Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van Hoofdstuk III/1 van het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen

Datum :
15-04-2009
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Wetgeving
Bron :
Numac 2009202277

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1§ 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° [2 ...]2;
  2° management : alle natuurlijke of rechtspersonen die het bestuur of het dagelijks bestuur van de [2 kredietnemer]2 bepalen, daarin begrepen de leden van de raad van bestuur, het directiecomité en alle andere organen of functies van dagelijks bestuur binnen de [2 kredietnemer]2;
  3° Minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het economisch beleid;
  4° [2 ...]2;
  5° waarborg : de ad-hoc waarborg voor [2 kredietnemers]2 [1 ...]1, vermeld in hoofdstuk III/1 van het Waarborgdecreet;
  6° waarborgaanvraag : de aanvraag van de waarborg conform artikel 4, § 1;
  7° Waarborgdecreet : het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen;
  8° [2 ...]2;
  9° [2 ...]2;
  10° waarborgvennootschap : de vennootschap, opgericht door het Vlaamse Gewest ter uitvoering van artikel 22/1 van het Waarborgdecreet, die de waarborgen zal verstrekken.
  § 2. De definities, vermeld in artikel 2 van het Waarborgdecreet, zijn eveneens van toepassing in dit besluit.

Hoofdstuk 2. De waarborgvenootschap
Artikel 2 § 1. Het Vlaamse Gewest en Participatiemaatschappij Vlaanderen richten samen de waarborgvennootschap op in de vorm van een naamloze vennootschap. Het Vlaamse Gewest zal in de oprichtingsakte worden aangewezen als oprichter; Participatiemaatschappij Vlaanderen alleen als inschrijver als vermeld in van artikel 450, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen.
  § 2. Het Vlaamse Gewest zal steeds alle aandelen van de Waarborgvennootschap in eigendom houden, met uitzondering van één aandeel dat Participatiemaatschappij Vlaanderen zal onderschrijven.

Hoofdstuk 3. Toekenning van de waarborg
Artikel 3§ 1. [2 De waarborgvennootschap kan waarborgen toekennen volgens de modaliteiten, vermeld in het Waarborgdecreet en dit besluit.
   De financiële middelen, verstrekt door financieringsovereenkomsten waaraan de waarborg is gehecht, mogen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks, in welke vorm ook, worden aangewend om een vergoeding te betalen aan de aandeelhouders of het management van de kredietnemer, of van de ondernemingen die eraan verbonden zijn, vermeld in artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen. Het verbod geldt niet voor de vergoedingen die de kredietnemer op basis van bestaande overeenkomsten verschuldigd is tegen marktconforme voorwaarden, met uitzondering van elke vorm van bonus, winstuitkering of vervroegde terugbetaling van leningen. Het bevoegde orgaan van de kredietnemer voegt bij de aanvraag van de waarborg een eenzijdige verbintenis waarin bepaald is dat aan die voorwaarde zal worden voldaan.]2
  § 2. [2 Een waarborg wordt alleen verleend tot zekerheid van verbintenissen van kredietnemers die voortvloeien uit financieringsovereenkomsten in euro.
   Een waarborg is beperkt tot de hoofdsom en de interesten van de financieringsovereenkomst, verschuldigd op de datum van de opeisbaarverklaring van de financieringsovereenkomst waaraan de waarborg is gehecht door de kredietgever.
   De maximale duurtijd van de waarborg is beperkt tot acht jaar.]2
  § 3. De waarborg [1 zoals bepaald in artikel 22/3 van het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen]1 kan slechts worden gecombineerd met andere steunmaatregelen, verleend voor de investering of de activiteit die werd gefinancierd met de [2 financieringsovereenkomst]2 waaraan de waarborg is gehecht, voor zover de maximum steunintensiteiten, vermeld in de relevante richtsnoeren of groepsvrijstellingsverordeningen, niet worden overschreden.
  Als de [2 kredietnemer]2 sinds 1 januari 2008 steun heeft ontvangen in het kader van de deminimisverordening voor hetzelfde doel als waarvoor de waarborg wordt aangevraagd, moet die steun worden afgetrokken van de steuncomponent van de waarborg die wordt aangevraagd.

