Decreet betreffende de milieuvergunning.
- Sectie :
- Wetgeving
- Bron :
- Numac 1985024596
Originele tekst :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1 Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet.
Artikel 2Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° inrichtingen: fabrieken, werkplaatsen, opslagplaatsen, machines, installaties, toestellen en handelingen die op een door de Vlaamse Regering op te stellen lijst voorkomen;
2° exploiteren: in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting, daaronder begrepen het lozen van afvalwater;
3° exploitant: elke natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd;
4° veranderen van een inrichting: wijzigen, uitbreiden, toevoegen;
_ wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde inrichting, of het aanwenden van een andere fabricagemethode;
_ uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft;
_ toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen, waarop de geldende vergunning geen betrekking heeft;
5° tijdelijke inrichting: de vergunningsplichtige inrichting waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen voor het leefmilieu veroorzaakt en in principe niet langer zal duren dan:
- één jaar, als het een inrichting betreft die verband houdt met een bouwwerf;
- drie maanden in de andere gevallen.
(6° verplaatsbare inrichtingen : door de Vlaamse Regering aangeduide vergunningsplichtige inrichtingen die op tijdelijke basis mobiel inzetbaar zijn voor de behandeling van stoffen in een inrichting waar deze stoffen worden voorgebracht.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 44, 005; En vigueur : 01-01-1994>
[1 7° een stedenbouwkundige vergunning : de vergunning die verleend is voor handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
8° een stedenbouwkundige melding : de melding die wordt verricht voor handelingen als vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
9° elektronische handtekening : elektronische handtekening zoals gedefinieerd in de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten;
10° geavanceerde elektronische handtekening : geavanceerde elektronische handtekening zoals gedefinieerd in de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten;
11° elektronisch middel : een middel waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (met inbegrip van digitale compressie) en gegevensopslag alsmede van verspreiding, overbrenging en ontvangst per draad, straalverbinding, langs optische weg of met andere elektromagnetische middelen.]1
Artikel 2BIS [2 De Vlaamse Regering kan voor gegevensuitwisselingen vermeld in dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten bepalen dat deze geldig kunnen gebeuren met elektronische middelen.
Indien het decreet of haar uitvoeringsbesluiten bepalen dat voor de geldigheid van een kennisgeving een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs vereist is, kan dit voor zover de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen daarbij een elektronische handtekening of een geavanceerde elektronische handtekening nodig zijn voor de geldigheid van de gegevensuitwisseling. Zij kan ook andere vereisten voor de geldigheid van de gegevensuitwisseling met elektronische middelen opleggen.
De Vlaamse Regering kan verdere uitvoeringsmodaliteiten bepalen in verband met de procedures waarbij de gegevensuitwisseling met elektronische middelen toegelaten is.]2
Artikel 3De inrichtingen die hinderlijk worden geacht voor de mens en het leefmilieu worden in drie klassen ingedeeld, afhankelijk van de aard en de belangrijkheid van de daaraan verbonden milieueffecten.
[3 De Vlaamse Regering stelt de lijst van de criteria voor de indeling van de inrichtingen in klassen vast.]3
[3 Als een inrichting onder toepassing valt van verschillende indelingsrubrieken die behoren tot verschillende klassen, is de procedure die geldt voor de hoogste klasse van toepassing op elk onderdeel van de inrichting en is de overheid die bevoegd is voor de hoogste klasse exclusief bevoegd.]3
Artikel 4§ 1. Niemand mag zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse exploiteren of veranderen.
§ 2. Niemand mag, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een [4 inrichting die in de derde klasse is ingedeeld en geen onderdeel is van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld]4, exploiteren of veranderen.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de melding dient te geschieden.
[4 § 3. Een onderdeel van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld en waarbij dat onderdeel op zich in de derde klasse is ingedeeld, is ook onderworpen aan de milieuvergunningsplicht.]4
Artikel 5[5 § 1. De stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is of die onderworpen is aan de meldingsplicht, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief werd verleend of de melding niet is gedaan. Als het gaat om met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening meldingsplichtige handelingen, wordt de uitvoerbaarheid van de stedenbouwkundige melding opgeschort.
De milieuvergunning wordt beschouwd als definitief verleend nadat de termijn om een administratief beroep in te dienen, met toepassing van artikel 23, verstreken is, of nadat de milieuvergunning door de vergunningverlenende overheid in beroep is verleend als administratief beroep werd ingesteld.
Als de stedenbouwkundige vergunning wordt geschorst, gaat de termijn, vermeld in artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in op de dag dat de milieuvergunning definitief wordt verleend of de melding is gebeurd.
Als de milieuvergunning definitief wordt geweigerd, vervalt de stedenbouwkundige vergunning van rechtswege. Als het gaat om met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening Meldingsplichtige handelingen', kunnen deze handelingen niet worden uitgevoerd.
De milieuvergunning wordt beschouwd als definitief geweigerd nadat de termijn om een administratief beroep in te dienen, met toepassing van artikel 23, § 3, verstreken is, of nadat de milieuvergunning door de vergunningverlenende overheid in beroep is geweigerd als een dergelijk administratief beroep werd ingesteld.
Het verval van de stedenbouwkundige vergunning wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager en de overheid die de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend. Het verval van de stedenbouwkundige vergunning wordt bekendgemaakt aan het publiek. De Vlaamse Regering stelt hiervoor nadere regels vast.
§ 2. De milieuvergunning voor een inrichting, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige melding nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend of de handelingen waarvoor de stedenbouwkundige melding is verricht niet mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Het recht op exploitatie dat meldingsplichtige inrichtingen, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige melding nodig is, ten gevolge van een melding hebben verkregen, wordt opgeschort zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend of de handelingen waarvoor de stedenbouwkundige melding is verricht, niet mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
De stedenbouwkundige vergunning wordt beschouwd als definitief verleend vanaf de datum waarop van de stedenbouwkundige vergunning gebruik kan gemaakt worden overeenkomstig artikel 4.7.19, § 3, artikel 4.7.23, § 5, dan wel artikel 4.7.26, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Als de milieuvergunning wordt geschorst, gaat de termijn, vermeld in artikel 17, tweede lid, in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning definitief is verleend of de handelingen waarvoor een stedenbouwkundige melding is verricht, mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Als de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd, vervalt de milieuvergunning of het recht op exploitatie ten gevolge van de melding voor de meldingsplichtige inrichtingen van rechtswege.
Het verval van de milieuvergunning of van het recht op exploitatie tengevolge van een melding wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager of de meldingsplichtige en de overheid die de milieuvergunning heeft verleend of akte heeft genomen van de melding. Het verval van de milieuvergunning wordt bekendgemaakt aan het publiek. De Vlaamse Regering stelt hiervoor nadere regels vast.
De stedenbouwkundige vergunning wordt beschouwd als definitief geweigerd vanaf de datum waarop in laatste administratieve aanleg beslist werd om de stedenbouwkundige vergunning niet af te leveren.]5
Artikel 6§ 1. Zijn voor de toepassing van dit decreet territoriaal bevoegd, de overheden tot wier ambtsgebied de percelen behoren waarop de exploitatie of de verandering van de inrichting gebeurt of gepland is.
§ 2. Indien een inrichting zich over het grondgebied van meer dan één gemeente of provincie uitstrekt, blijft ieder van deze overheden bevoegd voor de inrichtingen of gedeelten van inrichtingen gelegen op haar ambtsgebied.
[6 § 3. Alle aanvragen, meldingen en mededelingen op grond van dit decreet waarvoor een college van burgemeester en schepenen bevoegd is, worden ingediend via het uniek gemeentelijk loket van de bevoegde gemeente of gemeenten.]6
Artikel 6BIS <Ingevoegd bij DVR 2004-02-06/33, Art. 5; En vigueur : 01-03-2004> De voor vergunningverlening bevoegde overheden brengen jaarlijks verslag uit over naleving van de in dit decreet voorziene beslissingstermijnen. Dit verslag wordt overgemaakt aan het parlement en wordt openbaar gemaakt. Er wordt voor het eerst verslag gegeven over de vergunningen, aangevraagd in 2004.
Artikel 7 (Opgeheven) <DVR 2002-12-18/60, Art. 4; En vigueur : 13-02-2003>
Artikel 8 De vergunningen verleend op grond van dit decreet, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
Hoofdstuk IBIS. [7 Afstemming aanvraagprocedure stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning]7
Artikel 8BIS [7 Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning kan worden samengevoegd met de aanvraag voor een milieuvergunning, als voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning zijn wederzijds aan elkaar gekoppeld op grond van artikel 5 van dit decreet en artikel 133/21 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening;
2° het college van burgemeester en schepenen is voor beide aanvragen het bevoegde vergunningverlenende bestuursorgaan.
Aanvragen die aan de in het eerste lid vermelde voorwaarden voldoen, en door de vergunningaanvrager worden samengevoegd, worden hierna " samengevoegde aanvragen " genoemd.]7
Artikel 8TER [7 Samengevoegde aanvragen worden behandeld overeenkomstig de specifieke procedureregelen, vermeld in dit hoofdstuk.
Voor zover die specifieke procedureregelen niets anders bepalen, zijn de procedures op grond van dit decreet en op grond van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening die gelden voor aanvragen die niet onder dit hoofdstuk ressorteren, aanvullend van toepassing.]7
Artikel 8QUATER [7 Samengevoegde aanvragen worden op straffe van onontvankelijkheid ingediend bij het uniek gemeentelijk loket van de bevoegde gemeente of gemeenten.
Het uniek gemeentelijk loket wordt uitgebouwd als een fysiek loket, eventueel aangevuld met een virtueel loket.
De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de organisatie van het uniek gemeentelijk loket, in het bijzonder met het oog op de toegankelijkheid en vlotte bereikbaarheid ervan. Ze kan tevens specifieke regelen bepalen voor de samenstelling van samengevoegde aanvraagdossiers.]7
Artikel 8QUINQUIES [7 Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8bis, dan meldt de daartoe door het college van burgemeester en schepenen aangewezen gemeentelijke ambtenaar dat aan de aanvrager, via het uniek gemeentelijk loket. In dat geval worden beide aanvragen verder afzonderlijk afgehandeld volgens de procedures die gelden voor aanvragen die niet onder dit hoofdstuk ressorteren.]7
Artikel 8SEXIES [7 § 1. De resultaten van de ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoeken van samengevoegde aanvragen worden via het uniek gemeentelijk loket en door middel van één gewone brief aan de aanvrager gemeld.
§ 2. De behandeling wordt voor beide aanvragen definitief stopgezet als :
1° de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning onontvankelijk of onvolledig is;
2° de aanvraag voor een milieuvergunning onontvankelijk is;
3° de aanvraag voor een milieuvergunning onvolledig is en het dossier niet tijdig wordt aangevuld binnen een eenmalige door de Vlaamse Regering te bepalen termijn die niet langer mag zijn dan vijftien dagen.
§ 3. In afwijking van artikel 9, § 6, is de eerste dag na de dag waarop het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager wordt verstuurd de begindatum voor de behandelingstermijn.]7
Artikel 8SEPTIES [7 Als over samengevoegde aanvragen een advies moet worden ingewonnen bij dezelfde adviserende instantie, dan wordt aan die instantie één gezamenlijke adviesvraag voorgelegd.
De adviezen die worden verleend op grond van een gezamenlijke adviesvraag, worden gelijktijdig uitgebracht.]7
Artikel 8OCTIES [7 § 1. Indien beide samengevoegde aanvragen onderworpen moeten worden aan een openbaar onderzoek, dan wordt één gemeenschappelijk openbaar onderzoek georganiseerd overeenkomstig de regelen gesteld krachtens artikel 11, § 1, van dit decreet.
Indien slechts één van de samengevoegde aanvragen onderworpen moet worden aan een openbaar onderzoek, dan wordt enkel voor die aanvraag een openbaar onderzoek georganiseerd overeenkomstig de regelen gesteld krachtens artikel 11, § 1, van dit decreet respectievelijk artikel 133/49 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
§ 2. In het beslissingsproces over de milieuvergunningsaanvraag wordt ingegaan op de milieugebonden bezwaren en de bezwaren over de planologische verenigbaarheid van datgene waarvoor de milieuvergunning wordt aangevraagd.
In het beslissingsproces over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijk gebonden bezwaren.
Als dezelfde bezwaren in beide beslissingsprocessen worden behandeld, worden ze op gelijke wijze weerlegd of nagevolgd.]7
Artikel 8NONIES [7 Het college van burgemeester en schepenen onderzoekt samengevoegde aanvragen gelijktijdig en neemt op dezelfde dag een beslissing over beide aanvragen.
Beide beslissingen worden, via het uniek gemeentelijk loket, aan de aanvrager ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven of enige andere vorm van beveiligde zending, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.]7
Hoofdstuk 2. Vergunningsprocedure voor nieuwe inrichtingen
Artikel 9§ 1. [opgeheven] <DVR 1993-12-22/37, Art. 45, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 2. [Binnen een termijn van vier maanden beslist de [8 deputatie]8 van de provincieraad in eerste aanleg over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van de eerste klasse.
Binnen dezelfde termijn doet zij eveneens uitspraak in eerste aanleg over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling, ongeacht de klasse waartoe deze inrichtingen behoren.] <DVR 1993-12-22/37, Art. 45, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 3. Binnen een termijn van [9 105 dagen]9 beslist het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van de tweede klasse.
§ 4. [Wanneer een inrichting onder de toepassing valt van verschillende indelingsrubrieken behorend tot verschillende klassen, geldt voor deze inrichting de procedure van de hoogste klasse.] <DVR 1994-12-21/40, Art. 10, 006; En vigueur : 01-01-1995>
§ 5. Wordt door de overheid bij wie de aanvraag is ingediend de aanvraag onontvankelijk bevonden, dan wordt de aanvrager daarvan binnen de [10 dertig]10 dagen na de indiening van de vergunningsaanvraag schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van de reden van de onontvankelijkheid en gebeurlijk met vermelding van de overheid die bevoegd geacht wordt kennis te nemen van de vergunningsaanvraag.
Wordt de aanvraag onvolledig bevonden, dan wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld binnen de [10 dertig]10 dagen na de indiening van de aanvraag, met vermelding van de inlichtingen en gegevens die ontbreken of nadere toelichting vereisen.
Wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig bevonden, dan wordt de aanvrager hiervan bij aangetekend schrijven in kennis gesteld binnen [10 dertig]10 dagen na de indiening van de aanvraag.
[11 § 5bis. Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt de overheid bij wie de aanvraag is ingediend, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld. De Vlaamse Regering kan de vorm en de inhoudelijke elementen van deze beslissing bepalen.
