarborg te verkrijgen van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, wordt de zinsnede "artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "artikel 99 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 90 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 105 In artikel 3, eerste en tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 houdende aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen, houdende aanduiding van de Vlaamse Auditinstantie voor het Europees fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en houdende oprichting van de Auditcel van de Auditautoriteit, gewijzigd bij het besluit van 10 september 2010, wordt de zinsnede "het besluit van Vlaamse Regering van 19 januari 2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak" telkens vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 6, afdeling 2, onderafdeling 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 106 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2009 betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de vreemd vermogensgarantie in het kader van het DBFM-project Brabo 1, wordt de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk IV van het decreet van 7 mei 2004" vervangen door de zinsnede Hoofdstuk 10, afdeling 4 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 107 In artikel 6, 4°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "het decreet van 7 mei 2004" vervangen door de zinsnede "Hoofdstuk 10, afdeling 4 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 108 In artikel 6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2012 voor de toekenning van een facultatieve projectsubsidie aan het ARBOR-project, wordt de zinsnede "de bepalingen in artikelen 53 tot en met 57 van het Rekendecreet over de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, alsook de bepalingen in artikelen 63 tot en met 67 van hetzelfde decreet over de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 6, afdeling 3 en hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 109 In artikel 24/1, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking, ingevoegd bij het besluit van 29 november 2013, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 110 In artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies, wordt de zinsnede "kan de vorm aannemen van een algemene werkingssubsidie, een investeringssubsidie of een projectsubsidie als vermeld in artikel 56 van het decreet van 8 juli 2011" vervangen door de zinsnede "kan worden verleend voor de algemene werking, een investering of een project".
Artikel 111 Artikel 21 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Artikel 112 In artikel 42, 9°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2013 houdende subsidiëring van bedrijventerreinen, wordt de zinsnede "artikel 53 tot en met 57 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 113 In artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2013 betreffende de omkadering van jonge onderzoekers, wordt de zinsnede "de bepalingen in artikelen 53 tot en met 57 van het Rekendecreet over de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan van 8 juli 2011, alsook de bepalingen in artikelen 63 tot en met 67 van hetzelfde decreet over de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 6, afdeling 3 en hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 114 In artikel 2, zevende lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, wordt de zinsnede "aan de bepalingen van het decreet houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004, meer bepaald met betrekking tot effectisering zoals bepaald in het voornoemd decreet" vervangen door de zinsnede "aan het feit dat leningen slechts kunnen worden geëffectiseerd mits de voorafgaande toestemming van de Vlaamse Regering.".
Artikel 115 In artikel 17, eerste lid en artikel 55, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2014 tot uitvoering van het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning, wordt de zinsnede "artikel 55, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" telkens vervangen door de zinsnede "art. 73, eerste lid, 2° en tweede lid van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 116 In artikel 33, derde lid en 34, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 betreffende de uitvoering van het decreet van 13 december 2013 houdende de ondersteuning van de professionele kunsten, wordt de zinsnede "artikel 11 en 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 74, eerste lid, 2° van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 117 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende controle en single audit die van toepassing is op de universiteiten, hogescholen en een aantal andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, wordt de zinsnede "artikel 4, § 2, van het decreet van 8 juli 2011" vervangen door de zinsnede "artikel 5 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 118 In artikel 7, § 4, 3°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 en de uitvoeringsbesluiten ervan" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en met het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 119 In artikel 7 van het handhavingsbesluit Baby's en Peuters van 11 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 57 van het Rekendecreet" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 75 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019";
2° de zinsnede "artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 76 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 120 In artikel 18, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, wordt de zinsnede "artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "artikel 99 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 90 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 121 In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 5, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 72, § 1, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019";
2° de zinsnede "van het voormelde besluit" wordt vervangen door de zinsnede "van het besluit van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring".
Artikel 122 In artikel 42 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 houdende de erkenning en subsidiëring van milieu- en natuurverenigingen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "Artikel 5, § 3, tweede lid, van het voormelde besluit" vervangen door de zinsnede "Artikel 72, § 1, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019";
2° in het derde lid wordt de zinsnede "Artikel 7, § 1, van het voormelde besluit" vervangen door de zinsnede "Artikel 72, § 2, van het besluit, vermeld in het tweede lid,".
Artikel 123 In artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 houdende de vaststelling van overkoepelende regels voor het centraal tolkenbureau voor de beleidsdomeinen Onderwijs en Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 5, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 72, § 1, van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019";
2° de zinsnede "artikel 7 en 8 van het voormelde besluit" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 7 en 8 van het besluit van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring".