Artikel 4§ 1. [1 De waarborgaanvraag, die ingediend wordt bij de waarborgvennootschap, moet minstens de volgende gegevens bevatten :]1
  1° de identificatie van de [2 kredietnemer]2 en de [2 kredietgever]2;
  2° het bedrag, het doel, de interestvoet, de looptijd, het delgingsprogramma en de andere contractuele voorwaarden van de [2 financieringsovereenkomst]2;
  3° een overzicht van de andere zekerheden tot garantie van de [2 financieringsovereenkomst]2 waaraan de waarborg wordt gehecht;
  4° het businessplan, vermeld in artikel 22/2, 6°, van het Waarborgdecreet;
  5° de eenzijdige verbintenis, vermeld in artikel 3, § 1, tweede lid;
  6° de risicobeoordeling (rating) van de [2 kredietnemer]2;
  7° een engagementsverklaring over de werkgelegenheid als vermeld in artikel 22/2, 7°, van het Waarborgdecreet;
  8° een uiteenzetting van de motieven waarom geen waarborg kan worden verkregen als vermeld in hoofdstuk II van het Waarborgdecreet;
  9° de duurtijd en het percentage van de gevraagde waarborg.
  § 2. De minister kan voor de onderdelen van de waarborgaanvraag een standaardformulier bepalen.
  § 3. De [2 kredietgever]2 en de [2 kredietnemer]2 verklaren zich door de waarborgaanvraag steeds volledig akkoord met alle decretale en reglementaire voorwaarden van de waarborg.

Artikel 5Participatiemaatschappij Vlaanderen wordt belast met de dossierbehandeling, wat onder meer het onderzoek van de waarborgaanvragen en van de afroep van de waarborg inhoudt. Daarbij hebben de vertegenwoordigers van Participatiemaatschappij Vlaanderen het recht om alle aanvullende inlichtingen in te winnen bij de [1 kredietnemer]1, de [1 kredietgever]1 of elders, die zij nuttig achten voor hun onderzoek.
  Participatiemaatschappij Vlaanderen verstrekt een advies over de waarborgaanvraag aan de waarborgvennootschap.

Artikel 6§ 1. [1 De waarborgvennootschap is bevoegd om de waarborg voor de financieringsovereenkomst goed te keuren op voorwaarde dat de waarborg voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 22/2 van het Waarborgdecreet en in dit besluit, en als de kredietnemer de levensvatbaarheid van zijn activiteiten kan aantonen op basis van het businessplan, vermeld in artikel 22/2, 6°, van het Waarborgdecreet.
   De waarborgvennootschap heeft de bevoegdheid om bijkomende zekerheden te vragen voor ze de waarborg goedkeurt.
   Voor waarborgaanvragen waarbij de waarborg hoger is dan 10.000.000 euro of het waarborgpercentage hoger is dan 75 %, krijgt de waarborgvennootschap een voorafgaande goedkeuring door de Vlaamse Regering voor ze de waarborg kan toekennen.]1
  § 2. Na goedkeuring van de waarborgaanvraag door de waarborgvennootschap, ondertekenen de [1 kredietgever]1 en de waarborgvennootschap de waarborgovereenkomst. De individuele contractuele bepalingen van de waarborgovereenkomst kunnen dossier per dossier bepaald worden door de waarborgvennootschap op basis van de resultaten van het onderzoek van de waarborgaanvraag. De waarborgovereenkomst moet minstens de volgende contractuele bepalingen bevatten :
  1° een omschrijving van de [1 financieringsovereenkomst]1 waaraan de waarborg wordt gehecht;
  2° een overzicht van de andere zekerheden tot garantie van de [1 financieringsovereenkomst]1 waaraan de waarborg wordt gehecht;
  3° de omvang, de duurtijd en de beperkingen van de waarborg;
  4° het juridisch kader van de waarborg;
  5° de wijze van berekening en betaling van de waarborgpremie;
  6° verklaringen en waarborgen vanwege de [1 kredietgever]1;
  7° de verplichtingen tot informatieverstrekking door de [1 kredietgever]1;
  8° de procedure van afroep van de waarborg;
  [1 9° de bepaling dat de waarborg na de toekenning ervan gedurende de looptijd ervan niet gewijzigd kan worden zonder het akkoord van beide partijen.]1.
  § 3. [1 De waarborg treedt op zijn vroegst in werking na de ondertekening van de waarborgovereenkomst door de kredietgever en de waarborgvennootschap, en na de ontvangst door de waarborgvennootschap van de betaling van de eerste waarborgpremie. De waarborgvennootschap kan de waarborg niet eenzijdig opzeggen gedurende de looptijd ervan.]1
  § 4. De waarborgvennootschap rapporteert op trimesteriële wijze aan de Vlaamse Regering over de werking van de waarborgregeling zoals bepaald in hoofdstuk III/1 van het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen.