Als de overheid, vermeld in het eerste lid, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]11 [12 De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, betreft een bindende beslissing voor de overheid, vermeld in het eerste lid.]12
§ 6. De termijnen bedoeld in [13 § 2 en § 3]13 vangen aan op de dag dat de bevoegde overheid bevestigd heeft dat het dossier ontvankelijk en volledig is overeenkomstig § 5. [10 Zij vangen echter altijd ten laatste aan op de dertigste dag na de dag waarop de aanvraag werd ingediend.]10
§ 7. [Het college van burgemeester en schepenen neemt akte van de melding van de exploitatie of de verandering van een inrichting [14 die in de derde klasse is ingedeeld en geen onderdeel is van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld]14.] <DVR 1994-12-21/40, Art. 10, 006; En vigueur : 01-01-1995>
Artikel 10Bij gemotiveerd besluit kan de vergunningsverlenende overheid de termijnen waarbinnen zij uitspraak moet doen, eenmaal verlengen met maximum de helft van de vastgestelde termijn [15 tenzij het een beslissing betreft in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen over een inrichting van de tweede klasse]15. Zij deelt deze beslissing mee aan de aanvrager vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn.
De vergunning wordt geacht geweigerd te zijn indien binnen de vastgestelde of verlengde termijn, geen uitspraak is gedaan door de bevoegde overheid. Tegen deze stilzwijgende weigering kan door de aanvrager beroep worden ingediend binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op het verstrijken van de vastgestelde of verlengde termijn.
Artikel 11§ 1. Behoudens andersluidende bepalingen, wordt elke beslissing over een vergunningsaanvraag voorafgegaan door een openbaar onderzoek dat wordt ingesteld volgens de modaliteiten en binnen de termijnen bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 2. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan voor alle vergunningsplichtige inrichtingen een informatievergadering worden georganiseerd.
Voor de inrichtingen van de eerste klasse waarvoor een milieueffect- of veiligheidsrapport wordt vereist, moet ten minste één informatievergadering worden georganiseerd. [16 Een informatievergadering is niet vereist als door de overheid bij wie de aanvraag is ingediend of de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, beslist wordt dat er geen milieueffectrapport vereist is.]16
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels in verband met de organisatie van deze vergadering.
Artikel 12§ 1. De Vlaamse Regering duidt de overheidsorganen aan die vooraf advies uitbrengen over de vergunningsaanvraag. Zij bepaalt de inhoudelijke elementen van de adviezen, de gevallen waarin en de termijnen waarbinnen deze moeten uitgebracht worden.
Bij gebrek van advies binnen de gestelde termijn wordt het overheidsorgaan geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.
§ 2. Voor aanvragen waarvoor in eerste aanleg uitspraak wordt gedaan door de [11 deputatie]11 van de provincieraad, wordt in elk geval het advies gevraagd van het college van burgemeester en schepenen van de plaats waar de inrichting gepland is of geëxploiteerd wordt.
Artikel 13§ 1. In iedere provincie wordt een milieuvergunningscommissie opgericht, die de [11 deputatie]11 van de provincieraad advies verleent in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 2. Er wordt een Gewestelijke Milieuvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse Regering advies verleent in de gevallen die zij bepaalt.
§ 3. In de commissies bedoeld in § 1 en § 2 zetelen vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen en deskundigen, aan te duiden door de vergunningverlenende overheden.
Een vertegenwoordiger van het college van burgemeester en schepenen bedoeld in artikel 12, § 2, woont de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie bij met raadgevende stem.
Op zijn verzoek wordt de aanvrager gehoord door de commissies bedoeld in § 1 en § 2.
§ 4. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling van de in § 1 en § 2 bedoelde commissies, met inachtname van het bepaalde in § 3, en met dien verstande dat de ambtenaren steeds de meerderheid van het aantal leden uitmaken. De Vlaamse Regering regelt eveneens de werking van die commissies.
Artikel 14 § 1. De Vlaamse Regering stelt de verdere regels vast in verband met het aanvragen, het verlenen, het weigeren, de bekendmaking en de verlenging van de vergunning.
(tweede lid opgeheven) <DVR 1990-12-21/33, Art. 72, 004; En vigueur : 01-01-1991>
§ 2. (De aanvrager is verplicht aan de adviesverlenende overheidsorganen alle gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.
De aanvrager kan in de aanvraag, of bij het overmaken van gevraagde gegevens en inlichtingen aan de bevoegde administratie vragen om te onderzoeken of ze overeenkomstig artikel 15, § 1, 7°, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalde gegevens in de stukken die overeenkomstig artikel 11, § 1, ter inzage zullen worden gelegd tijdens het openbaar onderzoek, niet ter beschikking van het publiek te stellen. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en motiveert waarom hij van mening is dat deze gegevens niet aan het publiek ter beschikking kunnen worden gesteld.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de aanvrager volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering, in elk geval voor de aanvang van het openbaar onderzoek. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het voornoemde artikel 15, § 1, 7°. Als ze op grond hiervan beslist dat op dat ogenblik de gegevens in kwestie niet ter beschikking gesteld worden van het publiek, kan ze die laten opnemen in een bijlage, die niet ter beschikking van het publiek wordt gesteld.
Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regeling inzake passieve openbaarheid, bedoeld in hoofdstuk II van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.) <DVR 2004-03-26/50, Art. 36, 017; En vigueur : 01-07-2004>
Artikel 15 § 1. Binnen een termijn van twee maanden, vanaf de dag waarop zij heeft bevestigd dat het aanvraagdossier ontvankelijk en volledig is, doet het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg uitspraak over een vergunning van een tijdelijke inrichting, welke ook de klasse van de inrichting weze.
§ 2. Er dient geen openbaar onderzoek te worden ingesteld.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de inrichtingen waarvoor en de wijze waarop deze vergunning kan worden verkregen.
Artikel 15BIS <ingevoegd bij DVR 1993-12-22/37, Art. 46, 005; En vigueur : indéterminée> § 1. Binnen een termijn van vier maanden, vanaf de dag waarop zij heeft bevestigd dat het aanvraagdossier ontvankelijk en volledig is, doet de Vlaamse Regering in eerste en laatste aanleg uitspraak over een vergunningsaanvraag voor een verplaatsbare inrichting, ongeacht de klasse van de inrichting.
§ 2. Er dient geen openbaar onderzoek te worden ingesteld.
§ 3. Het exploitatiegebied van een verplaatsbare inrichting strekt zich uit over het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest. De eigenlijke exploitatie dient voorafgaandelijk te worden gemeld aan de burgemeester van de gemeente waar de exploitatie wordt gepland.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de inrichtingen waarvoor en de wijze waarop deze vergunning kan worden verkregen, alsmede de termijn gedurende dewelke een verplaatsbare inrichting op dezelfde lokalisatie inzetbaar is.
Artikel 16 § 1. De exploitant van een inrichting die na haar inbedrijfstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, moet binnen zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging een vergunningsaanvraag indienen bij de overheid die bevoegd is ingevolge de nieuwe indeling.
§ 2. Er dient geen openbaar onderzoek te worden ingesteld.
§ 3. In afwijking van artikel 4 mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing wordt genomen over de ingediende vergunningsaanvraag.
§ 4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de inrichtingen die vergunningsplichtig worden nadat zij in bedrijf zijn gesteld.
Artikel 17 De beslissing over de vergunningsaanvraag is met reden omkleed. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de inhoudelijke elementen van deze beslissing.
De vergunning vermeldt onder welke voorwaarden de inrichting mag worden geëxploiteerd en bepaalt binnen welke termijn de vergunde inrichting in gebruik moet worden genomen. Die termijn mag geen drie jaar overschrijden.
Artikel 18§ 1. De vergunning mag op proef worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Voor het verstrijken van die termijn neemt de bevoegde overheid een definitieve beslissing na advies van de in artikel 12 van dit decreet bedoelde overheidsorganen en zonder bijkomende formaliteiten.
Wanneer geen uitspraak wordt gedaan vóór het verstrijken van die termijn dan wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Tegen deze stilzwijgende weigering kan door de aanvrager beroep worden ingediend, binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op het verstrijken van die termijn.
§ 2. De vergunning wordt verleend voor een bepaalde duur van ten hoogste twintig jaar, de eventuele proeftijd inbegrepen.
§ 3. Tussen de achttiende en de twaalfde maand vóór het verstrijken van de lopende vergunning moet bij de bevoegde overheid een nieuwe vergunning worden aangevraagd.
(De milieuvergunning voor de verdere exploitatie kan vroeger dan de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden aangevraagd wanneer
1° een overname van de vergunde inrichting door een andere exploitant is gepland;
2° de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde inrichting beoogt; in dit laatste geval moet de milieuvergunningsaanvraag zowel betrekking hebben op de verdere exploitatie van de delen van de inrichting die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering.
De Vlaamse regering kan hieromtrent nadere regels vaststellen.) <DVR 1999-05-11/37, Art. 33, 009; En vigueur : indéterminée>
[17 Als de aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota omvat als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en de bevoegde overheid op grond van die nota beslist dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld of na een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageplicht geen ontheffing van de rapportageplicht kan worden verleend, kan de inrichting onder naleving van dezelfde voorwaarden in afwachting van de definitieve beslissing over de nieuwe aanvraag die het milieueffectrapport omvat, verder worden geëxploiteerd in zoverre die nieuwe aanvraag werd ingediend binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop de laatste beslissing over de plicht tot het opstellen van het milieueffectrapport aan de aanvrager werd betekend.]17 [18 Op gemotiveerd verzoek van de exploitant kan deze termijn van zes maanden door de bevoegde overheid maximaal tweemaal verlengd worden met telkens drie maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen in verband met de modaliteiten van dit verzoek.]18
[19 In afwijking van artikel 4, § 1, kunnen inrichtingen waarvoor de aanvraag tot een nieuwe vergunning ten minste twaalf maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de lopende vergunning werd ingediend, in afwachting van de definitieve beslissing over de aanvraag, na het verstrijken van de termijn verder geëxploiteerd worden. De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende voorwaarden uit de verlopen vergunning.]19
§ 4. De vergunning voor een tijdelijke inrichting kan slechts eenmaal worden verlengd voor maximaal dezelfde duur als deze die oorspronkelijk werd toegestaan.
§ 5. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de duur en de hernieuwing van de vergunning.
Artikel 19 De krachtens dit decreet toegestane vergunningen blijven geldig voor de duur van de lopende vergunning:
1° wanneer de inrichting naar een andere klasse overgaat door wijziging van de indelingslijst;
2° (wanneer de inrichting door een andere exploitant wordt overgenomen. De overname moet vooraf worden gemeld aan de overheid die op het tijdstip van de melding overeenkomstig de aard en de klasse in eerste aanleg bevoegd is voor de overgenomen inrichting.) <DVR 2005-04-22/33, Art. 34, 018; En vigueur : 01-01-2005>
Artikel 19BIS<Ingevoegd bij DVR 1990-12-21/33, Art. 73, 004; En vigueur : 01-01-1991> § 1. Een dossiertaks, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuur wordt gestort, wordt geheven lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen initiatief een aanvraag bij de overeenkomstig onderhavig decreet bevoegde overheid indient met het oog op het bekomen van een milieuvergunning alsmede lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen initiatief een beroep bij de overeenkomstig onderhavig decreet bevoegde overheid indient tegen een beslissing in eerste aanleg over een milieuvergunningsaanvraag.
§ 2. De in § 1 bedoelde dossiertaks is verschuldigd op het tijdstip dat de natuurlijke of rechtspersoon een vergunningsaanvraag (bedoeld in de artikelen 9, 15, 15bis, 18, § 3 en 27) of een beroep bedoeld in het artikel 23 indient. <DVR 1993-12-22/37, Art. 47, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 3. Het bedrag van de in § 1 bedoelde dossiertaks, wordt vastgesteld als volgt :
1° (495,79 euro) : voor de personen bedoeld in artikel 24, § 1, 1° die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de eerste klasse die onderworpen is aan een milieueffectrapport en/of veiligheidsrapport; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
2° (247,89 euro) : voor de indiener van een vergunningsaanvraag met betrekking tot een inrichting vermeld sub 1 evenals voor de personen bedoeld in artikel 24, § 1, 1° die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de eerste klasse; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
3° (123,95 euro) : voor de indiener van een vergunningsaanvraag met betrekking tot een inrichting van de eerste klasse evenals voor de personen bedoeld in artikel 24, § 1, 1° die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de tweede klasse; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
4° (61,97 euro) : voor de indiener van een vergunningsaanvraag met betrekking tot een inrichting van de tweede klasse; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
5° (6,2 euro) : voor de personen bedoeld in [20 artikel 24, § 1, 5° en 6°,]20 die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de eerste of tweede klasse. <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
§ 4. (Een bewijs van betaling van voormelde dossiertaks moet worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag, of het beroepsschrift.
Het niet bijvoegen van het bewijs van volledige betaling van de overeenkomstig onderhavig artikel verschuldigde dossiertaks bij de milieuvergunningsaanvraag heeft van rechtswege de onvolledigheid van bedoelde vergunningsaanvraag tot gevolg.