Artikel 124 In artikel 26, eerste lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 tot regeling van de steun voor innovatieclusters in Vlaanderen, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 125 Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen wordt opgeheven.
Artikel 126 Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Artikel 127 In artikel 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2016 houdende de financiering van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds, wordt de zinsnede "overeenkomstig de regels vastgesteld in hoofdstuk 2, afdeling 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 betreffende de begroting en de boekhouding van de Vlaamse rechtspersonen" opgeheven.
Artikel 128 In artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2016 tot regeling van de structurele financiering van partnerships van ondernemersorganisaties, gemengde kamers van koophandel en samenwerkingsverbanden met het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen met het oog op de verdere internationalisering van de Vlaamse economie, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 129 In artikel 36, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot regeling van steun aan ondernemingen voor onderzoek en ontwikkeling met een kennisintensief karakter in Vlaanderen, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 130 In artikel 37, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot regeling van steun aan ondernemingen voor ontwikkeling en innovatie in Vlaanderen, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 131 In artikel 31, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot regeling van steun aan ondernemingen voor onderzoeksprojecten voor de uitvoering van doctoraatsonderzoek of postdoctoraal onderzoek in samenwerking met onderzoeksorganisaties, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 132 In artikel 57, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2017 houdende de uitvoering van het Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017, wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring" vervangen door de zinsnede "de bepalingen van hoofdstuk 8 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Artikel 133 In artikel 35, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot regeling van steun aan consortia van ondernemingen voor onderzoek en ontwikkeling, ingebed in een ruimer samenwerkingsverband met onderzoeksorganisaties, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 134 In artikel 34, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018 tot regeling van steun aan projecten van collectief onderzoek en ontwikkeling en collectieve kennisverspreiding, wordt de zinsnede "het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019".
Artikel 135 In artikel 5 van het besluit van 7 september 2018 van de Vlaamse Regering houdende de instelling van een gemeenschapswaarborg in het kader van het projectspecifieke DBFM-project, wordt de zinsnede "artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest" vervangen door de zinsnede "artikel 99 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 90 van het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019".
Hoofdstuk 14. Opgeheven besluiten
Artikel 136 Worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 houdende vaststelling van de regelen betreffende de werking en het beheer van het Vlaams Egalisatie Rente Fonds;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2006 houdende de modaliteiten tot invoering van het centraal kasbeheer voor de Vlaamse verzelfstandigde agentschappen opgericht ingevolge het decreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 betreffende de begroting en de boekhouding van de Vlaamse rechtspersonen;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 betreffende de boekhoudregels en de aanrekeningsregels die van toepassing zijn op de Vlaamse ministeries en de diensten met afzonderlijk beheer en betreffende de controle op de vastleggingskredieten;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012 betreffende controle en single audit;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring;
8° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2016 tot oprichting van de Vlaamse adviescommissie boekhoudkundige normen van toepassing op de Vlaamse ministeries, diensten met afzonderlijk beheer en Vlaamse rechtspersonen;
9° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 betreffende de optimalisatie van het beheer van de financiële activa van de Vlaamse overheidsentiteiten.
Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen
Artikel 137 De besluiten, vermeld in artikel 136, blijven gelden voor de rapportering, de controle en de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar 2019.
Artikel 138 Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring blijft tot 31 december 2021 van toepassing als er voor de inwerkingtreding van dit besluit naar verwezen wordt en de verwijzing niet vervangen wordt door een bepaling van dit besluit.
Artikel 139 De financiële rekeningen die moeten worden afgesloten, kunnen om functionele redenen geopend blijven tot en met 30 juni 2020.
De positieve saldi worden wekelijks en een laatste keer op 30 juni 2020 overgeschreven naar de overeenkomstige nieuwe rekening.
De negatieve saldi worden uiterlijk op 30 juni 2020 aangezuiverd.
Hoofdstuk 16. Citeertitel
Artikel 140 Dit besluit van de Vlaamse Regering wordt aangehaald als "Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019" en afgekort als "BVCO van 17 mei 2019".
Hoofdstuk 17. Inwerkingtreding
Artikel 141 De codex en dit besluit treden in werking op 1 januari 2020, met dien verstande dat werkzaamheden rond de begroting, vermeld in hoofdstuk 2, voor het begrotingsjaar 2020 gebeuren conform de regels van de codex en dit besluit.
Hoofdstuk 18. Uitvoering
Artikel 142 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, is belast met de uitvoering van dit besluit.