Hoofdstuk 4. Waarborgpremie
Artikel 7§ 1. [2 De waarborgpremie wordt op voorhand door de kredietnemer betaald. Voor de eerste waarborgpremie is dat binnen tien dagen na de ondertekening van de waarborgovereenkomst en voor de daaropvolgende premies is dat op het ogenblik, zoals bepaald in de waarborgovereenkomst.]2
  § 2. De waarborgpremie wordt berekend op het [1 maximaal beschikbare gewaarborgde bedrag]1 in kapitaal en interesten van de [2 financieringsovereenkoms]2 op de datum waarop de waarborgpremie betaalbaar is.
  § 3. De [2 kredietgever]2 bezorgt de waarborgvennootschap tijdig de nodige informatie om de waarborgpremie te berekenen. De [2 kredietgever]2 int de waarborgpremie bij de [2 kredietnemer]2 en stort die door aan de waarborgvennootschap.
  § 4. [2 Als de waarborgpremie niet betaald wordt door de kredietnemer als vermeld in paragraaf 1, vervalt de waarborg van rechtswege, zonder aanmaning of kennisgeving, tenzij een van de twee volgende voorwaarden is vervuld :
   1° de kredietgever voorziet binnen tien werkdagen na de datum waarop de waarborgpremie betaalbaar was, zelf in de betaling van de waarborgpremie voor rekening van de kredietnemer;
   2° de financiering, vermeld in artikel 9, § 1, is al opeisbaar verklaard voor de waarborgpremie conform artikel 7, § 1, betaalbaar was.]2

Artikel 8§ 1. De onderneming zendt tussen de zestigste en dertigste dag voor de verjaardag van de inwerkingtreding van de waarborg een verklaring over de tewerkstelling aan de [1 kredietgever]1 met een afschrift aan de waarborgvennootschap. Die verklaring heeft tot doel aan te tonen of de [1 kredietnemer]1 voldoet aan het engagement op het vlak van tewerkstelling dat aan de waarborgaanvraag werd gekoppeld, vermeld in artikel 4, § 1, 7°. Die verklaring moet worden geattesteerd door de commissaris van de onderneming of een bedrijfsrevisor.
  § 2. Als uit die verklaring blijkt dat het tewerkstellingsengagement niet wordt gerespecteerd, wordt de waarborgpremie voor het volgende jaar verhoogd met 15 % van de voor dat jaar verschuldigde waarborgpremie. Die verhoging wordt van rechtswege toegepast als de verklaring niet tijdig werd ingediend. De Waarborgvennootschap deelt een verhoging van de waarborgpremie per brief mee aan de [1 kredietgever]1 en de [1 kredietnemer]1.

Hoofdstuk 5. Afroep van de waarborg
Artikel 9§ 1. [1 De kredietgever kan de waarborg afroepen als hij op grond van de contractuele bepalingen van de financieringsovereenkomst de kredietnemer formeel in gebreke heeft gesteld en de verschafte financiering opeisbaar heeft verklaard.
   Binnen zestig kalenderdagen na de opeisbaarverklaring van de financiering deelt de kredietgever per aangetekende brief de afroep mee aan de waarborgvennootschap. Die mededeling bevat een voorstel om de waarborg voorlopig betaalbaar te stellen, rekening houdend met het waarborgpercentage, in afwachting van de afsluiting van het dossier na de uitwinning van alle andere zekerheden die aan de financieringsovereenkomst waren gehecht. Die termijn is een vervaltermijn.]1
  § 2. [1 Het voorstel tot voorlopige betaling bevat :
   1° een afschrift van de waarborgovereenkomst;
   2° de motivering waarom de financiering opeisbaar is verklaard;
   3° het uitstaande bedrag van de financieringsovereenkomst in kapitaal en de interesten op de datum van de opeisbaarverklaring van de financiering;
   4° een waardering van de andere zakelijke zekerheden aan de hand van een waarderingsverslag, opgesteld door een onafhankelijke deskundige;
   5° een waardering van de persoonlijke zekerheden;
   6° een voorstel van afrekening waarin rekening wordt gehouden met de verwachte realisaties;
   7° het rekeningnummer waarop het bedrag moet worden overgeschreven.]1
  § 3. De waarborgvennootschap onderzoekt het voorstel tot voorlopige betaling en voert de voorlopige betaling uit als de kredietinstelling de contractuele voorwaarden van de lening en de waarborgovereenkomst heeft gerespecteerd.
  § 4. De waarborgvennootschap kan aan de kredietinstelling opleggen om een voorstel tot tussentijdse afrekening op te stellen na de realisatie van één of meer zekerheden.