In geval, in strijd met het eerste lid, het bewijs van betaling van de verschuldigde dossiertaks niet bij het beroepsschrift is gevoegd, wordt de indiener van het beroep hiervan in kennis gesteld bij ter post aangetekend schrijven. Indien de indiener van het beroep binnen een termijn van 14 kalenderdagen na verzending van voormelde kennisgeving het vereiste bewijs van de volledige betaling van de verschuldigde dossiertaks niet heeft toegevoegd aan zijn eerder ingediend beroepsschrift, wordt dit beroep van rechtswege onontvankelijk.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 47, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 5. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren van (het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie) aan die belast zijn met de inning en de invordering van de dossiertaks en met de controle op de naleving van de verplichting inzake de dossiertaks, en bepaalt de nadere regels met betrekking tot hun bevoegdheden. <DVR 2007-12-07/51, Art. 17, 022; En vigueur : 14-01-2008>
Artikel 19TER <Ingevoegd bij DVR 1994-12-21/40, Art. 11; En vigueur : 01-01-1995> § 1. Een dossierrecht waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuur wordt gestort, kan geheven worden lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier (of toelatingsaanvraag) met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetische gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient. <DVR 2001-12-21/37, Art. 37, 012; En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. (Het bedrag van het in § 1 bedoelde dossierrecht wordt vastgesteld als volgt :
1° voor elke kennisgeving (of in voorkomend geval een toelatingsaanvraag) bij een eerste ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 1 : 123,95 euro;
- van risiconiveau 2 : 247,89 euro;
- van risiconiveau 3 : 239,47 euro;
- van risiconiveau 4 : 478,94 euro;
2° voor een kennisgeving voor een volgend ingeperkt gebruik, voor een aanpassing of een hernieuwing van een volgend ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 1 : 61,97 euro;
- van risiconiveau 2 : 123,95 euro;
3° voor een toelatingsaanvraag voor een volgend ingeperkt gebruik, voor een aanpassing of een hernieuwing van het volgend ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 2 : 247,89 euro;
- van risiconiveau 3 : 1 239,47 euro;
- van risiconiveau 4 : 2 478,94 euro;
4° voor een heroverweging van een beslissing van de bevoegde instantie met betrekking tot ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 2 : 123,95 euro;
- van risiconiveau 3 : 247,89 euro;
- van risiconiveau 4 : 371,84 euro.) <DVR 2001-12-21/37, Art. 37, 012; En vigueur : 01-01-2002>
(§ 3. Voor de toepassing van dit (decreet) wordt verstaan onder : <DVR 2004-01-16/31, Art. 2, 014; En vigueur : 13-02-2004>
1° micro-organisme : elke cellulaire of niet-cellulaire microbiologische entiteit met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal, met inbegrip van virussen, viroïden, dierlijke en plantencellen in cultuur;
2° organisme : elke biologische entiteit, met inbegrip van micro-organismen, met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal;
3° menselijke pathogenen : de micro-organismen, de celculturen en de menselijke endoparasieten, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde derivaten, die bij de immunocompetente mens een infectie, een allergie of een vergiftiging kunnen veroorzaken;
4° zoöpathogenen : de micro-organismen, de celculturen en de endoparasieten, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde derivaten, die bij het immunocompetente dier een infectie, een allergie of een vergiftiging kunnen veroorzaken;
5° fytopathogenen : de micro-organismen en de organismen, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde derivaten, die bij de gezonde plant een ziekte kunnen veroorzaken;
6° genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) of organisme (GGO) : een micro-organisme of een organisme waarvan het genetisch materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
7° kennisgeving : het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
8° toelatingsaanvraag : het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het bekomen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4;
9° ingeperkt gebruik : elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke GGO's en/of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
10° eerste ingeperkt gebruik : elk ingeperkt gebruik binnen een op basis van rubriek 51 vergunde inrichting, waarvoor nog niet eerder een kennisgeving werd gedaan of een toelating werd gegeven, van eenzelfde of hoger risiconiveau;
11° volgend ingeperkt gebruik : elk ingeperkt gebruik binnen een op basis van rubriek 51 vergunde inrichting, waarvoor reeds een kennisgeving werd gedaan of een toelating werd gegeven, van eenzelfde of hoger risiconiveau.) <DVR 2001-12-21/37, Art. 37, 012; En vigueur : 01-01-2002>
Hoofdstuk 3. Milieuvoorwaarden en verplichtingen van de exploitant <DVR 1993-12-22/37, Art. 48, 005; En vigueur : 01-09-1991>
Artikel 20<DVR 1993-12-22/37, Art. 49, 005; En vigueur : 01-09-1991> ([21 De Vlaamse Regering stelt algemene of sectorale milieuvoorwaarden vast. Bij de vaststelling van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het leefmilieu gewaarborgd. De voormelde milieuvoorwaarden worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd.
De Vlaamse Regering kan op vraag van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen of één of meer van zijn representatieve organisaties als vermeld in artikel 5 van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of één of meer van zijn vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld die actief zijn in of gevat worden door het milieubeleid of zijn vertegenwoordigers van steden, gemeenten en provincies als vermeld in artikel 11.3.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid, voor een bepaalde sector of categorie van inrichtingen een afwijking toestaan op de algemene of sectorale milieuvoorwaarden. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor het indienen en het behandelen van de afwijkingsaanvraag vast.
De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een individuele afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de nadere regels voor het indienen en het behandelen van de afwijkingsaanvraag vast, met inbegrip van het openbaar onderzoek en de bekendmaking van de beslissing.]21
Een exploitant van een inrichting kan gemotiveerd een individuele afwijking aanvragen van algemene of per categorie van inrichtingen geldende milieuvoorwaarden. De Vlaamse regering kan bij gemotiveerd besluit de afwijking toestaan indien dit om technische redenen noodzakelijk is. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast voor de behandeling van de afwijkingsaanvraag en bepaalt de voorwaarden waaronder de afwijking kan worden toegestaan.) <DVR 2004-02-06/36, Art. 11, 016; En vigueur : indéterminée>
Met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu kunnen deze milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden. (Deze milieuvoorwaarden kunnen tevens bepalingen bevatten tot oprichting van bijzondere onderzoekscommissies die ten behoeve van de bevoegde overheid milieutechnisch advies verstrekken inzake bijzondere hinder- of risico-aspecten verbonden aan bepaalde exploitaties. In deze commissies zetelen vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen en deskundigen die worden aangeduid door de Vlaamse regering.) <DVR 1999-05-11/37, Art. 34, 009; En vigueur : indéterminée>
(Voor erkende natuurreservaten en gelegen buiten het VEN en erkend op basis van [22 ...]22 het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu gelden geen afstandsregels.) <DVR 1997-10-21/40, Art. 74, 008; En vigueur : 20-01-1998> (NOTA : Dit lid wordt opgeheven bij <DVR 2004-02-06/36, Art. 11, 016; En vigueur : indéterminée>)
De vergunningsverlenende overheid kan bij het verlenen van een vergunning bijzondere [21 milieuvoorwaarden]21 opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. [21 De beste beschikbare technieken vormen de referentie voor de vaststelling van de bijzondere milieuvoorwaarden. In afwijking hiervan kan de bevoegde vergunningverlenende overheid strengere vergunningsvoorwaarden vaststellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies. De Vlaamse Regering stelt de regels vast op grond waarvan de bevoegde vergunningverlenende overheid dergelijke strengere bijzondere milieuvoorwaarden mag vaststellen.]21
[21 De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.]21
[23 [24 De overheid, bevoegd voor de akteneming van de melding voor een inrichting die alleen onderdelen bevat die in de derde klasse zijn ingedeeld]24, kan met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving, bijzondere milieuvoorwaarden opleggen in zoverre deze geen emissiegrenswaarden bevatten en niet afwijken van de beste beschikbare technieken zoals beschreven in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen in verband met het opleggen en het bekendmaken van deze voorwaarden.]23
Artikel 20BIS [25 Met betrekking tot het saneren van het geloosde afvalwater, kan in de milieuvergunning, via een bijzondere voorwaarde, het afsluiten van een saneringscontract als vermeld in art 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren, lastens de exploitant, opgelegd worden. Het afsluiten van dit saneringscontract kan door enig toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten, verwezenlijkt worden. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.]25
Artikel 21§ 1. De bevoegde overheid kan steeds bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek van de adviesverlenende overheidsorganen, van de exploitant en van de personen bedoeld in [26 artikel 24, § 1, 5° en 6°,]26 de [27 ...]27 opgelegde vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Behalve wanneer zij zelf het initiatief tot wijziging of aanvulling hebben genomen, wordt vooraf het advies van de door de Vlaamse Regering aangeduide overheidsorganen ingewonnen.
(Voor de toepassing van dit artikel wordt onder 'bevoegde overheid' verstaan "de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.) <DVR 2006-05-19/36, Art. 13, 019; En vigueur : 30-06-2006>
[28 Als de bevoegde overheid geen beslissing heeft genomen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn, wordt de vraag tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden geacht geweigerd te zijn.]28
§ 2. Indien na aanmaning door de Vlaamse Regering de bevoegde overheid, niet of onvolkomen optreedt, of indien er ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu, kan de Vlaamse Regering de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen.
§ 3. De Vlaamse Regering stelt de verdere regels vast in verband met het wijzigen of aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden en regelt eveneens de wijze van bekendmakingen van de desbetreffende beslissingen.
Artikel 22De exploitant van een inrichting is verplicht de (milieuvoorwaarden) na te leven. <DVR 2004-02-06/36, Art. 11, 016; En vigueur : 09-03-2004>
[29 Ongeacht de verleende vergunning treft de exploitant steeds de nodige maatregelen om schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.]29
[29 Ongeacht de verleende vergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.]29
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de verplichtingen van de exploitant.
Artikel 22BIS <Ingevoegd bij DVR 2004-01-16/31, Art. 3; En vigueur : 13-02-2004> § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de milieuvergunning vereist voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.
De Vlaamse regering stelt nadere regels vast in verband met de kennisgeving of toelating. De Vlaamse regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.
§ 2. De toelating kan slechts verleend worden zodra de milieuvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen verleend is.
De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik ingedeeld in de eerste of de tweede klasse heeft ten vroegste uitwerking nadat de milieuvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen verleend is.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde milieuvergunning vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.
Indien de in § 1 bedoelde milieuvergunning afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de milieuvergunning is geschorst of totdat de in § 1 bedoelde milieuvergunning verkregen is.
In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.
§ 4. De voorwaarden die door de toelatingverlenende overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 17 van dit decreet.
Hoofdstuk IIIBIS. [30Erkenningen]30
Artikel 22TER[30 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens dit decreet.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.]30
Artikel 22QUATER[30 § 1. Het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen, kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.
§ 2. De erkenningen worden op grond van hun aard in categorieën ingedeeld.
§ 3. De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen een erkenning van rechtswege.
§ 4. Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere Europese lidstaat of in België werd uitgereikt, door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie vermeld in § 3, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid werd vastgesteld, krijgen een erkenning van rechtswege.
§ 5. In afwijking van § 1 kan, bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen vermeld in § 1, door een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.
§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen vermeld in § 1, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in § 5, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van § 2, § 3, § 4 en § 5.]30
Artikel 22QUINQUIES[30 § 1. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst tevens de overheden en organisaties aan die over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit uitspraak doen.
§ 2. Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in § 1. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.
§ 3. De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.
§ 4. Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in § 3, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.]30
Artikel 22SEXIES[30 § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.
De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 22quinquies, § 1, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.]30
Artikel 22SEPTIES[30 Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.
De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.]30
Artikel 22OCTIES[30 Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.
De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de bij schorsing of opheffing van de erkenning te volgen procedure.]30
Artikel 22NOVIES[30 Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtsverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.]30
Hoofdstuk 4. Beroep
Artikel 23§ 1. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door het college van burgemeester en schepenen, kan beroep worden ingediend bij de [11 deputatie]11 van de provincieraad, die uitspraak doet binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 2. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door de [11 deputatie]11 van de provincieraad, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doet binnen een termijn van vijf maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 3. [31 Het beroep wordt met een aangetekende brief ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag van de bekendmaking van de bestreden beslissing.
Voor degenen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, moet het beroep worden ingediend met een aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag dat tot de aanplakking van de bestreden beslissing is overgegaan.]31
Artikel 23BIS <ingevoegd bij DVR 1993-12-22/37, Art. 51, 005; En vigueur : 01-01-1994> Bij gemotiveerd besluit kan de bevoegde overheid de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen eenmaal verlengen met maximum één maand. Zij deelt deze beslissing mee aan de aanvrager en aan de indiener van het beroep voor het verstrijken van de vastgestelde termijn.
Artikel 24§ 1. Het beroep bedoeld in artikel 23 kan worden ingediend door:
1° de aanvrager van de vergunning of de exploitant;
2° de gouverneur;
3° [32 de leidend ambtenaar van de adviesverlenende overheidsorganen, of bij afwezigheid diens gemachtigde;]32
4° het college van burgemeester en schepenen tegen beslissingen van de [33 deputatie]33 van de provincieraad;
5° [elke natuurlijke of rechtspersoon die ten gevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden;] <DVR 2004-03-26/50, Art. 37, 017; En vigueur : 01-07-2004>
[6° elke rechtspersoon die zich de bescherming van het leefmilieu statutair tot doel heeft gesteld, ten minste vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezit en in zijn statuten het grondgebied omschreven heeft tot waar zijn bedrijvigheid zich uitstrekt.] <DVR 2004-03-26/50, Art. 37, 017; En vigueur : 01-07-2004>
[32 7° ...]32
[32 Als, in het geval vermeld in het eerst lid, 3°, het adviesverlenend overheidsorgaan een entiteit of afdeling binnen het departement of agentschap is, wordt de bevoegdheid om beroep in te stellen gelegd bij de leidend ambtenaar van het departement of agentschap of bij afwezigheid diens gemachtigde.]32
§ 2. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het beroep moet worden bekendgemaakt en behandeld.
[De vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen hebben in de milieuvergunningscommissies geen stemrecht bij de behandeling van de beroepen die zij, overeenkomstig § 1, 3°, hebben ingesteld.] <DVR 1999-05-18/84, Art. 21, 010; En vigueur : 10-10-1999>
§ 3. Het beroep bedoeld in artikel 23 schorst de beslissing niet tenzij het wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of [32 de leidend ambtenaar van een adviesverlenend overheidsorgaan of bij afwezigheid diens gemachtigde]32 .
[Wanneer het beroep wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of [32 de leidend ambtenaar van een adviesverlenend overheidsorgaan of bij afwezigheid diens gemachtigde]32 , wordt de beslissing, vanaf de bekendmaking van de ontvankelijkheidverklaring van het beroep aan de exploitant, geschorst gedurende een termijn van maximaal 150 kalenderdagen.] <DVR 2006-05-19/36, Art. 14, 019; En vigueur : 30-06-2006>
Het beroep dat wordt ingesteld door de houder van een proefvergunning schorst de beslissing, bedoeld in artikel 18, § 1, voor zover deze een weigering inhoudt.
Artikel 25 (Opgeheven) <DCFL 2004-02-06/33, Art. 6, 015; En vigueur : 01-03-2004>
Artikel 26§ 1. Tegen elke beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld [34 , of al dan niet stilzwijgend, een vraag tot wijziging of aanvulling wordt geweigerd]34 , kan beroep worden ingediend bij de [8 deputatie]8 van de provincieraad die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 2. Tegen elke beslissing van de [8 deputatie]8 van de provincieraad, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld [34 , of al dan niet stilzwijgend, een vraag tot wijziging of aanvulling wordt geweigerd]34 , kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doen binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 3. [35 Het beroep wordt met een aangetekende brief ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag van de bekendmaking van de bestreden beslissing of indien het beroep betrekking heeft op een stilzwijgende weigering tot wijziging of aanvulling van de opgelegde voorwaarden, na de dag van de stilzwijgende weigering.
Voor degenen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, moet het beroep worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag dat tot de aanplakking van de bestreden beslissing is overgegaan.
Het beroep schorst de beslissing, tenzij de vraag tot wijziging of aanvulling al dan niet stilzwijgend werd geweigerd.]35
§ 4. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het beroep bedoeld in dit artikel moet worden ingediend, bekendgemaakt en behandeld.
Hoofdstuk 5. Verandering van een vergunde inrichting
Artikel 27§ 1. (Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 53, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 2. (In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.
Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, § 1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing.
Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 53, 005; En vigueur : 01-01-1994>
[36 In afwijking van § 1, en het derde lid van deze paragraaf, moet als de verandering louter betrekking heeft op onderdelen die op zich in de derde klasse zijn ingedeeld, geen vergunning worden aangevraagd en de verandering enkel worden meegedeeld zoals bepaald in het eerste en tweede lid van deze paragraaf.]36
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen in verband met de verandering van de vergunde inrichting.
Hoofdstuk 6. Verval van de vergunning
Artikel 28 § 1. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting:
1° die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn;
2° die vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting;
3° die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd (uitgezonderd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek 9. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben). <DVR 2006-12-22/32, Art. 73, 020; En vigueur : 01-01-2007>
(4° die door de exploitant op vrijwillige basis volledig en definitief is stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en regels met betrekking tot de inkennisstelling van de stopzetting en het verval van de vergunning vaststellen.) <DVR 2001-03-09/41, Art. 8, 011; En vigueur : 30-03-2001>
§ 2. Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte.
Hoofdstuk VIBIS. [37Milieuvergunningendatabank]37
Artikel 28BIS [37 De afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, houdt een milieuvergunningendatabank bij.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de milieuvergunningendatabank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling moeten worden aangeleverd en de wijze waarop dit gebeurt.]37
Hoofdstuk 7. Toezicht en dwangmaatregelen
Artikel 29[38 Voor dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels bepaald in hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]38
Artikel 30
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 32, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 31
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 32
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 33
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 34
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 35
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Hoofdstuk 8. Schorsing en opheffing van de vergunning
Artikel 36§ 1. (De bevoegde overheid) kan bij gemotiveerde beslissing en op de wijze die door de Vlaamse Regering wordt bepaald, de milieuvergunning schorsen of opheffen in geval de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de geldende vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd. <DVR 1993-12-22/37, Art. 54, 005; En vigueur : 01-01-1994>
(Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "bevoegde overheid" verstaan "de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.) <DVR 2006-05-19/36, Art. 16, 019; En vigueur : 30-06-2006>
§ 2. Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning door de Vlaamse Regering werd genomen, kan de exploitant tegen deze beslissing beroep indienen bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden. Het beroep schorst de beslissing.
[39 Het beroep moet worden ingediend bij aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing.]39
§ 3. De Vlaamse Regering regelt de modaliteiten van het beroep, bedoeld in § 2 van dit artikel.
Artikel 37 Indien de bevoegde overheid niet of onvolkomen optreedt, kan de Vlaamse Regering bij gemotiveerd besluit, ten allen tijde, welke ook de klasse van de inrichting is, de vergunning volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen.
Onverminderd het bepaalde in artikel 14 van de gecoordineerde wetten op de Raad van State, kan tegen die beslissing geen beroep worden ingesteld.
Artikel 38Wanneer tegen de schorsing of de opheffing van de vergunning geen beroep werd ingediend of wanneer zij in beroep werden bevestigd, neemt de burgemeester, of wanneer deze niet of onvolkomen optreedt, de [40 door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 1°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,]40 de nodige maatregelen om de exploitatie stop te zetten en zo nodig de inrichting te sluiten. Hetzelfde geldt bij schorsing of opheffing, in het geval bedoeld in artikel 37.
Hoofdstuk 4. Strafbepalingen
Artikel 39[41 Met betrekking tot dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gebeuren het onderzoek, de vaststelling en de sanctionering van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]41
Artikel 40
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 35, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Hoofdstuk 10. Wijzigingsen opheffingsbepalingen
Artikel 41 § 1. In de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, worden de bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest, zoals ingevoegd bij de decreten van 23 december 1980 en 5 april 1984, aangevuld met een artikel 32sexies luidend als volgt: "....."
§ 2. De artikelen 5, 6, 7, 36, 39, 41, § 1, 2°, 41, § 2, en 42 van de in § 1 genoemde wet worden opgeheven voor toepassing in het Vlaamse Gewest.
§ 3. In artikel 10, § 1, 2°, en artikel 32ter, 2° van de in § 1 genoemde wet worden voor toepassing in het Vlaamse Gewest de woorden "die krachtens artikel 5 aan vergunning onderworpen zijn" geschrapt en vervangen door "die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning aan een vergunning onderworpen zijn."
§ 4. In artikel 2 van de in § 1 genoemde wet, worden voor toepassing in het Vlaamse Gewest, in het eerste en het tweede lid na het woord "wateren" de woorden "of in de openbare riolen" toegevoegd.
Artikel 41BIS <Ingevoegd bij DVR 1990-12-12/39, Art. 55, § 1, 003; En vigueur : 5555-55-55> § 1. Artikel 26 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 22 oktober 1986 en 20 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Artikel 26. De vergunning bedoeld in artikel 25 van dit decreet wordt verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten. De inbreuken met betrekking tot deze vergunning worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van voornoemd decreet van 28 juni 1985. "
§ 2. Artikel 27 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 22 oktober 1986 en 20 december 1989, wordt opgeheven.
§ 3. In de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 6bis. In afwijking van de bepalingen van artikel 6 van deze wet wordt de in artikel 3 van deze wet bedoelde vergunning, met uitsluiting van degene die betrekking heeft op de verkoop en het te koop stellen, de verwerving en de afstand onder bezwarende of kosteloze titel en het voorhanden houden van giftige afval verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten. De inbreuken met betrekking tot deze vergunning worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van voornoemd decreet van 28 juni 1985. "
Artikel 42 De wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en de stoomketels, wordt opgeheven, voor de aangelegenheden geregeld in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Hoofdstuk 11. Overgangsen slotbepalingen
Artikel 43 Vergunningsaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van dit decreet worden afgehandeld volgens de procedure die geldig was op het tijdstip van de indiening van de aanvraag.
De duur van de vergunning wordt beperkt tot ten hoogste twintig jaar.
Artikel 44[42 Vergunningen die voor de datum van inwerkingtreding van het decreet zijn verleend, blijven geldig voor de in het vergunningsbesluit bepaalde vergunningstermijn, tenzij deze vergunningstermijn verstrijkt na 1 september 2016. In dat laatste geval en bij onbeperkte vergunningstermijn vervallen deze vergunningen uiterlijk 1 september 2016.]42
(Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999.) <DVR 1999-05-11/37, Art. 35, 009; En vigueur : indéterminée>
[42 Ongeacht de vergunningstermijn, bepaald in het vergunningsbesluit, is de vergunning voor de verandering van een inrichting, verleend krachtens artikel 16, 27 of 43, geldig voor dezelfde vergunningstermijn als de termijn van de vergunning, vermeld in het eerste lid. In afwijking hiervan behoudt de vergunning voor de verandering van de inrichting haar oorspronkelijke vergunningstermijn indien in het vergunningsbesluit werd bepaald dat die termijn eerder verstrijkt dan de vergunningstermijn die op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 28, onverkort bestaan.]42
Artikel 44BIS <ingevoegd bij DVR 1990-02-07/32, Art. 2, 002; En vigueur : 5555-55-55> Alle lozingsvergunningen die worden verleend krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en die ingevolge artikel 44 van dit decreet geldig blijven, alsook alle lozingsvergunningen die in toepassing van artikel 43 van dit decreet na de inwerkingtreding ervan worden verleend volgens de procedure die wordt bepaald in voornoemde wet en de besluiten ter uitvoering ervan, worden bekendgemaakt volgens de modaliteiten door de Vlaamse Regering te bepalen.
Artikel 45 Alle vergunde inrichtingen en deze die nog zullen vergund worden krachtens (de in artikelen 41, 41bis en 42 vermelde wetten en decreten), worden in drie klassen ingedeeld zodra de indelingslijst van kracht wordt. <DVR 1990-12-12/39, Art. 55, § 4, 003; En vigueur : 5555-55-55>
Zij vallen onder het toezicht van de overheid die bevoegd is voor die klasse, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VII van dit decreet.
Artikel 45BIS[43 § 1. In afwijking van artikel 18, § 3, eerste en tweede lid, kan een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor de exploitatie van een inrichting die geheel of gedeeltelijk wordt geregeld door een vergunning als vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, eerder dan achttien maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de lopende vergunning worden aangevraagd.
§ 2. In afwijking van artikel 18, § 3, eerste en tweede lid, kan de aanvraag van een nieuwe vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarvan de exploitatie gedeeltelijk wordt geregeld door een vergunning als vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, van toepassing zijn op de volledige inrichting.
§ 3. In afwijking van artikel 9, § 5, wordt de termijn waarbinnen de aanvrager schriftelijk in kennis moet worden gesteld van het al dan niet ontvankelijk en/of volledig bevonden zijn van de vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, bepaald op dertig dagen.
§ 4. In afwijking van artikel 10, wordt de vergunning niet geacht geweigerd te zijn indien de overheid over de vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, geen uitspraak doet binnen de vastgestelde of verlengde termijn.
Na het verstrijken van de vastgestelde of verlengde termijn kan de aanvrager bij aangetekende brief de overheid die nalaat uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag, rappelleren. Indien de overheid geen uitspraak doet over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van honderdtwintig dagen vanaf de dag waarop de aanvrager van de vergunning de overheid een rappelbrief heeft toegestuurd, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Tegen de stilzwijgende weigering kan door de aanvrager beroep worden aangetekend binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag die volgt op het verstrijken van de termijn van honderdtwintig dagen.
§ 5. In afwijking van artikel 12, wordt het advies van het overheidsorgaan over de vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, niet geacht stilzwijgend gunstig te zijn bij het overschrijden van de adviestermijn.
De vergunningverlenende overheid kan na het verstrijken van de adviestermijn, de adviesaanvraag bij het adviesverlenend overheidsorgaan in herinnering brengen. Indien het overheidsorgaan geen advies uitbrengt binnen een termijn van één maand vanaf de dag die volgt op de datum van verzending van de herinnering, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Indien de milieuvergunningscommissies, vermeld in artikel 13, binnen de gestelde termijn geen advies uitbrengen over een vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, wordt dat advies niet geacht stilzwijgend gunstig te zijn.]43
Artikel 45TER[44 § 1. Tenzij de vergunninghouder, overeenkomstig artikel 18, § 3, tijdig een hernieuwing van zijn bestaande vergunning indient, worden de vergunningen die toegekend zijn aan inrichtingen met een depositie van stikstof binnen de speciale beschermingszones, zoals bepaald in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en die vervallen voor [45 31 december 2016]45, in afwijking van artikel 18, § 2, van rechtswege verlengd tot uiterlijk 31 december 2016.
Tussen de achttiende en twaalfde maand voor het verstrijken van de verlengde termijn kan de vergunninghouder een hernieuwingsaanvraag indienen, overeenkomstig artikel 18, § 3.
§ 2. [45 De vergunningstermijn van een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie, die verstrijkt voor 31 december 2018, wordt in afwijking van paragraaf 1 en artikel 18, § 2, 43 en 44, verlengd tot uiterlijk 31 december 2019, als voldaan wordt aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 3.
In het eerste lid wordt verstaan onder inrichting met een stikstofdepositie: een inrichting waarvan de stikstofdepositie volgens de depositiescan een risico inhoudt op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Deze depositiescan, zoals aanvaard door de Vlaamse Regering, geeft als onderdeel van de online-voortoets aan of er een risico is op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu voor wat betreft de gevolgen van stikstofneerslag via de lucht onder vorm van verzuring en vermesting in de betrokken speciale beschermingszone. In dit artikel wordt verstaan onder de online-voortoets: een via het internet beschikbaar gesteld instrument dat op een gestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze een berekening maakt van de milieudruk vanuit een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit en deze milieudruk onder vorm van mathematische grootheden uitzet ten opzichte van de gevoeligheid van de habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone zijn vastgesteld volgens artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De online-voortoets levert een rapport af waarin de ingevoerde gegevens en de beoordeling van het hierboven vermelde risico vermeld worden.
Dit gebeurt in termen van het al dan niet uitsluiten van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, met name in de zone waar het voor de berekende milieudruk gevoelige habitat of leefgebied van een soort voorkomt, of gecreëerd wordt of tot doel kan worden gesteld overeenkomstig de daartoe in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen toe te passen zoekzone. De toetsing gebeurt vanuit de locatie van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteit.]45]44
[45 § 3. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 2, moet de vergunninghouder voor het verstrijken van de vergunningstermijn een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 2 en 3 is voldaan.
De aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning is verlengd conform paragraaf 2. Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 2 en 3 is voldaan.
Het ingediende verzoek bevat het rapport van de uitgevoerde depositiescan op datum van het indienen van het verzoek, met daarin minstens vermeld, de ingevoerde gegevens en het eindresultaat van deze depositiescan. De invoer van de gegevens is in overeenstemming met de milieuvergunning vigerend op datum van het indienen van het verzoek.
§ 4. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 28, onverkort bestaan.]45
Artikel 46Dit decreet treedt in werking op de datum die door de Vlaamse Regering wordt bepaald.
(NOTA: Inwerkingtreding van art. 7, §§ 1, 2, 3, 5 en 6 en van art. 14, § 2 vastgesteld op 17-05-1989 door BVR %1989-03-23/31%, art. 23)
(NOTE : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-09-1991, met uitzondering van art. 13 en 29 waarvan de inwerkingtreding wordt bepaald op 26-06-1991 door BVR 1991-02-06/33, Art. 80)
Artikel 1 Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet.
Artikel 2Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° inrichtingen: fabrieken, werkplaatsen, opslagplaatsen, machines, installaties, toestellen en handelingen die op een door de Vlaamse Regering op te stellen lijst voorkomen;
2° exploiteren: in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting, daaronder begrepen het lozen van afvalwater;
3° exploitant: elke natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd;
4° veranderen van een inrichting: wijzigen, uitbreiden, toevoegen;
_ wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde inrichting, of het aanwenden van een andere fabricagemethode;
_ uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft;
_ toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen, waarop de geldende vergunning geen betrekking heeft;
5° tijdelijke inrichting: de vergunningsplichtige inrichting waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen voor het leefmilieu veroorzaakt en in principe niet langer zal duren dan:
- één jaar, als het een inrichting betreft die verband houdt met een bouwwerf;
- drie maanden in de andere gevallen.
(6° verplaatsbare inrichtingen : door de Vlaamse Regering aangeduide vergunningsplichtige inrichtingen die op tijdelijke basis mobiel inzetbaar zijn voor de behandeling van stoffen in een inrichting waar deze stoffen worden voorgebracht.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 44, 005; En vigueur : 01-01-1994>
[1 7° een stedenbouwkundige vergunning : de vergunning die verleend is voor handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
8° een stedenbouwkundige melding : de melding die wordt verricht voor handelingen als vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
9° elektronische handtekening : elektronische handtekening zoals gedefinieerd in de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten;
10° geavanceerde elektronische handtekening : geavanceerde elektronische handtekening zoals gedefinieerd in de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten;
11° elektronisch middel : een middel waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (met inbegrip van digitale compressie) en gegevensopslag alsmede van verspreiding, overbrenging en ontvangst per draad, straalverbinding, langs optische weg of met andere elektromagnetische middelen.]1
Artikel 2BIS [2 De Vlaamse Regering kan voor gegevensuitwisselingen vermeld in dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten bepalen dat deze geldig kunnen gebeuren met elektronische middelen.
Indien het decreet of haar uitvoeringsbesluiten bepalen dat voor de geldigheid van een kennisgeving een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs vereist is, kan dit voor zover de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen daarbij een elektronische handtekening of een geavanceerde elektronische handtekening nodig zijn voor de geldigheid van de gegevensuitwisseling. Zij kan ook andere vereisten voor de geldigheid van de gegevensuitwisseling met elektronische middelen opleggen.