Artikel 10[1 § 1. De kredietgever dient een aanvraag tot eindafrekening en afsluiting van het dossier in uiterlijk zestig dagen nadat alle zekerheden zijn uitgewonnen, of na sluiting van het faillissement, of onmiddellijk nadat een definitieve regeling met de waarborgvennootschap is overeengekomen over het al dan niet uitwinnen van de zakelijke en persoonlijke zekerheden. In geval van aanvraag tot eindafrekening en afsluiting van het dossier nadat alle zekerheden zijn uitgewonnen, of na sluiting van het faillissement bevat die aanvraag :
   1° een verwijzing naar het voorstel tot voorlopige betaling;
   2° het resultaat van de uitwinning van de zekerheden;
   3° het saldo;
   4° het rekeningnummer waarop het bedrag moet worden overgeschreven.
   § 2. Behalve als een definitieve regeling met de waarborgvennootschap is overeengekomen over het al dan niet uitwinnen van de zakelijke en persoonlijke zekerheden, kan de kredietgever geen afsluiting van het dossier voorstellen voor alle zekerheden zijn uitgewonnen.]1

Artikel 11Als de voorlopige of tussentijdse betalingen het door de waarborgvennootschap te betalen bedrag op het ogenblik van de afsluiting van het dossier overschrijden, moet de [1 kredietgever]1 het verschil terugstorten aan de waarborgvennootschap. Indien de voorlopige en/of tussentijdse betaling(en) minder bedragen dan het door de waarborgvennootschap te betalen bedrag op het ogenblik van de afsluiting van het dossier, zal de waarborgvennootschap het saldo overmaken aan de [1 kredietgever]1. Noch de [1 kredietgever]1, noch de waarborgvennootschap is in voorkomend geval enige interest verschuldigd.

Artikel 12§ 1. De betaalbaarstelling van de waarborg en elke betaling die daarop volgt, stellen de [1 kredietnemer]1 niet vrij van haar contractuele verplichtingen tegenover de [1 kredietgever]1 die voortvloeien uit de [1 financieringsovereenkomst]1.
  § 2. De [1 kredietgever]1 moet de betalingen die na de afroep nog worden ontvangen op grond van de contractuele bepalingen van de [1 financieringsovereenkomst]1 waaraan de waarborg is gehecht, meedelen aan de waarborgvennootschap binnen de dertig kalenderdagen. De betalingen betreffen zowel de betalingen waartoe de [1 kredietnemer]1 of een derde op vrijwillige basis overgaat, als die welke in rechte worden afgedwongen.
  De [1 kredietgever]1 moet, volgens nadere voorwaarden die vastgelegd worden in de waarborgovereenkomst, aan de waarborgvennootschap een evenredig deel van het bedrag van de betalingen, vermeld in het eerte lid, die hij van de [1 kredietnemer]1 of een derde persoon ontvangen heeft, binnen drie maanden doorstorten na aftrek van de redelijke en verantwoorde inningskosten.
  Het evenredige deel van het bedrag van de door de [1 kredietgever]1 ontvangen betalingen en gemaakte kosten is gelijk aan het percentage van de waarborg.

Hoofdstuk 6. Slotbepaling
Artikel 13 Artikel 22 van het decreet van 20 februari 2009 tot wijziging van het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine en middelgrote ondernemingen en dit besluit treden in werking op de datum van dit besluit.

Artikel 14 De Vlaamse minister, bevoegd voor het economisch beleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.