De Vlaamse Regering kan verdere uitvoeringsmodaliteiten bepalen in verband met de procedures waarbij de gegevensuitwisseling met elektronische middelen toegelaten is.]2
Artikel 3De inrichtingen die hinderlijk worden geacht voor de mens en het leefmilieu worden in drie klassen ingedeeld, afhankelijk van de aard en de belangrijkheid van de daaraan verbonden milieueffecten.
[3 De Vlaamse Regering stelt de lijst van de criteria voor de indeling van de inrichtingen in klassen vast.]3
[3 Als een inrichting onder toepassing valt van verschillende indelingsrubrieken die behoren tot verschillende klassen, is de procedure die geldt voor de hoogste klasse van toepassing op elk onderdeel van de inrichting en is de overheid die bevoegd is voor de hoogste klasse exclusief bevoegd.]3
Artikel 4§ 1. Niemand mag zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse exploiteren of veranderen.
§ 2. Niemand mag, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een [4 inrichting die in de derde klasse is ingedeeld en geen onderdeel is van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld]4, exploiteren of veranderen.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de melding dient te geschieden.
[4 § 3. Een onderdeel van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld en waarbij dat onderdeel op zich in de derde klasse is ingedeeld, is ook onderworpen aan de milieuvergunningsplicht.]4
Artikel 5[5 § 1. De stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is of die onderworpen is aan de meldingsplicht, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief werd verleend of de melding niet is gedaan. Als het gaat om met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening meldingsplichtige handelingen, wordt de uitvoerbaarheid van de stedenbouwkundige melding opgeschort.
De milieuvergunning wordt beschouwd als definitief verleend nadat de termijn om een administratief beroep in te dienen, met toepassing van artikel 23, verstreken is, of nadat de milieuvergunning door de vergunningverlenende overheid in beroep is verleend als administratief beroep werd ingesteld.
Als de stedenbouwkundige vergunning wordt geschorst, gaat de termijn, vermeld in artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in op de dag dat de milieuvergunning definitief wordt verleend of de melding is gebeurd.
Als de milieuvergunning definitief wordt geweigerd, vervalt de stedenbouwkundige vergunning van rechtswege. Als het gaat om met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening Meldingsplichtige handelingen', kunnen deze handelingen niet worden uitgevoerd.
De milieuvergunning wordt beschouwd als definitief geweigerd nadat de termijn om een administratief beroep in te dienen, met toepassing van artikel 23, § 3, verstreken is, of nadat de milieuvergunning door de vergunningverlenende overheid in beroep is geweigerd als een dergelijk administratief beroep werd ingesteld.
Het verval van de stedenbouwkundige vergunning wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager en de overheid die de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend. Het verval van de stedenbouwkundige vergunning wordt bekendgemaakt aan het publiek. De Vlaamse Regering stelt hiervoor nadere regels vast.
§ 2. De milieuvergunning voor een inrichting, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige melding nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend of de handelingen waarvoor de stedenbouwkundige melding is verricht niet mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Het recht op exploitatie dat meldingsplichtige inrichtingen, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige melding nodig is, ten gevolge van een melding hebben verkregen, wordt opgeschort zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend of de handelingen waarvoor de stedenbouwkundige melding is verricht, niet mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
De stedenbouwkundige vergunning wordt beschouwd als definitief verleend vanaf de datum waarop van de stedenbouwkundige vergunning gebruik kan gemaakt worden overeenkomstig artikel 4.7.19, § 3, artikel 4.7.23, § 5, dan wel artikel 4.7.26, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Als de milieuvergunning wordt geschorst, gaat de termijn, vermeld in artikel 17, tweede lid, in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning definitief is verleend of de handelingen waarvoor een stedenbouwkundige melding is verricht, mogen worden aangevat op grond van artikel 4.2.2, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
Als de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd, vervalt de milieuvergunning of het recht op exploitatie ten gevolge van de melding voor de meldingsplichtige inrichtingen van rechtswege.
Het verval van de milieuvergunning of van het recht op exploitatie tengevolge van een melding wordt onverwijld meegedeeld aan de aanvrager of de meldingsplichtige en de overheid die de milieuvergunning heeft verleend of akte heeft genomen van de melding. Het verval van de milieuvergunning wordt bekendgemaakt aan het publiek. De Vlaamse Regering stelt hiervoor nadere regels vast.
De stedenbouwkundige vergunning wordt beschouwd als definitief geweigerd vanaf de datum waarop in laatste administratieve aanleg beslist werd om de stedenbouwkundige vergunning niet af te leveren.]5
Artikel 6§ 1. Zijn voor de toepassing van dit decreet territoriaal bevoegd, de overheden tot wier ambtsgebied de percelen behoren waarop de exploitatie of de verandering van de inrichting gebeurt of gepland is.
§ 2. Indien een inrichting zich over het grondgebied van meer dan één gemeente of provincie uitstrekt, blijft ieder van deze overheden bevoegd voor de inrichtingen of gedeelten van inrichtingen gelegen op haar ambtsgebied.
[6 § 3. Alle aanvragen, meldingen en mededelingen op grond van dit decreet waarvoor een college van burgemeester en schepenen bevoegd is, worden ingediend via het uniek gemeentelijk loket van de bevoegde gemeente of gemeenten.]6
Artikel 6BIS <Ingevoegd bij DVR 2004-02-06/33, Art. 5; En vigueur : 01-03-2004> De voor vergunningverlening bevoegde overheden brengen jaarlijks verslag uit over naleving van de in dit decreet voorziene beslissingstermijnen. Dit verslag wordt overgemaakt aan het parlement en wordt openbaar gemaakt. Er wordt voor het eerst verslag gegeven over de vergunningen, aangevraagd in 2004.
Artikel 7 (Opgeheven) <DVR 2002-12-18/60, Art. 4; En vigueur : 13-02-2003>
Artikel 8 De vergunningen verleend op grond van dit decreet, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
Hoofdstuk IBIS. [7 Afstemming aanvraagprocedure stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning]7
Artikel 8BIS [7 Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning kan worden samengevoegd met de aanvraag voor een milieuvergunning, als voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning zijn wederzijds aan elkaar gekoppeld op grond van artikel 5 van dit decreet en artikel 133/21 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening;
2° het college van burgemeester en schepenen is voor beide aanvragen het bevoegde vergunningverlenende bestuursorgaan.
Aanvragen die aan de in het eerste lid vermelde voorwaarden voldoen, en door de vergunningaanvrager worden samengevoegd, worden hierna " samengevoegde aanvragen " genoemd.]7
Artikel 8TER [7 Samengevoegde aanvragen worden behandeld overeenkomstig de specifieke procedureregelen, vermeld in dit hoofdstuk.
Voor zover die specifieke procedureregelen niets anders bepalen, zijn de procedures op grond van dit decreet en op grond van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening die gelden voor aanvragen die niet onder dit hoofdstuk ressorteren, aanvullend van toepassing.]7
Artikel 8QUATER [7 Samengevoegde aanvragen worden op straffe van onontvankelijkheid ingediend bij het uniek gemeentelijk loket van de bevoegde gemeente of gemeenten.
Het uniek gemeentelijk loket wordt uitgebouwd als een fysiek loket, eventueel aangevuld met een virtueel loket.
De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de organisatie van het uniek gemeentelijk loket, in het bijzonder met het oog op de toegankelijkheid en vlotte bereikbaarheid ervan. Ze kan tevens specifieke regelen bepalen voor de samenstelling van samengevoegde aanvraagdossiers.]7
Artikel 8QUINQUIES [7 Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8bis, dan meldt de daartoe door het college van burgemeester en schepenen aangewezen gemeentelijke ambtenaar dat aan de aanvrager, via het uniek gemeentelijk loket. In dat geval worden beide aanvragen verder afzonderlijk afgehandeld volgens de procedures die gelden voor aanvragen die niet onder dit hoofdstuk ressorteren.]7
Artikel 8SEXIES [7 § 1. De resultaten van de ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoeken van samengevoegde aanvragen worden via het uniek gemeentelijk loket en door middel van één gewone brief aan de aanvrager gemeld.
§ 2. De behandeling wordt voor beide aanvragen definitief stopgezet als :
1° de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning onontvankelijk of onvolledig is;
2° de aanvraag voor een milieuvergunning onontvankelijk is;
3° de aanvraag voor een milieuvergunning onvolledig is en het dossier niet tijdig wordt aangevuld binnen een eenmalige door de Vlaamse Regering te bepalen termijn die niet langer mag zijn dan vijftien dagen.
§ 3. In afwijking van artikel 9, § 6, is de eerste dag na de dag waarop het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager wordt verstuurd de begindatum voor de behandelingstermijn.]7
Artikel 8SEPTIES [7 Als over samengevoegde aanvragen een advies moet worden ingewonnen bij dezelfde adviserende instantie, dan wordt aan die instantie één gezamenlijke adviesvraag voorgelegd.
De adviezen die worden verleend op grond van een gezamenlijke adviesvraag, worden gelijktijdig uitgebracht.]7
Artikel 8OCTIES [7 § 1. Indien beide samengevoegde aanvragen onderworpen moeten worden aan een openbaar onderzoek, dan wordt één gemeenschappelijk openbaar onderzoek georganiseerd overeenkomstig de regelen gesteld krachtens artikel 11, § 1, van dit decreet.
Indien slechts één van de samengevoegde aanvragen onderworpen moet worden aan een openbaar onderzoek, dan wordt enkel voor die aanvraag een openbaar onderzoek georganiseerd overeenkomstig de regelen gesteld krachtens artikel 11, § 1, van dit decreet respectievelijk artikel 133/49 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
§ 2. In het beslissingsproces over de milieuvergunningsaanvraag wordt ingegaan op de milieugebonden bezwaren en de bezwaren over de planologische verenigbaarheid van datgene waarvoor de milieuvergunning wordt aangevraagd.
In het beslissingsproces over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijk gebonden bezwaren.
Als dezelfde bezwaren in beide beslissingsprocessen worden behandeld, worden ze op gelijke wijze weerlegd of nagevolgd.]7
Artikel 8NONIES [7 Het college van burgemeester en schepenen onderzoekt samengevoegde aanvragen gelijktijdig en neemt op dezelfde dag een beslissing over beide aanvragen.
Beide beslissingen worden, via het uniek gemeentelijk loket, aan de aanvrager ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven of enige andere vorm van beveiligde zending, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.]7
Hoofdstuk 2. Vergunningsprocedure voor nieuwe inrichtingen
Artikel 9§ 1. [opgeheven] <DVR 1993-12-22/37, Art. 45, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 2. [Binnen een termijn van vier maanden beslist de [8 deputatie]8 van de provincieraad in eerste aanleg over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van de eerste klasse.
Binnen dezelfde termijn doet zij eveneens uitspraak in eerste aanleg over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van openbare besturen of een door hen opgerichte instelling, ongeacht de klasse waartoe deze inrichtingen behoren.] <DVR 1993-12-22/37, Art. 45, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 3. Binnen een termijn van [9 105 dagen]9 beslist het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van de tweede klasse.
§ 4. [Wanneer een inrichting onder de toepassing valt van verschillende indelingsrubrieken behorend tot verschillende klassen, geldt voor deze inrichting de procedure van de hoogste klasse.] <DVR 1994-12-21/40, Art. 10, 006; En vigueur : 01-01-1995>
§ 5. Wordt door de overheid bij wie de aanvraag is ingediend de aanvraag onontvankelijk bevonden, dan wordt de aanvrager daarvan binnen de [10 dertig]10 dagen na de indiening van de vergunningsaanvraag schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van de reden van de onontvankelijkheid en gebeurlijk met vermelding van de overheid die bevoegd geacht wordt kennis te nemen van de vergunningsaanvraag.
Wordt de aanvraag onvolledig bevonden, dan wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld binnen de [10 dertig]10 dagen na de indiening van de aanvraag, met vermelding van de inlichtingen en gegevens die ontbreken of nadere toelichting vereisen.
Wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig bevonden, dan wordt de aanvrager hiervan bij aangetekend schrijven in kennis gesteld binnen [10 dertig]10 dagen na de indiening van de aanvraag.
[11 § 5bis. Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt de overheid bij wie de aanvraag is ingediend, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld. De Vlaamse Regering kan de vorm en de inhoudelijke elementen van deze beslissing bepalen.
Als de overheid, vermeld in het eerste lid, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]11 [12 De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, betreft een bindende beslissing voor de overheid, vermeld in het eerste lid.]12
§ 6. De termijnen bedoeld in [13 § 2 en § 3]13 vangen aan op de dag dat de bevoegde overheid bevestigd heeft dat het dossier ontvankelijk en volledig is overeenkomstig § 5. [10 Zij vangen echter altijd ten laatste aan op de dertigste dag na de dag waarop de aanvraag werd ingediend.]10
§ 7. [Het college van burgemeester en schepenen neemt akte van de melding van de exploitatie of de verandering van een inrichting [14 die in de derde klasse is ingedeeld en geen onderdeel is van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld]14.] <DVR 1994-12-21/40, Art. 10, 006; En vigueur : 01-01-1995>
Artikel 10Bij gemotiveerd besluit kan de vergunningsverlenende overheid de termijnen waarbinnen zij uitspraak moet doen, eenmaal verlengen met maximum de helft van de vastgestelde termijn [15 tenzij het een beslissing betreft in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen over een inrichting van de tweede klasse]15. Zij deelt deze beslissing mee aan de aanvrager vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn.
De vergunning wordt geacht geweigerd te zijn indien binnen de vastgestelde of verlengde termijn, geen uitspraak is gedaan door de bevoegde overheid. Tegen deze stilzwijgende weigering kan door de aanvrager beroep worden ingediend binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op het verstrijken van de vastgestelde of verlengde termijn.
Artikel 11§ 1. Behoudens andersluidende bepalingen, wordt elke beslissing over een vergunningsaanvraag voorafgegaan door een openbaar onderzoek dat wordt ingesteld volgens de modaliteiten en binnen de termijnen bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 2. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan voor alle vergunningsplichtige inrichtingen een informatievergadering worden georganiseerd.
Voor de inrichtingen van de eerste klasse waarvoor een milieueffect- of veiligheidsrapport wordt vereist, moet ten minste één informatievergadering worden georganiseerd. [16 Een informatievergadering is niet vereist als door de overheid bij wie de aanvraag is ingediend of de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, beslist wordt dat er geen milieueffectrapport vereist is.]16
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels in verband met de organisatie van deze vergadering.
Artikel 12§ 1. De Vlaamse Regering duidt de overheidsorganen aan die vooraf advies uitbrengen over de vergunningsaanvraag. Zij bepaalt de inhoudelijke elementen van de adviezen, de gevallen waarin en de termijnen waarbinnen deze moeten uitgebracht worden.
Bij gebrek van advies binnen de gestelde termijn wordt het overheidsorgaan geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.
§ 2. Voor aanvragen waarvoor in eerste aanleg uitspraak wordt gedaan door de [11 deputatie]11 van de provincieraad, wordt in elk geval het advies gevraagd van het college van burgemeester en schepenen van de plaats waar de inrichting gepland is of geëxploiteerd wordt.
Artikel 13§ 1. In iedere provincie wordt een milieuvergunningscommissie opgericht, die de [11 deputatie]11 van de provincieraad advies verleent in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 2. Er wordt een Gewestelijke Milieuvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse Regering advies verleent in de gevallen die zij bepaalt.
§ 3. In de commissies bedoeld in § 1 en § 2 zetelen vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen en deskundigen, aan te duiden door de vergunningverlenende overheden.
Een vertegenwoordiger van het college van burgemeester en schepenen bedoeld in artikel 12, § 2, woont de vergadering van de provinciale milieuvergunningscommissie bij met raadgevende stem.
Op zijn verzoek wordt de aanvrager gehoord door de commissies bedoeld in § 1 en § 2.
§ 4. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling van de in § 1 en § 2 bedoelde commissies, met inachtname van het bepaalde in § 3, en met dien verstande dat de ambtenaren steeds de meerderheid van het aantal leden uitmaken. De Vlaamse Regering regelt eveneens de werking van die commissies.
Artikel 14 § 1. De Vlaamse Regering stelt de verdere regels vast in verband met het aanvragen, het verlenen, het weigeren, de bekendmaking en de verlenging van de vergunning.
(tweede lid opgeheven) <DVR 1990-12-21/33, Art. 72, 004; En vigueur : 01-01-1991>
§ 2. (De aanvrager is verplicht aan de adviesverlenende overheidsorganen alle gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.
De aanvrager kan in de aanvraag, of bij het overmaken van gevraagde gegevens en inlichtingen aan de bevoegde administratie vragen om te onderzoeken of ze overeenkomstig artikel 15, § 1, 7°, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalde gegevens in de stukken die overeenkomstig artikel 11, § 1, ter inzage zullen worden gelegd tijdens het openbaar onderzoek, niet ter beschikking van het publiek te stellen. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en motiveert waarom hij van mening is dat deze gegevens niet aan het publiek ter beschikking kunnen worden gesteld.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de aanvrager volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering, in elk geval voor de aanvang van het openbaar onderzoek. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het voornoemde artikel 15, § 1, 7°. Als ze op grond hiervan beslist dat op dat ogenblik de gegevens in kwestie niet ter beschikking gesteld worden van het publiek, kan ze die laten opnemen in een bijlage, die niet ter beschikking van het publiek wordt gesteld.
Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regeling inzake passieve openbaarheid, bedoeld in hoofdstuk II van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.) <DVR 2004-03-26/50, Art. 36, 017; En vigueur : 01-07-2004>
Artikel 15 § 1. Binnen een termijn van twee maanden, vanaf de dag waarop zij heeft bevestigd dat het aanvraagdossier ontvankelijk en volledig is, doet het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg uitspraak over een vergunning van een tijdelijke inrichting, welke ook de klasse van de inrichting weze.
§ 2. Er dient geen openbaar onderzoek te worden ingesteld.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de inrichtingen waarvoor en de wijze waarop deze vergunning kan worden verkregen.
Artikel 15BIS <ingevoegd bij DVR 1993-12-22/37, Art. 46, 005; En vigueur : indéterminée> § 1. Binnen een termijn van vier maanden, vanaf de dag waarop zij heeft bevestigd dat het aanvraagdossier ontvankelijk en volledig is, doet de Vlaamse Regering in eerste en laatste aanleg uitspraak over een vergunningsaanvraag voor een verplaatsbare inrichting, ongeacht de klasse van de inrichting.
§ 2. Er dient geen openbaar onderzoek te worden ingesteld.
§ 3. Het exploitatiegebied van een verplaatsbare inrichting strekt zich uit over het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest. De eigenlijke exploitatie dient voorafgaandelijk te worden gemeld aan de burgemeester van de gemeente waar de exploitatie wordt gepland.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de inrichtingen waarvoor en de wijze waarop deze vergunning kan worden verkregen, alsmede de termijn gedurende dewelke een verplaatsbare inrichting op dezelfde lokalisatie inzetbaar is.
Artikel 16 § 1. De exploitant van een inrichting die na haar inbedrijfstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, moet binnen zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging een vergunningsaanvraag indienen bij de overheid die bevoegd is ingevolge de nieuwe indeling.
§ 2. Er dient geen openbaar onderzoek te worden ingesteld.
§ 3. In afwijking van artikel 4 mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing wordt genomen over de ingediende vergunningsaanvraag.
§ 4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de inrichtingen die vergunningsplichtig worden nadat zij in bedrijf zijn gesteld.
Artikel 17 De beslissing over de vergunningsaanvraag is met reden omkleed. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de inhoudelijke elementen van deze beslissing.
De vergunning vermeldt onder welke voorwaarden de inrichting mag worden geëxploiteerd en bepaalt binnen welke termijn de vergunde inrichting in gebruik moet worden genomen. Die termijn mag geen drie jaar overschrijden.
Artikel 18§ 1. De vergunning mag op proef worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Voor het verstrijken van die termijn neemt de bevoegde overheid een definitieve beslissing na advies van de in artikel 12 van dit decreet bedoelde overheidsorganen en zonder bijkomende formaliteiten.
Wanneer geen uitspraak wordt gedaan vóór het verstrijken van die termijn dan wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Tegen deze stilzwijgende weigering kan door de aanvrager beroep worden ingediend, binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op het verstrijken van die termijn.
§ 2. De vergunning wordt verleend voor een bepaalde duur van ten hoogste twintig jaar, de eventuele proeftijd inbegrepen.
§ 3. Tussen de achttiende en de twaalfde maand vóór het verstrijken van de lopende vergunning moet bij de bevoegde overheid een nieuwe vergunning worden aangevraagd.
(De milieuvergunning voor de verdere exploitatie kan vroeger dan de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden aangevraagd wanneer
1° een overname van de vergunde inrichting door een andere exploitant is gepland;
2° de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde inrichting beoogt; in dit laatste geval moet de milieuvergunningsaanvraag zowel betrekking hebben op de verdere exploitatie van de delen van de inrichting die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering.
De Vlaamse regering kan hieromtrent nadere regels vaststellen.) <DVR 1999-05-11/37, Art. 33, 009; En vigueur : indéterminée>
[17 Als de aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota omvat als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en de bevoegde overheid op grond van die nota beslist dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld of na een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageplicht geen ontheffing van de rapportageplicht kan worden verleend, kan de inrichting onder naleving van dezelfde voorwaarden in afwachting van de definitieve beslissing over de nieuwe aanvraag die het milieueffectrapport omvat, verder worden geëxploiteerd in zoverre die nieuwe aanvraag werd ingediend binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop de laatste beslissing over de plicht tot het opstellen van het milieueffectrapport aan de aanvrager werd betekend.]17 [18 Op gemotiveerd verzoek van de exploitant kan deze termijn van zes maanden door de bevoegde overheid maximaal tweemaal verlengd worden met telkens drie maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen in verband met de modaliteiten van dit verzoek.]18
[19 In afwijking van artikel 4, § 1, kunnen inrichtingen waarvoor de aanvraag tot een nieuwe vergunning ten minste twaalf maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de lopende vergunning werd ingediend, in afwachting van de definitieve beslissing over de aanvraag, na het verstrijken van de termijn verder geëxploiteerd worden. De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende voorwaarden uit de verlopen vergunning.]19
§ 4. De vergunning voor een tijdelijke inrichting kan slechts eenmaal worden verlengd voor maximaal dezelfde duur als deze die oorspronkelijk werd toegestaan.
§ 5. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de duur en de hernieuwing van de vergunning.
Artikel 19 De krachtens dit decreet toegestane vergunningen blijven geldig voor de duur van de lopende vergunning:
1° wanneer de inrichting naar een andere klasse overgaat door wijziging van de indelingslijst;
2° (wanneer de inrichting door een andere exploitant wordt overgenomen. De overname moet vooraf worden gemeld aan de overheid die op het tijdstip van de melding overeenkomstig de aard en de klasse in eerste aanleg bevoegd is voor de overgenomen inrichting.) <DVR 2005-04-22/33, Art. 34, 018; En vigueur : 01-01-2005>
Artikel 19BIS<Ingevoegd bij DVR 1990-12-21/33, Art. 73, 004; En vigueur : 01-01-1991> § 1. Een dossiertaks, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuur wordt gestort, wordt geheven lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen initiatief een aanvraag bij de overeenkomstig onderhavig decreet bevoegde overheid indient met het oog op het bekomen van een milieuvergunning alsmede lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die op eigen initiatief een beroep bij de overeenkomstig onderhavig decreet bevoegde overheid indient tegen een beslissing in eerste aanleg over een milieuvergunningsaanvraag.
§ 2. De in § 1 bedoelde dossiertaks is verschuldigd op het tijdstip dat de natuurlijke of rechtspersoon een vergunningsaanvraag (bedoeld in de artikelen 9, 15, 15bis, 18, § 3 en 27) of een beroep bedoeld in het artikel 23 indient. <DVR 1993-12-22/37, Art. 47, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 3. Het bedrag van de in § 1 bedoelde dossiertaks, wordt vastgesteld als volgt :
1° (495,79 euro) : voor de personen bedoeld in artikel 24, § 1, 1° die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de eerste klasse die onderworpen is aan een milieueffectrapport en/of veiligheidsrapport; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
2° (247,89 euro) : voor de indiener van een vergunningsaanvraag met betrekking tot een inrichting vermeld sub 1 evenals voor de personen bedoeld in artikel 24, § 1, 1° die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de eerste klasse; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
3° (123,95 euro) : voor de indiener van een vergunningsaanvraag met betrekking tot een inrichting van de eerste klasse evenals voor de personen bedoeld in artikel 24, § 1, 1° die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de tweede klasse; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
4° (61,97 euro) : voor de indiener van een vergunningsaanvraag met betrekking tot een inrichting van de tweede klasse; <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
5° (6,2 euro) : voor de personen bedoeld in [20 artikel 24, § 1, 5° en 6°,]20 die op basis van artikel 23 een beroep instellen met betrekking tot een inrichting van de eerste of tweede klasse. <DVR 2001-12-21/37, Art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2002>
§ 4. (Een bewijs van betaling van voormelde dossiertaks moet worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag, of het beroepsschrift.
Het niet bijvoegen van het bewijs van volledige betaling van de overeenkomstig onderhavig artikel verschuldigde dossiertaks bij de milieuvergunningsaanvraag heeft van rechtswege de onvolledigheid van bedoelde vergunningsaanvraag tot gevolg.
In geval, in strijd met het eerste lid, het bewijs van betaling van de verschuldigde dossiertaks niet bij het beroepsschrift is gevoegd, wordt de indiener van het beroep hiervan in kennis gesteld bij ter post aangetekend schrijven. Indien de indiener van het beroep binnen een termijn van 14 kalenderdagen na verzending van voormelde kennisgeving het vereiste bewijs van de volledige betaling van de verschuldigde dossiertaks niet heeft toegevoegd aan zijn eerder ingediend beroepsschrift, wordt dit beroep van rechtswege onontvankelijk.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 47, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 5. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren van (het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie) aan die belast zijn met de inning en de invordering van de dossiertaks en met de controle op de naleving van de verplichting inzake de dossiertaks, en bepaalt de nadere regels met betrekking tot hun bevoegdheden. <DVR 2007-12-07/51, Art. 17, 022; En vigueur : 14-01-2008>
Artikel 19TER <Ingevoegd bij DVR 1994-12-21/40, Art. 11; En vigueur : 01-01-1995> § 1. Een dossierrecht waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuur wordt gestort, kan geheven worden lastens elke natuurlijke of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier (of toelatingsaanvraag) met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetische gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient. <DVR 2001-12-21/37, Art. 37, 012; En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. (Het bedrag van het in § 1 bedoelde dossierrecht wordt vastgesteld als volgt :
1° voor elke kennisgeving (of in voorkomend geval een toelatingsaanvraag) bij een eerste ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 1 : 123,95 euro;
- van risiconiveau 2 : 247,89 euro;
- van risiconiveau 3 : 239,47 euro;
- van risiconiveau 4 : 478,94 euro;
2° voor een kennisgeving voor een volgend ingeperkt gebruik, voor een aanpassing of een hernieuwing van een volgend ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 1 : 61,97 euro;
- van risiconiveau 2 : 123,95 euro;
3° voor een toelatingsaanvraag voor een volgend ingeperkt gebruik, voor een aanpassing of een hernieuwing van het volgend ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 2 : 247,89 euro;
- van risiconiveau 3 : 1 239,47 euro;
- van risiconiveau 4 : 2 478,94 euro;
4° voor een heroverweging van een beslissing van de bevoegde instantie met betrekking tot ingeperkt gebruik :
- van risiconiveau 2 : 123,95 euro;
- van risiconiveau 3 : 247,89 euro;
- van risiconiveau 4 : 371,84 euro.) <DVR 2001-12-21/37, Art. 37, 012; En vigueur : 01-01-2002>
(§ 3. Voor de toepassing van dit (decreet) wordt verstaan onder : <DVR 2004-01-16/31, Art. 2, 014; En vigueur : 13-02-2004>
1° micro-organisme : elke cellulaire of niet-cellulaire microbiologische entiteit met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal, met inbegrip van virussen, viroïden, dierlijke en plantencellen in cultuur;
2° organisme : elke biologische entiteit, met inbegrip van micro-organismen, met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal;
3° menselijke pathogenen : de micro-organismen, de celculturen en de menselijke endoparasieten, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde derivaten, die bij de immunocompetente mens een infectie, een allergie of een vergiftiging kunnen veroorzaken;
4° zoöpathogenen : de micro-organismen, de celculturen en de endoparasieten, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde derivaten, die bij het immunocompetente dier een infectie, een allergie of een vergiftiging kunnen veroorzaken;
5° fytopathogenen : de micro-organismen en de organismen, met inbegrip van hun genetisch gemodificeerde derivaten, die bij de gezonde plant een ziekte kunnen veroorzaken;
6° genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) of organisme (GGO) : een micro-organisme of een organisme waarvan het genetisch materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
7° kennisgeving : het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
8° toelatingsaanvraag : het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het bekomen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4;
9° ingeperkt gebruik : elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke GGO's en/of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
10° eerste ingeperkt gebruik : elk ingeperkt gebruik binnen een op basis van rubriek 51 vergunde inrichting, waarvoor nog niet eerder een kennisgeving werd gedaan of een toelating werd gegeven, van eenzelfde of hoger risiconiveau;
11° volgend ingeperkt gebruik : elk ingeperkt gebruik binnen een op basis van rubriek 51 vergunde inrichting, waarvoor reeds een kennisgeving werd gedaan of een toelating werd gegeven, van eenzelfde of hoger risiconiveau.) <DVR 2001-12-21/37, Art. 37, 012; En vigueur : 01-01-2002>
Hoofdstuk 3. Milieuvoorwaarden en verplichtingen van de exploitant <DVR 1993-12-22/37, Art. 48, 005; En vigueur : 01-09-1991>
Artikel 20<DVR 1993-12-22/37, Art. 49, 005; En vigueur : 01-09-1991> ([21 De Vlaamse Regering stelt algemene of sectorale milieuvoorwaarden vast. Bij de vaststelling van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het leefmilieu gewaarborgd. De voormelde milieuvoorwaarden worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd.
De Vlaamse Regering kan op vraag van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen of één of meer van zijn representatieve organisaties als vermeld in artikel 5 van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of één of meer van zijn vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld die actief zijn in of gevat worden door het milieubeleid of zijn vertegenwoordigers van steden, gemeenten en provincies als vermeld in artikel 11.3.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid, voor een bepaalde sector of categorie van inrichtingen een afwijking toestaan op de algemene of sectorale milieuvoorwaarden. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor het indienen en het behandelen van de afwijkingsaanvraag vast.
De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een individuele afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de nadere regels voor het indienen en het behandelen van de afwijkingsaanvraag vast, met inbegrip van het openbaar onderzoek en de bekendmaking van de beslissing.]21
Een exploitant van een inrichting kan gemotiveerd een individuele afwijking aanvragen van algemene of per categorie van inrichtingen geldende milieuvoorwaarden. De Vlaamse regering kan bij gemotiveerd besluit de afwijking toestaan indien dit om technische redenen noodzakelijk is. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast voor de behandeling van de afwijkingsaanvraag en bepaalt de voorwaarden waaronder de afwijking kan worden toegestaan.) <DVR 2004-02-06/36, Art. 11, 016; En vigueur : indéterminée>
Met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu kunnen deze milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden. (Deze milieuvoorwaarden kunnen tevens bepalingen bevatten tot oprichting van bijzondere onderzoekscommissies die ten behoeve van de bevoegde overheid milieutechnisch advies verstrekken inzake bijzondere hinder- of risico-aspecten verbonden aan bepaalde exploitaties. In deze commissies zetelen vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen en deskundigen die worden aangeduid door de Vlaamse regering.) <DVR 1999-05-11/37, Art. 34, 009; En vigueur : indéterminée>
(Voor erkende natuurreservaten en gelegen buiten het VEN en erkend op basis van [22 ...]22 het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu gelden geen afstandsregels.) <DVR 1997-10-21/40, Art. 74, 008; En vigueur : 20-01-1998> (NOTA : Dit lid wordt opgeheven bij <DVR 2004-02-06/36, Art. 11, 016; En vigueur : indéterminée>)
De vergunningsverlenende overheid kan bij het verlenen van een vergunning bijzondere [21 milieuvoorwaarden]21 opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu. [21 De beste beschikbare technieken vormen de referentie voor de vaststelling van de bijzondere milieuvoorwaarden. In afwijking hiervan kan de bevoegde vergunningverlenende overheid strengere vergunningsvoorwaarden vaststellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies. De Vlaamse Regering stelt de regels vast op grond waarvan de bevoegde vergunningverlenende overheid dergelijke strengere bijzondere milieuvoorwaarden mag vaststellen.]21
[21 De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.]21
[23 [24 De overheid, bevoegd voor de akteneming van de melding voor een inrichting die alleen onderdelen bevat die in de derde klasse zijn ingedeeld]24, kan met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving, bijzondere milieuvoorwaarden opleggen in zoverre deze geen emissiegrenswaarden bevatten en niet afwijken van de beste beschikbare technieken zoals beschreven in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen in verband met het opleggen en het bekendmaken van deze voorwaarden.]23
Artikel 20BIS [25 Met betrekking tot het saneren van het geloosde afvalwater, kan in de milieuvergunning, via een bijzondere voorwaarde, het afsluiten van een saneringscontract als vermeld in art 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren, lastens de exploitant, opgelegd worden. Het afsluiten van dit saneringscontract kan door enig toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten, verwezenlijkt worden. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.]25
Artikel 21§ 1. De bevoegde overheid kan steeds bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek van de adviesverlenende overheidsorganen, van de exploitant en van de personen bedoeld in [26 artikel 24, § 1, 5° en 6°,]26 de [27 ...]27 opgelegde vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Behalve wanneer zij zelf het initiatief tot wijziging of aanvulling hebben genomen, wordt vooraf het advies van de door de Vlaamse Regering aangeduide overheidsorganen ingewonnen.
(Voor de toepassing van dit artikel wordt onder 'bevoegde overheid' verstaan "de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.) <DVR 2006-05-19/36, Art. 13, 019; En vigueur : 30-06-2006>
[28 Als de bevoegde overheid geen beslissing heeft genomen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn, wordt de vraag tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden geacht geweigerd te zijn.]28
§ 2. Indien na aanmaning door de Vlaamse Regering de bevoegde overheid, niet of onvolkomen optreedt, of indien er ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu, kan de Vlaamse Regering de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen.
§ 3. De Vlaamse Regering stelt de verdere regels vast in verband met het wijzigen of aanvullen van de opgelegde vergunningsvoorwaarden en regelt eveneens de wijze van bekendmakingen van de desbetreffende beslissingen.
Artikel 22De exploitant van een inrichting is verplicht de (milieuvoorwaarden) na te leven. <DVR 2004-02-06/36, Art. 11, 016; En vigueur : 09-03-2004>
[29 Ongeacht de verleende vergunning treft de exploitant steeds de nodige maatregelen om schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.]29
[29 Ongeacht de verleende vergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.]29
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de verplichtingen van de exploitant.
Artikel 22BIS <Ingevoegd bij DVR 2004-01-16/31, Art. 3; En vigueur : 13-02-2004> § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de milieuvergunning vereist voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.
De Vlaamse regering stelt nadere regels vast in verband met de kennisgeving of toelating. De Vlaamse regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.
§ 2. De toelating kan slechts verleend worden zodra de milieuvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen verleend is.
De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik ingedeeld in de eerste of de tweede klasse heeft ten vroegste uitwerking nadat de milieuvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen verleend is.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde milieuvergunning vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.
Indien de in § 1 bedoelde milieuvergunning afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de milieuvergunning is geschorst of totdat de in § 1 bedoelde milieuvergunning verkregen is.
In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.
§ 4. De voorwaarden die door de toelatingverlenende overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 17 van dit decreet.
Hoofdstuk IIIBIS. [30Erkenningen]30
Artikel 22TER[30 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens dit decreet.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.]30
Artikel 22QUATER[30 § 1. Het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen, kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.
§ 2. De erkenningen worden op grond van hun aard in categorieën ingedeeld.
§ 3. De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen een erkenning van rechtswege.
§ 4. Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere Europese lidstaat of in België werd uitgereikt, door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie vermeld in § 3, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid werd vastgesteld, krijgen een erkenning van rechtswege.
§ 5. In afwijking van § 1 kan, bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen vermeld in § 1, door een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.
§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen vermeld in § 1, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in § 5, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van § 2, § 3, § 4 en § 5.]30
Artikel 22QUINQUIES[30 § 1. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst tevens de overheden en organisaties aan die over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit uitspraak doen.
§ 2. Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in § 1. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.
§ 3. De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.
§ 4. Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in § 3, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.]30
Artikel 22SEXIES[30 § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.
De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 22quinquies, § 1, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.]30
Artikel 22SEPTIES[30 Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.
De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.]30
Artikel 22OCTIES[30 Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.
De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de bij schorsing of opheffing van de erkenning te volgen procedure.]30
Artikel 22NOVIES[30 Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtsverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.]30
Hoofdstuk 4. Beroep
Artikel 23§ 1. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door het college van burgemeester en schepenen, kan beroep worden ingediend bij de [11 deputatie]11 van de provincieraad, die uitspraak doet binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 2. Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door de [11 deputatie]11 van de provincieraad, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doet binnen een termijn van vijf maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 3. [31 Het beroep wordt met een aangetekende brief ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag van de bekendmaking van de bestreden beslissing.
Voor degenen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, moet het beroep worden ingediend met een aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag dat tot de aanplakking van de bestreden beslissing is overgegaan.]31
Artikel 23BIS <ingevoegd bij DVR 1993-12-22/37, Art. 51, 005; En vigueur : 01-01-1994> Bij gemotiveerd besluit kan de bevoegde overheid de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen eenmaal verlengen met maximum één maand. Zij deelt deze beslissing mee aan de aanvrager en aan de indiener van het beroep voor het verstrijken van de vastgestelde termijn.
Artikel 24§ 1. Het beroep bedoeld in artikel 23 kan worden ingediend door:
1° de aanvrager van de vergunning of de exploitant;
2° de gouverneur;
3° [32 de leidend ambtenaar van de adviesverlenende overheidsorganen, of bij afwezigheid diens gemachtigde;]32
4° het college van burgemeester en schepenen tegen beslissingen van de [33 deputatie]33 van de provincieraad;
5° [elke natuurlijke of rechtspersoon die ten gevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden;] <DVR 2004-03-26/50, Art. 37, 017; En vigueur : 01-07-2004>
[6° elke rechtspersoon die zich de bescherming van het leefmilieu statutair tot doel heeft gesteld, ten minste vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezit en in zijn statuten het grondgebied omschreven heeft tot waar zijn bedrijvigheid zich uitstrekt.] <DVR 2004-03-26/50, Art. 37, 017; En vigueur : 01-07-2004>
[32 7° ...]32
[32 Als, in het geval vermeld in het eerst lid, 3°, het adviesverlenend overheidsorgaan een entiteit of afdeling binnen het departement of agentschap is, wordt de bevoegdheid om beroep in te stellen gelegd bij de leidend ambtenaar van het departement of agentschap of bij afwezigheid diens gemachtigde.]32
§ 2. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het beroep moet worden bekendgemaakt en behandeld.
[De vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen hebben in de milieuvergunningscommissies geen stemrecht bij de behandeling van de beroepen die zij, overeenkomstig § 1, 3°, hebben ingesteld.] <DVR 1999-05-18/84, Art. 21, 010; En vigueur : 10-10-1999>
§ 3. Het beroep bedoeld in artikel 23 schorst de beslissing niet tenzij het wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of [32 de leidend ambtenaar van een adviesverlenend overheidsorgaan of bij afwezigheid diens gemachtigde]32 .
[Wanneer het beroep wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of [32 de leidend ambtenaar van een adviesverlenend overheidsorgaan of bij afwezigheid diens gemachtigde]32 , wordt de beslissing, vanaf de bekendmaking van de ontvankelijkheidverklaring van het beroep aan de exploitant, geschorst gedurende een termijn van maximaal 150 kalenderdagen.] <DVR 2006-05-19/36, Art. 14, 019; En vigueur : 30-06-2006>
Het beroep dat wordt ingesteld door de houder van een proefvergunning schorst de beslissing, bedoeld in artikel 18, § 1, voor zover deze een weigering inhoudt.
Artikel 25 (Opgeheven) <DCFL 2004-02-06/33, Art. 6, 015; En vigueur : 01-03-2004>
Artikel 26§ 1. Tegen elke beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld [34 , of al dan niet stilzwijgend, een vraag tot wijziging of aanvulling wordt geweigerd]34 , kan beroep worden ingediend bij de [8 deputatie]8 van de provincieraad die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 2. Tegen elke beslissing van de [8 deputatie]8 van de provincieraad, waarbij de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld [34 , of al dan niet stilzwijgend, een vraag tot wijziging of aanvulling wordt geweigerd]34 , kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doen binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het beroepsschrift.
§ 3. [35 Het beroep wordt met een aangetekende brief ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag van de bekendmaking van de bestreden beslissing of indien het beroep betrekking heeft op een stilzwijgende weigering tot wijziging of aanvulling van de opgelegde voorwaarden, na de dag van de stilzwijgende weigering.
Voor degenen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, moet het beroep worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de eerste dag dat tot de aanplakking van de bestreden beslissing is overgegaan.
Het beroep schorst de beslissing, tenzij de vraag tot wijziging of aanvulling al dan niet stilzwijgend werd geweigerd.]35
§ 4. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het beroep bedoeld in dit artikel moet worden ingediend, bekendgemaakt en behandeld.
Hoofdstuk 5. Verandering van een vergunde inrichting
Artikel 27§ 1. (Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 53, 005; En vigueur : 01-01-1994>
§ 2. (In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.
Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, § 1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing.
Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot.) <DVR 1993-12-22/37, Art. 53, 005; En vigueur : 01-01-1994>
[36 In afwijking van § 1, en het derde lid van deze paragraaf, moet als de verandering louter betrekking heeft op onderdelen die op zich in de derde klasse zijn ingedeeld, geen vergunning worden aangevraagd en de verandering enkel worden meegedeeld zoals bepaald in het eerste en tweede lid van deze paragraaf.]36
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen in verband met de verandering van de vergunde inrichting.
Hoofdstuk 6. Verval van de vergunning
Artikel 28 § 1. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting:
1° die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn;
2° die vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting;
3° die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd (uitgezonderd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek 9. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben). <DVR 2006-12-22/32, Art. 73, 020; En vigueur : 01-01-2007>
(4° die door de exploitant op vrijwillige basis volledig en definitief is stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en regels met betrekking tot de inkennisstelling van de stopzetting en het verval van de vergunning vaststellen.) <DVR 2001-03-09/41, Art. 8, 011; En vigueur : 30-03-2001>
§ 2. Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte.
Hoofdstuk VIBIS. [37Milieuvergunningendatabank]37
Artikel 28BIS [37 De afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, houdt een milieuvergunningendatabank bij.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de milieuvergunningendatabank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling moeten worden aangeleverd en de wijze waarop dit gebeurt.]37
Hoofdstuk 7. Toezicht en dwangmaatregelen
Artikel 29[38 Voor dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels bepaald in hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]38
Artikel 30
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 32, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 31
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 32
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 33
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 34
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Artikel 35
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Hoofdstuk 8. Schorsing en opheffing van de vergunning
Artikel 36§ 1. (De bevoegde overheid) kan bij gemotiveerde beslissing en op de wijze die door de Vlaamse Regering wordt bepaald, de milieuvergunning schorsen of opheffen in geval de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de geldende vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd. <DVR 1993-12-22/37, Art. 54, 005; En vigueur : 01-01-1994>
(Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "bevoegde overheid" verstaan "de overheid die in eerste aanleg bevoegd is.) <DVR 2006-05-19/36, Art. 16, 019; En vigueur : 30-06-2006>
§ 2. Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning door de Vlaamse Regering werd genomen, kan de exploitant tegen deze beslissing beroep indienen bij de Vlaamse Regering, die uitspraak doet binnen een termijn van twee maanden. Het beroep schorst de beslissing.
[39 Het beroep moet worden ingediend bij aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing.]39
§ 3. De Vlaamse Regering regelt de modaliteiten van het beroep, bedoeld in § 2 van dit artikel.
Artikel 37 Indien de bevoegde overheid niet of onvolkomen optreedt, kan de Vlaamse Regering bij gemotiveerd besluit, ten allen tijde, welke ook de klasse van de inrichting is, de vergunning volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen.
Onverminderd het bepaalde in artikel 14 van de gecoordineerde wetten op de Raad van State, kan tegen die beslissing geen beroep worden ingesteld.
Artikel 38Wanneer tegen de schorsing of de opheffing van de vergunning geen beroep werd ingediend of wanneer zij in beroep werden bevestigd, neemt de burgemeester, of wanneer deze niet of onvolkomen optreedt, de [40 door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 1°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,]40 de nodige maatregelen om de exploitatie stop te zetten en zo nodig de inrichting te sluiten. Hetzelfde geldt bij schorsing of opheffing, in het geval bedoeld in artikel 37.
Hoofdstuk 4. Strafbepalingen
Artikel 39[41 Met betrekking tot dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gebeuren het onderzoek, de vaststelling en de sanctionering van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]41
Artikel 40
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, Art. 35, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
Hoofdstuk 10. Wijzigingsen opheffingsbepalingen
Artikel 41 § 1. In de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, worden de bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest, zoals ingevoegd bij de decreten van 23 december 1980 en 5 april 1984, aangevuld met een artikel 32sexies luidend als volgt: "....."
§ 2. De artikelen 5, 6, 7, 36, 39, 41, § 1, 2°, 41, § 2, en 42 van de in § 1 genoemde wet worden opgeheven voor toepassing in het Vlaamse Gewest.
§ 3. In artikel 10, § 1, 2°, en artikel 32ter, 2° van de in § 1 genoemde wet worden voor toepassing in het Vlaamse Gewest de woorden "die krachtens artikel 5 aan vergunning onderworpen zijn" geschrapt en vervangen door "die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning aan een vergunning onderworpen zijn."
§ 4. In artikel 2 van de in § 1 genoemde wet, worden voor toepassing in het Vlaamse Gewest, in het eerste en het tweede lid na het woord "wateren" de woorden "of in de openbare riolen" toegevoegd.
Artikel 41BIS <Ingevoegd bij DVR 1990-12-12/39, Art. 55, § 1, 003; En vigueur : 5555-55-55> § 1. Artikel 26 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 22 oktober 1986 en 20 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Artikel 26. De vergunning bedoeld in artikel 25 van dit decreet wordt verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten. De inbreuken met betrekking tot deze vergunning worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van voornoemd decreet van 28 juni 1985. "
§ 2. Artikel 27 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 22 oktober 1986 en 20 december 1989, wordt opgeheven.
§ 3. In de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 6bis. In afwijking van de bepalingen van artikel 6 van deze wet wordt de in artikel 3 van deze wet bedoelde vergunning, met uitsluiting van degene die betrekking heeft op de verkoop en het te koop stellen, de verwerving en de afstand onder bezwarende of kosteloze titel en het voorhanden houden van giftige afval verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten. De inbreuken met betrekking tot deze vergunning worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van voornoemd decreet van 28 juni 1985. "
Artikel 42 De wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en de stoomketels, wordt opgeheven, voor de aangelegenheden geregeld in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Hoofdstuk 11. Overgangsen slotbepalingen
Artikel 43 Vergunningsaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van dit decreet worden afgehandeld volgens de procedure die geldig was op het tijdstip van de indiening van de aanvraag.
De duur van de vergunning wordt beperkt tot ten hoogste twintig jaar.
Artikel 44[42 Vergunningen die voor de datum van inwerkingtreding van het decreet zijn verleend, blijven geldig voor de in het vergunningsbesluit bepaalde vergunningstermijn, tenzij deze vergunningstermijn verstrijkt na 1 september 2016. In dat laatste geval en bij onbeperkte vergunningstermijn vervallen deze vergunningen uiterlijk 1 september 2016.]42
(Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999.) <DVR 1999-05-11/37, Art. 35, 009; En vigueur : indéterminée>
[42 Ongeacht de vergunningstermijn, bepaald in het vergunningsbesluit, is de vergunning voor de verandering van een inrichting, verleend krachtens artikel 16, 27 of 43, geldig voor dezelfde vergunningstermijn als de termijn van de vergunning, vermeld in het eerste lid. In afwijking hiervan behoudt de vergunning voor de verandering van de inrichting haar oorspronkelijke vergunningstermijn indien in het vergunningsbesluit werd bepaald dat die termijn eerder verstrijkt dan de vergunningstermijn die op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 28, onverkort bestaan.]42
Artikel 44BIS <ingevoegd bij DVR 1990-02-07/32, Art. 2, 002; En vigueur : 5555-55-55> Alle lozingsvergunningen die worden verleend krachtens de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en die ingevolge artikel 44 van dit decreet geldig blijven, alsook alle lozingsvergunningen die in toepassing van artikel 43 van dit decreet na de inwerkingtreding ervan worden verleend volgens de procedure die wordt bepaald in voornoemde wet en de besluiten ter uitvoering ervan, worden bekendgemaakt volgens de modaliteiten door de Vlaamse Regering te bepalen.
Artikel 45 Alle vergunde inrichtingen en deze die nog zullen vergund worden krachtens (de in artikelen 41, 41bis en 42 vermelde wetten en decreten), worden in drie klassen ingedeeld zodra de indelingslijst van kracht wordt. <DVR 1990-12-12/39, Art. 55, § 4, 003; En vigueur : 5555-55-55>
Zij vallen onder het toezicht van de overheid die bevoegd is voor die klasse, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VII van dit decreet.
Artikel 45BIS[43 § 1. In afwijking van artikel 18, § 3, eerste en tweede lid, kan een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor de exploitatie van een inrichting die geheel of gedeeltelijk wordt geregeld door een vergunning als vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, eerder dan achttien maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de lopende vergunning worden aangevraagd.
§ 2. In afwijking van artikel 18, § 3, eerste en tweede lid, kan de aanvraag van een nieuwe vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarvan de exploitatie gedeeltelijk wordt geregeld door een vergunning als vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, van toepassing zijn op de volledige inrichting.
§ 3. In afwijking van artikel 9, § 5, wordt de termijn waarbinnen de aanvrager schriftelijk in kennis moet worden gesteld van het al dan niet ontvankelijk en/of volledig bevonden zijn van de vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, bepaald op dertig dagen.
§ 4. In afwijking van artikel 10, wordt de vergunning niet geacht geweigerd te zijn indien de overheid over de vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, geen uitspraak doet binnen de vastgestelde of verlengde termijn.
Na het verstrijken van de vastgestelde of verlengde termijn kan de aanvrager bij aangetekende brief de overheid die nalaat uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag, rappelleren. Indien de overheid geen uitspraak doet over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van honderdtwintig dagen vanaf de dag waarop de aanvrager van de vergunning de overheid een rappelbrief heeft toegestuurd, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Tegen de stilzwijgende weigering kan door de aanvrager beroep worden aangetekend binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag die volgt op het verstrijken van de termijn van honderdtwintig dagen.
§ 5. In afwijking van artikel 12, wordt het advies van het overheidsorgaan over de vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, niet geacht stilzwijgend gunstig te zijn bij het overschrijden van de adviestermijn.
De vergunningverlenende overheid kan na het verstrijken van de adviestermijn, de adviesaanvraag bij het adviesverlenend overheidsorgaan in herinnering brengen. Indien het overheidsorgaan geen advies uitbrengt binnen een termijn van één maand vanaf de dag die volgt op de datum van verzending van de herinnering, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Indien de milieuvergunningscommissies, vermeld in artikel 13, binnen de gestelde termijn geen advies uitbrengen over een vergunningsaanvraag, die het hernieuwen van een vergunning vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, omvat, wordt dat advies niet geacht stilzwijgend gunstig te zijn.]43
Artikel 45TER[44 § 1. Tenzij de vergunninghouder, overeenkomstig artikel 18, § 3, tijdig een hernieuwing van zijn bestaande vergunning indient, worden de vergunningen die toegekend zijn aan inrichtingen met een depositie van stikstof binnen de speciale beschermingszones, zoals bepaald in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en die vervallen voor [45 31 december 2016]45, in afwijking van artikel 18, § 2, van rechtswege verlengd tot uiterlijk 31 december 2016.
Tussen de achttiende en twaalfde maand voor het verstrijken van de verlengde termijn kan de vergunninghouder een hernieuwingsaanvraag indienen, overeenkomstig artikel 18, § 3.
§ 2. [45 De vergunningstermijn van een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie, die verstrijkt voor 31 december 2018, wordt in afwijking van paragraaf 1 en artikel 18, § 2, 43 en 44, verlengd tot uiterlijk 31 december 2019, als voldaan wordt aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 3.
In het eerste lid wordt verstaan onder inrichting met een stikstofdepositie: een inrichting waarvan de stikstofdepositie volgens de depositiescan een risico inhoudt op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Deze depositiescan, zoals aanvaard door de Vlaamse Regering, geeft als onderdeel van de online-voortoets aan of er een risico is op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu voor wat betreft de gevolgen van stikstofneerslag via de lucht onder vorm van verzuring en vermesting in de betrokken speciale beschermingszone. In dit artikel wordt verstaan onder de online-voortoets: een via het internet beschikbaar gesteld instrument dat op een gestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze een berekening maakt van de milieudruk vanuit een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit en deze milieudruk onder vorm van mathematische grootheden uitzet ten opzichte van de gevoeligheid van de habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone zijn vastgesteld volgens artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De online-voortoets levert een rapport af waarin de ingevoerde gegevens en de beoordeling van het hierboven vermelde risico vermeld worden.
Dit gebeurt in termen van het al dan niet uitsluiten van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, met name in de zone waar het voor de berekende milieudruk gevoelige habitat of leefgebied van een soort voorkomt, of gecreëerd wordt of tot doel kan worden gesteld overeenkomstig de daartoe in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen toe te passen zoekzone. De toetsing gebeurt vanuit de locatie van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteit.]45]44
[45 § 3. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 2, moet de vergunninghouder voor het verstrijken van de vergunningstermijn een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 2 en 3 is voldaan.
De aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning is verlengd conform paragraaf 2. Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 2 en 3 is voldaan.
Het ingediende verzoek bevat het rapport van de uitgevoerde depositiescan op datum van het indienen van het verzoek, met daarin minstens vermeld, de ingevoerde gegevens en het eindresultaat van deze depositiescan. De invoer van de gegevens is in overeenstemming met de milieuvergunning vigerend op datum van het indienen van het verzoek.
§ 4. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 28, onverkort bestaan.]45
Artikel 46Dit decreet treedt in werking op de datum die door de Vlaamse Regering wordt bepaald.
(NOTA: Inwerkingtreding van art. 7, §§ 1, 2, 3, 5 en 6 en van art. 14, § 2 vastgesteld op 17-05-1989 door BVR %1989-03-23/31%, art. 23)
(NOTE : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-09-1991, met uitzondering van art. 13 en 29 waarvan de inwerkingtreding wordt bepaald op 26-06-1991 door BVR 1991-02-06/33, Art. 80)
- 1: DVR 2008-12-12/72, Art. 95, 024; Inwerkingtreding : 01-03-2009>
- 2: DVR 2008-12-12/72, Art. 87, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>
- 3: DVR 2010-12-23/39, Art. 14, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 4: DVR 2012-05-25/07, Art. 6, 031; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
- 5: DVR 2007-12-21/82, Art. 34, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
- 6: DVR 2012-05-25/07, Art. 5, 031; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
- 7: DVR 2008-12-12/72, Art. 94, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>
- 8: DVR 2012-05-25/07, Art. 7, 031; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
- 9: DVR 2009-03-27/59, Art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 10: DVR 2007-12-21/82, Art. 31, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2009>
- 11: DVR 2009-03-27/59, Art. 5, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 12: DVR 2013-03-01/19, Art. 16, 033; Inwerkingtreding : 25-04-2013>
- 13: DVR 2008-12-12/72, Art. 95, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>
- 14: DVR 2014-05-09/10, Art. 99, 034; Inwerkingtreding : 17-07-2014>
- 15: DVR 2012-05-25/07, Art. 4, 031; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
- 16: Ingevoegd bij DVR 2010-12-23/39, Art. 11, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 17: DVR 2012-05-25/07, Art. 3, 031; Inwerkingtreding : 07-01-2013>
- 18: Ingevoegd bij DVR 2009-03-27/59, Art. 4, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 19: DVR 2010-12-23/39, Art. 17, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 20: Ingevoegd bij DVR 2009-03-27/53, Art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2011, zie BVR 2010-11-19/21, art. 104>
- 21: DVR 2012-03-23/19, Art. 3, 030; Inwerkingtreding : 30-04-2012>
- 22: Ingevoegd bij DVR 2010-06-11/12, Art. 3, 027; Inwerkingtreding : indéterminée>
- 23: DVR 2010-06-11/12, Art. 4, 027; Inwerkingtreding : 19-07-2010>
- 24: DVR 2010-06-11/12, Art. 5, 027; Inwerkingtreding : 19-07-2010>
- 25: DVR 2012-03-23/19, Art. 2, 030; Inwerkingtreding : 30-04-2012>
- 26: DVR 2010-12-23/39, Art. 19, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 27: DVR 2010-12-23/39, Art. 16, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 28: DVR 2009-03-27/59, Art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
- 29: DVR 2010-12-23/39, Art. 10, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 30: DVR 2008-12-12/72, Art. 85, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>
- 31: DVR 2010-12-23/39, Art. 13, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 32: DVR 2013-03-01/19, Art. 15, 033; Inwerkingtreding : 25-04-2013>
- 33: Ingevoegd bij DVR 2012-12-21/01, Art. 71, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- 34: Ingevoegd bij DVR 2014-05-09/10, Art. 100, 034; Inwerkingtreding : 22-09-2014 - zie BVR 2014-05-23/20, art. 72.>
- 35: DVR 2010-12-23/39, Art. 18, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 36: DVR 2015-12-18/24, Art. 12, 035; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
- 37: DVR 2012-03-23/19, Art. 1, 030; Inwerkingtreding : 29-04-2013 - zie BVR 2013-03-01/23, art. 22.>
- 38: DVR 2010-12-23/39, Art. 15, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 39: DVR 2013-03-01/19, Art. 17, 033; Inwerkingtreding : 29-04-2013>
- 40: DVR 2008-12-12/72, Art. 86, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>
- 41: DVR 2010-12-23/39, Art. 12, 028; Inwerkingtreding : 28-02-2011>
- 42: DVR 2008-12-12/72, Art. 89, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>
- 43: DVR 2011-11-18/12, Art. 2, 029; Inwerkingtreding : 08-03-2012 - zie BVR 2012-01-13/08, art. 2.>
- 44: DVR 2010-06-11/12, Art. 2, 027; Inwerkingtreding : 19-07-2010>
- 45: DVR 2008-12-12/72, Art. 93, 024; Inwerkingtreding : 14-02-2009>